Zoeken naar antwoorden op huidige uitdagingen: Politiebiografie aanknopingspunt voor leren leren
Een stimulerend leerklimaat voor politieleiders in korpsen ontbreekt, feedback blijft beperkt, er is geen veilige en open leer- en werkomgeving en de persoon van korpschef blijkt zeer bepalend. Laten we maar direct met de belangrijkste resultaten van een recent Berenschot onderzoek in huis vallen. Een onderzoek dat in 2005 is uitgevoerd in opdracht van de School voor Politie Leiderschap van de Politieacademie. Hoe leren onze strategische leiders? Dit artikel zoekt naar een antwoord door te kijken naar onze politie(leer)biografie en daarbinnen onderscheid te maken tussen politiehistorie, geschiedenis van leren binnen de politie en lerende leiders. Een terugblik in de tijd dus, met als mogelijke uitkomst meer begrip voor het nu en meer visie op de toekomst.
Voor de oorlog
Politiehistorie
Opsporing, handhaving en toezicht houden op het maatschappelijke verkeer. Dat waren voor de tweede wereldoorlog de belangrijkste politietaken. De nieuwe gemeentewet van 1851 biedt de eerste wettelijke kaders voor de gemeentepolitiekorpsen in de grote steden en de gemeenteveldwacht op het platteland. Deze Gemeentewet was het logische vervolg op de nieuwe grondwet van Thorbecke (1848). In december 1851 ziet ook het eerste Rijkspolitiebesluit het licht. Dit wordt in 1935 weer vervangen. De Koninklijke Marechaussee was al in oktober 1814 opgericht. Die deed echter alleen dienst in de zuidelijke delen van Nederland en werd in 1830 gesplitst in Rijkswacht en Koninklijke Marechaussee. In 1856 werd besloten de Rijksveldwacht op te richten en op 1 januari 1858 werd dit tweede rijkspolitiekorps een feit.
Geschiedenis van leren binnen de politie
Politiefunctionarissen moeten in die tijd vooral uitvoeren. Het vak wordt in de praktijk geleerd. Onder leiding van een ervaren collega, eventueel aangevuld met zelfstudie. De rijksoverheid geeft slechts mondjesmaat subsidie. Politievakbonden spelen wel een belangrijke rol. Zij willen de gemiddelde politieman ‘verheffen’ door het aanbieden van cursussen en opleidingen met diploma’s. Dé manier om carrière te maken... Er bestaat een opleidingsschool van de Rijksveldwacht en het depot der Koninklijke Marechaussee (KMar) in Apeldoorn.
De officieren van de KMar worden opgeleid aan de Koninklijke Militaire Academie. De meeste politiemensen studeren in hun eigen woonplaats (en eigen tijd) via inspecteurs van politie die ‘les gaven’.
Lerende leiders
Ook leidinggevenden moeten het vak in de praktijk leren. Jurist Mr. P. Frima vindt dit echter onvoldoende en start in 1926 in een grote villa aan de Graaf Florislaan in Hilversum de Politiemodelvakschool waar hij zelf directeur van wordt. Het is de voorloper van het latere Rijksinstituut tot Opleiding van Hogere Politie Ambtenaren (RIOPHA). Zijn nalatenschap bevindt zich in de KLPD-kamer in ‘Huis ’t Velde’ (Warnsveld).
Tijdens de oorlog
Politiehistorie
Vanaf begin 1943 is er sprake van één Staatspolitie/Gendarmerie die onder toezicht van de Duitse commissaris generaal Hanss Rauter over het land heerst. De Rijksveldwacht is op 1 maart 1941 opgegaan in de Marechaussee. In totaal gaat het om ongeveer 20.000 manschappen die militair en centralistisch zijn georganiseerd, verdeeld over vijf politiegewesten. Er is sprake van een strakke hiërarchie en eenheid in voorschriften en optreden.
