Zedencriminaliteit in Nederland: State of the art
Zedendelicten zijn nieuws. Regelmatig doen de media verslag van misbruik van kleine kinderen, kinderporno, incest en (groeps)verkrachting door jongeren. Onlangs verscheen een overzichtsstudie over zedencriminaliteit in Nederland. De studie is uniek vanwege de grote aantallen aangiften en delinquenten die over een lange periode zijn onderzocht.
Het begrip zedencriminaliteit kent veel verschijningsvormen. In de media passeren regelmatig mannen die kleine kinderen misbruiken en/of grote hoeveelheden kinderporno op hun computer hebben staan, jongeren die leeftijdgenoten verkrachten, al dan niet in groepsverband, en slachtoffers van incest die vertellen over hun traumatische ervaringen. Als we spreken over zedendelinquenten mogen we dus niet alles op een hoop gooien.
Jaarlijks worden er ruim 6000 aangiften van zedendelicten gedaan. Op basis van de geregistreerde aangiften doen slachtoffers naar verhouding meer aangifte van de 'minder' ernstige zedenmisdrijven (schennis der eerbaarheid en aanranding) dan van verkrachting. Dit kan betekenen dat dergelijke delicten in werkelijkheid ook minder voorkomen, maar ook dat er bij het slachtoffer allerlei bezwaren leven om aangifte van verkrachting te doen. Bijvoorbeeld omdat verkrachting vaak voorkomt in de relatiesfeer en de dader een bekende van het slachtoffer is, terwijl schennisdelicten en, in geringere mate, aanranding minder in de privésfeer plaatsvinden, maar juist meer in de (semi-)openbare ruimte. In sommige regio's worden verhoudingsgewijs meer ernstige zedenaangiften geregistreerd dan in andere. Dit kan te maken hebben met zowel het aangiftegedrag van slachtoffers als de registratie door de politie.
Er zijn ook verschillen te constateren als we kijken naar het aantal inwoners per gemeente. Gemeenten met minder dan 150.000 inwoners registreren naar verhouding meer schennisdelicten dan de grote steden, waar meer aangiften van verkrachtingen worden geregistreerd. Een schennisdelict of een aanranding kan in een kleinere plaats een veel grotere impact hebben op het slachtoffer en mogelijk zal daar de politie ook eerder een proces-verbaal opmaken dan wanneer het voorval zich in een van de vier grote steden voordoet. Wellicht neemt men hier minder snel de moeite om dit te melden en vervolgens te registeren; men is 'wel wat gewend'. De kans dat slachtoffer en pleger van een verkrachting elkaar kennen, zal in kleinere plaatsen groter zijn dan in de meer anonieme grote steden, een andere reden waarom er wellicht relatief meer ernstige zedendelicten in de grote steden worden geregistreerd.
De meeste zedendelicten vinden rond de zomermaanden plaats. Zedendelinquenten zijn in de wintermaanden minder actief; dit geldt voor alle typen zedenmisdrijven. Schennisdelicten worden vooral op doordeweekse dagen gepleegd en verkrachtingen meer in het weekend. Dat komt overeen met hetgeen hiervoor is gesteld over de relatie dader-slachtoffer. Als beiden bekenden van elkaar zijn, is het aannemelijk dat het weekend het moment is dat ze elkaar kunnen ontmoeten. Denk bijvoorbeeld aan de delicten die voortvloeien uit verkeerd gelopen afspraakjes tijdens het uitgaan (zogenoemde date rapes). Dat ligt anders bij de schennispleger, die naar alle waarschijnlijkheid een ander daderprofiel heeft. Hier zal het deels kunnen gaan om mannen die reeds een relatie hebben en hun exhibitionistische gedrag voor hun partner verborgen willen houden. Het weekend biedt daarvoor minder gelegenheid dan doordeweekse dagen. Deze veronderstelling lijkt te worden bevestigd als we naar het dagdeel kijken waarop het delict is gebeurd. Schennisplegers zijn vooral in de ochtend en middag actief, de verkrachters met name ’s nachts.