Geschiedenis van leren binnen de politie
De bedoeling was dat iedere politieman aan de nationaal-socialistische opleidingsschool in Schalkhaar zou worden opgeleid met als doel de politie in Nederland te nazificeren, militariseren en uiteindelijk te centraliseren.
Lerende leiders
Ook het politieleiderschap ondergaat hetzelfde regime: vooral doen wat de bezetter opdraagt. Een hoofdstuk waar we niet graag meer aan herinnerd willen worden.
De naoorlogse jaren
Politiehistorie
In november 1945 treedt het Politiebesluit 1945 in werking. Er komt gemeentepolitie in 127 door de kroon aangewezen gemeenten, onder verantwoording van de burgemeesters en Commissarissen der Koningin. In de overige delen van Nederland wordt de politiedienst door het ‘Corps Rijkspolitie’ uitgevoerd.
Geschiedenis van leren binnen de politie
Beiden korpsen kennen hun eigen opleidingen. De rijkspolitieopleiding is gehuisvest in oude barakken in Nistelrode. Later komen er opleidingscholen in Horn en Harlingen. De gemeentepolitie zet haar eigen scholen op en kiest voor praktijkgerichte instructie (instruction based/application based) als onderwijsmethode. De rijksoverheid probeert steeds meer normen vast te stellen. Vanaf 1951 wordt de overheidsbemoeienis steeds meer zichtbaar. Er komt een hogere- en lagere politieopleiding onder rijksverantwoording. En een eerste aanzet om de vele rijks- en gemeentepolitiediploma’s te standaardiseren. Door de centralisatie ontstaan grote scholen die niet alleen als opleidingsinstituut maar tevens als leefgemeenschap dienen. Politieopleidingsinstituten zijn internaten waar ‘onderofficieren’ in een jaar worden ‘gesocialiseerd’ en klaargestoomd voor de praktijk. Duidelijke waarden en normen, werken in een hiërarchie en internalisering van de politiecultuur zijn belangrijk. Onderofficieren worden vanaf 1954 (n.a.v. de commissie Boot) geacht hun zogenaamde B-diploma te halen om in de toekomst leidinggevenden te kunnen worden.
Lerende leiders
Vanaf 1951 doen zowel rijks- als gemeentelijke politieofficieren bij het eerder genoemde RIOPHA na twee jaar studie examen voor hun basis officiersdiploma. Vanaf 1958 duurt de opleiding drie jaar. Het blijft echter een veredelde vakopleiding waar met name wetshandhaving, exercitie en verkeerstoezicht aan de orde komen. Ook het leren voor leidinggevenden vond plaats in een tuchtordelijke en veilige omgeving. De politie moest immers gewoon uitvoeren wat het bevoegd gezag van haar verwachtte. En dat was het disciplineren van de samenleving.
De nieuwe politiewet
Politiehistorie
Na een slepende procedure wordt in het Staatsblad van 4 juli 1957 de eerste nieuwe Politiewet bekend gemaakt. Er volgen algemene regels over taak, inrichting en benoeming van zowel de rijks- als gemeentepolitie. Gemeenten met meer dan 25.000 inwoners en een aantal aangewezen gemeenten krijgen gemeentepolitie. De overige (vooral plattelands)gemeenten krijgen rijkspolitie; een nationaal korps dat verdeeld is over 17 districten.
Geschiedenis van leren binnen de politie
De gemeentepolitie heeft eigen opleidingsscholen. Rotterdam en Den Haag hebben ze zelfs in eigen beheer en de overige scholen staan in Amsterdam, Leusden, Heerlen en Lochem. De rijkspolitie gebruikt het oude seminar aan de Arnhemseweg in Apeldoorn, maar ook de vestigingen in Horn en Harlingen.
Lerende leiders
De Nederlandse Politie Academie (NPA) wordt in 1967 de opvolger van het RIOPHA. In een internaat in Apeldoorn worden officieren in 3 en later 4 jaar opgeleid tot leidinggevenden. Het diploma was equivalent aan het hoger beroepsonderwijs. De nadruk lag op de inhoud (wetkennis, praktisch politieoptreden, kweken van een goede mentaliteit en korpsgeest en in latere jaren aandacht voor mens en maatschappij). Er was nauwelijks sprake van een management- of leiderschapsopleiding. Dat was ook niet echt nodig. Niet zo zeer de inhoudelijke leiderschapskwaliteiten maar meer de plek in de hiërarchie, bepaalde de feitelijke zeggenschap en macht die mensen in het toenmalige systeem hadden.
Het Studiecentrum voor Hogere Politie Ambtenaren bestaat dan al sinds 1962. Aanvankelijk vanuit een hotel in Heelsum en later in Huis ’t Velde in Warnsveld. Met de Haagse hoofdinspecteur Jaap Tjepkema aan het roer, worden vormingscursussen voor leidinggevenden van rijks- en gemeentepolitie georganiseerd. In 1978 verandert de naam in Politiestudiecentrum (PSC). Het instituut voorziet in een vorm van bijscholing voor de top van de Nederlandse politie. De afgestudeerde NPA-studenten worden naar 6 jaar teruggehaald en ‘opgefrist’. Binnen de korpsen wordt gemengd gereageerd op de onorthodoxe manieren van leren. Met paard en wagen door de Achterhoek, yoga en op een samen gebouwd vlot de Berkel oversteken werd niet door iedereen gezien als het beste onderwijs voor het politiemanagement. Vanaf het begin van de jaren ’80 krijgt organisatieadvies een plek binnen het PSC.
Op de NPA wordt het begin jaren zeventig mogelijk om als jurist of bijvoorbeeld maatschappelijk werker een verkorte officiersopleiding te volgen. Bij wijze van zijinstromer. Ook kunnen goed functionerende adjudanten als doorstromer (extraneï) verder studeren tot officier.
Politie in verandering
Politiehistorie
Het rapport ‘Politie in Verandering’ wijst in 1977 op het belang van het zijn van een ‘maatschappelijke’ politie die dicht bij de bevolking staat, als hulpverlener en partner in het lokale veiligheidsbeleid. De politie belandt in een identiteitscrisis. Wat voor soort politie willen we eigenlijk zijn? Tot dan doen de gemeente- en rijkspolitie ieder afzonderlijk het eigen werk. De Koninklijke Marechaussee is vooral op Defensie gericht. Iedere organisatie heeft eigen werkwijzen, structuren, rangenstelsel en benoemingensysteem. Wel ontstaat de roep om meer met elkaar samen te werken. In de jaren tachtig zien we een politisering van het veiligheidsvraagstuk en een toenemende aandacht voor integrale veiligheid.
Geschiedenis van leren binnen de politie
In 1983 wordt het primaire politieonderwijs veranderd. De Herziene Politie Opleiding (HPO) doet haar intrede, een aantal jaren later gevolgd door de Primaire Opleiding Basispolitiezorg (POMB). De nieuwe identiteit van een op samenwerking gerichte politie, die midden in de samenleving staat, vraagt immers om een ander vakkenpakket en een minder traditionele manier van opleiden. Bestaande instituten van beide bloedgroepen gaan in 1989 samen in het Landelijk instituut Selectie en Opleiding Politie (LSOP).
In die jaren ontspint zich ook de discussie of politieopleidingen wel door de politie zelf moeten worden verzorgd of dat het in het kader van de ‘vermaatschappelijking’ niet beter is om de basisopleidingen buiten de deur te organiseren? De plannen komen niet tot uitvoering, maar zorgen wel voor een verandering in denken. In antwoord op de vraag of de politie een professionalisme is wordt geconstateerd dat het eerder een praktisch professionalisme is. Geen voldragen professionalisme, want het is “niet gebaseerd op theoretische kennis die aan exclusieve en hoogstaande onderwijsinstituten wordt gedoceerd en daarna door middel van permanente educatie wordt onderhouden” (Boin et al).