Aangiftebereidheid
Het oplossingspercentage in zedenzaken stijgt naarmate de ernst van de delicten toeneemt. Hier speelt ongetwijfeld de relatie tussen pleger en slachtoffer mee. Bij een onbekende pleger zal het meer inspanningen kosten om hem op te sporen dan wanneer het een bekende van het slachtoffer betreft.
Naarmate het tijdsverloop tussen het pleegmoment en het moment van aangifte langer duurt, zijn de zedenmisdrijven ernstiger en vinden de delicten meer in de privésfeer plaats. Met name bij jeugdige slachtoffers kan het lang duren voordat zij aangifte doen. Denk aan incest, waarvan het slachtoffer vaak pas op latere leeftijd aangifte wil en/of kan doen. Verkrachtingszaken waarvan de pleegdag bekend is, hebben een groter oplossingspercentage dan verkrachtingszaken waarvan de pleegdag niet bekend is. Als slachtoffers met andere woorden niet precies kunnen zeggen op welke dag de verkrachting is gebeurd, daalt de kans op een succesvolle opsporing, waarschijnlijk omdat het bewijs moeilijker 'rond is te krijgen'.
In vergelijking met de niet-zedendelicten neemt het aantal geregistreerde zedenmisdrijven in de periode 1996-2002 over het algemeen sterker af. Als de algemene criminaliteit een daling vertoont, daalt het aantal (geregistreerde) zedenmisdrijven sterker. Er zijn echter wel verschillen te constateren tussen de diverse categorieën zedenmisdrijven. Zo stijgt het aantal schennisdelicten en de overige zedenmisdrijven, en laten de verkrachtingszaken de grootste daling zien. Hieruit kunnen we echter niet zonder meer afleiden dat in de periode 1996-2002 de ernst van de zedenmisdrijven vergelijkbaar is gedaald. Zoals uit figuur 1 blijkt, neemt de ernstscore vanaf 1996 weliswaar af, maar houdt deze afname geen gelijke tred met de afname van het totaal aantal aangegeven zedenmisdrijven.
[figuur]
De afname van het totaal aantal aangegeven zedenmisdrijven heeft er echter niet toe geleid dat in diezelfde periode het oplossingspercentage is gestegen. Deze is juist, tegen de verwachting in, gedaald. De politie heeft in de periode 1996-2002 dus te maken gekregen met minder aangiften van zedendelicten, waarvoor voorts ook minder verdachten zijn aangehouden en verhoord. Verder blijkt in deze periode dat de daling van dit oplossingspercentage groter is naarmate de ernst van het delict toeneemt. Juist de ernstiger zaken worden naar verhouding minder vaak opgelost. Het is niet duidelijk wat de oorzaken van deze trend zijn. Naar deze kwestie is nader onderzoek nodig.
Zedenverdachten
De politie registreert per jaar ongeveer 4000 verdachten van zedenmisdrijven in het HKS. Evenals bij de aangiften verschillen de regio's onderling wat betreft het percentage zedenverdachten, afgemeten aan het totaal aantal verdachten. Hieraan kunnen regionale prioriteiten ten grondslag liggen, maar ook verschillen in organisatie en werkwijze van de politiefunctionarissen die met de afhandeling van zedenzaken zijn belast. In vergelijking met de zedenaangiften maakt de politie meer processen-verbaal op voor de meer ernstige zedenzaken. Dat kan zijn ingegeven door beperkte opsporingscapaciteit en opsporingsprioriteiten en het gegeven dat het in ernstige zedenzaken vaak om een bekende van het slachtoffer gaat, wat de opsporing kan vergemakkelijken.