Lerende leiders
Binnen het LSOP ontstaat het Politie Management Instituut (PMI) waarin de Nederlandse Politieacademie (NPA), het Politiestudiecentrum (PSC), de Kaderschool van de gemeentepolitie (KS) en het Centraal Instituut Opleiding en Vorming (CIOV) van de Rijkspolitie samengaan. De focus van het instituut is gericht op de hogere leidinggevenden. Het PMI komt niet echt van de grond. CIOV, KS en PSC sterven een langzame dood. Alleen de Nederlandse Politieacademie blijft onder de paraplu van het LSOP. Het resultaat is dat er vanaf midden jaren negentig nauwelijks meer centrale aandacht is voor noch management noch leiderschapsontwikkeling.
Eén voorbeeld van een opleiding buiten de deur krijgt wel vorm. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties doet – binnen het kader van het Management Development Politie - een beroep op onder andere de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Deze ontwikkelt de Leergang Politie Leiderschap (LPL) die in 1997 van start gaat. Mensen die naar dit ‘klasje van Siepel ’ worden gestuurd, krijgen al snel het label een toekomstige korpschef te zijn. Uiteindelijk worden slechts drie leergangen uitgevoerd . De oorzaken: verkeerde labeling, een te grote diversiteit in de groepen, te weinig aandacht voor individuele leervragen en ontwikkeling binnen een (te veel) eenheidsprogramma en snijdend commentaar die Cyrille Fijnaut publiceerde in het Tijdschrift voor de Politie.
Overigens had de LPL nog een voorloper: de opleiding Bestuur en Beleid voor Hogere Politieambtenaren. Een coproductie van het Politie Studiecentrum en de universiteiten van Twente, Leiden en Rotterdam.
Een nieuw politiesysteem
Politiehistorie
Minister I. Dales en minister E. Hirsh Ballin zetten in 1993 – in aanwezigheid van alle nieuw benoemde regionale korpschefs - hun handtekening onder een nieuwe politiewet. Er wordt gesproken over een beheerscrisis. De Nederlandse politie bestaat voortaan uit 25 regionale korpsen en het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD). Het INK-denken doet haar intrede. De politie laat veel van zich horen en mengt zich nadrukkelijk in het publieke debat. De hoofdcommissarissen Brand, Hessing, Nordtholt en Wiarda van de vier grote steden krijgen eind 1993 gezamenlijk de Machiavelli-prijs voor 'overheidscommunicatie'. Vanaf dat moment begint het bestuur de publieke uitingen van de politiechefs aan banden te leggen. Een jaar later zorgt de parlementaire enquêtecommissie Opsporingsmethoden met haar onderzoek voor een gezagscrisis: de politie blijkt ongeoorloofde opsporingsmethoden te gebruiken. Voorzitter van Traa stelt aan politieminister Dijkstal de vraag “of het niet wenselijk is dat er een nieuwe generatie politieleiders komt”. Die lijken in aantocht. De eerste, vrouwelijke korpschefs zijn als zij-instromer in aantocht.
Geschiedenis van leren binnen de politie
Nap introduceert in 2001 de term ‘blauw vakmanschap’ en spreekt over politiemensen als bewust lerende professionals. Dit vraagt actuele vakkennis, veldkennis en vakvaardigheden.
In die periode worden ook de eerste stappen gezet met gerichte kennisproductiviteit (o.a. PKN) als onderdeel van het onderwijssysteem.
Op 28 januari 2002 wordt het startsein gegeven voor het nieuwe politieonderwijs, dat verankerd is in de Wet op het Politieonderwijs (23 januari 2003). Het LSOP staat dan als zelfstandige bestuursorgaan onder voorzitterschap van hoofdcommissaris Peter IJzerman, die ook lid is van de Raad van Hoofdcommissarissen. Op deze manier wordt bewust in de verbinding vak en onderwijs/kennis voorzien.