Gebleken is dat Nederlanders relatief vaak geregistreerd staan voor misbruik van kinderen en schennisdelicten, terwijl niet-Nederlanders relatief hoog scoren op aanranding/verkrachting. Wellicht in tegenstelling tot de verwachting is ongeveer eenderde van de zedenverdachten aan te merken als first offender, of beter gezegd: hij – vaak is het een man – staat voor slechts één zedenmisdrijf geregistreerd en heeft daarnaast geen andere antecedenten. Een belangrijk deel van de zedendelinquenten recidiveert dus niet, althans volgens de politiecijfers. In werkelijkheid kunnen zij uiteraard wel doorgaan met het plegen van (zeden)delicten, maar die blijven onopgemerkt.
Criminele carrière
Van de totale groep geregistreerde zedendelinquenten (N=23.785 over de periode 1996-2002) staat de helft geregistreerd voor een of meer zedendelicten; de andere helft pleegt daarnaast ook andere strafbare feiten. Opvallend aan de start en het verdere verloop van de criminele carrière van de zedendelinquenten is dat 60 procent van de delinquenten bij het eerste delict staat geregistreerd voor een zedenmisdrijf. Op basis van HKS-gegevens kan niet worden gesteld dat ze eerst met een minder ernstig feit beginnen, bijvoorbeeld diefstal, en na verloop van tijd overgaan tot zedenmisdrijven. Eerder is het tegenovergestelde beeld te zien: na het (eerste) zedendelict daalt het aandeel van de zedendelicten in de criminele carrière sterk en nemen vermogensdelicten de overhand. Het plegen van een zedenmisdrijf is eerder een opmaat voor een vermogens-, dan een zedencarrière. Na verloop van tijd staat het grootste deel van de zedendelinquenten voor vermogensmisdrijven (zonder geweld) geregistreerd. Het is op basis van HKS-gegevens niet mogelijk om vast te stellen of de zedendelinquenten bijvoorbeeld een behandeling of een forse detentiestraf opgelegd hebben gekregen, waardoor ze nadien minder zedendelicten zijn gaan plegen. Het kan ook zijn dat ze hun zedendaden beter verborgen weten te houden, met andere woorden slimmer zijn gaan opereren. De vraag en discussie die hieruit volgen, is wanneer kan worden gesproken van zedendelinquenten. Het is duidelijk dat het antwoord c.q. de definitie veel implicaties kan hebben voor de personen in kwestie. Een en ander laat onverlet dat er personen zijn die met recht zedendelinquenten kunnen worden genoemd. Zoals vermeld vormen zedendelinquenten een heterogene groep. In het onderzoek is daarmee rekening gehouden door verschillende typen te onderscheiden. Het blijkt dat vooral de schennisplegers en misbruikers van kinderen zich toeleggen op zedenmisdrijven en minder op andere delicten. De aanranders en verkrachters daarentegen plegen vooral ook andere delicten; het zedenmisdrijf is bij hen slechts een beperkt deel van de criminele carrière.
Betekenis voor de politiepraktijk
Een centrale bevinding van dit onderzoek is dat zedendelinquenten een zeer gevarieerd criminaliteitspatroon hebben. Een deel van de zedendelinquenten maakt zich schuldig aan een breed scala van delicten. Het zedenaspect speelt in de criminele carrière een betrekkelijk kleine rol. Voor de politiepraktijk kan dit betekenen dat in het verhoor van plegers van zedendelicten de nadruk niet alleen zou moeten liggen op het zedenaspect van het delict, maar meer de algehele antisociale en criminele geschiedenis van betrokkene centraal in ogenschouw zou moeten worden genomen. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om de plaats van het zedendelict in de totale delicthistorie. Zit er met andere woorden een bepaalde ontwikkeling in en in welke richting tendeert deze?
Daarnaast moet men rekening houden met het gegeven dat een groot deel van alle zedenverdachten is aan te merken als eenmalige pleger, althans geregistreerd. Het grote dark number in zedenzaken en de klinische ervaring dat zedendelinquenten vaak meer zedenmisdrijven hebben gepleegd voordat zij in aanraking kwamen met de politie, zouden ertoe moeten leiden dat politiefunctionarissen gedetailleerd aandacht schenken aan de psychoseksuele ontwikkeling en het gedrag van de verdachten. Zijn er indicaties in het leven van de verdachte die wijzen op de seksueel deviante fantasieën en/of gedragingen? Het is zinnig om deze kennis in het proces-verbaal te vermelden, omdat het een completer beeld van de verdachte geeft. Dit impliceert dat er wellicht meer tijd en middelen beschikbaar moeten worden gesteld dan in reguliere recherchezaken. Het vergt, zoals bekend, soms veel tijd en geduld van de politiefunctionarissen om de verdachte over het delict te laten praten en wat te weten te komen van zijn (van de verdachte of van het delict?) van verdachte voorgeschiedenis te laten praten. Het uitgangspunt dat de 'zaak zo snel mogelijk rond moet worden gekregen' zal in sommige gevallen ten koste kunnen gaan van de kwaliteit van het opsporingsonderzoek.
Voor de politiepraktijk is het goed rekening te houden met het feit dat het aandeel van niet-Nederlanders in bepaalde typen delicten (met name aanranding/verkrachting) relatief groter is dan dat van de Nederlanders. Dit betekent dat de kennis over cultuur in relatie tot seksualiteit, schaamte en (groeps)gedrag aanwezig moet zijn, wil het opsporingsonderzoek optimaal kunnen worden uitgevoerd. Het betekent ook dat het proces-verbaal genoeg aanknopingspunten moet bieden voor eventuele vervolging of een adequate justitiële afdoening. In de opleidings- en nascholingstrajecten zou hiervoor nadrukkelijk aandacht moeten worden gevraagd.
Dit alles pleit ervoor bij de afhandeling van zedenzaken altijd gebruik te maken van gespecialiseerde, ervaren politiefunctionarissen. In de praktijk komt het voor dat bijvoorbeeld politiefunctionarissen uit de Basispolitiezorg (BPZ) een aanvullende zedencursus hebben gevolgd en vervolgens worden belast met de opvang van zedenslachtoffers en/of de afhandeling van zedenzaken. Vanwege de lage frequentie van zedenzaken zal dat vaak betekenen dat BPZ'ers weinig gelegenheid hebben om de nodige kennis en ervaring op te doen. Sommige regio's maken onderscheid tussen lichte en zware zedenzaken, waarbij de lichte zaken door BPZ'ers worden afgehandeld en de zware door zedenrechercheurs. Dit is om redenen van efficiency begrijpelijk, maar het kan tot kwalitatief slecht opsporingsonderzoek leiden als daarbij geen of nauwelijks aandacht is voor de totale delicthistorie en de psychoseksuele ontwikkeling van de verdachte. Ook schennisplegers kunnen immers verkrachtingen plegen. Uiteraard is het mogelijk om BPZ'ers samen met en onder verantwoordelijkheid van ervaren zedenrechercheurs te laten werken. De afhandeling van zedenzaken verdient goed opgeleide en gekwalificeerde politiefunctionarissen, die gedegen onderzoek kunnen doen en kunnen omgaan met emotioneel beladen onderwerpen als deviant seksueel gedrag, al dan niet resulterend in strafbare feiten.
1 Wijk, A.Ph. van, Mali, S.R.F., Bullens, R.A.R., Prins, L. & Klerks, P.P.H.M. (2006). Zedencriminaliteit in Nederland. Aangiften- en verdachtenanalyses op basis van HKS-gegevensDelicten en delinquenten nader in beeld gebracht.. Zeist, Uitgeverij Kerckebosch. ISBN 90 6720 386 6. Het boek is te bestellen bij Kerckebosch (www.kerckebosch.nl) of via de boekhandel.
2 Hierbij hebben 1996 op 100 gesteld.
3 Terwijl we eerder juist constateerden dat het oplossingspercentage in zedenzaken stijgt naarmate de ernst van de delicten toeneemt.
4 Zo daalt het oplossingspercentage tussen 1996 en 2002 voor schenniszaken van 31,7 naar 30,6 en voor verkrachtingszaken van 60,2 naar 47,0.
5 Hierbij hebben 1996 op 100 gesteld

Reageer op dit artikel