In het zogenaamde samenhangend stelsel vinden initiële en postinitiële opleidingen een plek. Een belangrijke motivator is opnieuw de toenemende externe oriëntatie van de politie en onderkenning van het belang dat veiligheid alleen in hecht samenspel met andere maatschappelijke partners vorm kan krijgen. Kenmerken: contextgebonden en competentiegericht. Dat willen zeggen: duaal leren (werkend leren zowel op het instituut of met de hulp van een trajectbegeleider in een korps), aansluiten bij de kwalificatiestructuur van het reguliere beroepsonderwijs, intensieve samenwerking met ROC’s en HBO’s, inhoud gebaseerd op beroepsprofielen die door de beroepsgroep mede zijn vastgesteld/gevalideerd, kernopgaven en competenties centraal en onafhankelijke examinering. Het zijn opleidingen waarvoor een bachelor- en/of mastertitel kan worden behaald. Als specialist op het gebied van verkeer, openbare orde of recherche of voor leidinggevende binnen speciale leergangen op operationeel, tactisch of strategisch niveau. In 2004 verandert het LSOP haar naam in Politieacademie.
Lerende leiders
Voor het eerst in de politiegeschiedenis wordt gebroken met de scheiding dat onderofficieren en officieren op verschillende plaatsen worden opgeleid. Iedereen kan via een opstapsysteem doorgroeien. Studenten gaan niet langer als aankomend leider naar school. Hun leiderschapskwaliteiten moeten in de praktijk blijken.
Toch krijgt het belang van lerende leiders nauwelijks aandacht. Uit het onderzoek ‘Blauwe bazen: leiderschap bij de politie’ (2003) is een aantal leerfactoren te destilleren:
• het hebben van een voorbeeld/mentor in hun beginjaren. Vaak in de vorm van een oudere, ervaren adjudant;
• het op jonge leeftijd bij verschillende onderdelen leidinggeven aan relatief grote groepen mensen (waaronder vaak doorgewinterde middenkader mensen).
Hierdoor leerde men omgaan met weerstanden. Staande blijven binnen een sterke cultuur was voor velen een zeer bepalende leerervaring;
• deelname aan korpsbrede en landelijke projecten, en
• als crisismanager acteren, b.v. bij ernstige onvrede binnen een korps of bij grootschalig optreden bij rellen of ernstige calamiteiten.
Opvallend is dat het volgen van opleidingen wordt genoemd binnen het kader van hard werken. Het wordt niet benoemd als een daadwerkelijke leerervaring. Een andere opvallende ontdekking uit Blauwe bazen is de schijnbaar strikte scheiding tussen leren voor jezelf en leren om carrière te maken. Met leren voor jezelf - een leven lang leren - is niets mis zolang het de dagelijkse – drukke - praktijk maar geen schade berokkend. Ligt de oorzaak hiervan in een beeld dat het voor zittende leiders niet meer nodig is verder te leren? Is dit een verklaring waarom er zo weinig oude generatie politieleiders zijn met een academische achtergrond? Is daarom ‘een leven lang leren’ voor de ongeveer 600 zittende en aankomende top politiemensen in het begin niet direct meegenomen in het nieuwe politieonderwijs?
De huidige tijd
Politie‘historie’
De huidige tijd kenmerkt zich door een toenemende onvrede bij de burgers over het functioneren van de overheid (en de politie). Het gedogen moet in hun ogen plaats maken voor repressiever optreden. Er komt een kerntakendiscussie, prestatiecontracten en een discussie over een al dan niet gekozen burgemeester. Europese politiesamenwerking vraagt aandacht, er is sprake van een intensivering van de samenwerking met Defensie, GGD en Brandweer/GHOR (niet alleen binnen de veiligheidsregio’s) en er komt zware kritiek op de gebrekkige opsporing naar aanleiding van het rapport Posthumus. De projectgroep ‘Visie op de politiefunctie’ komt onder leiding van de hoofdcommissaris Welten in 2005 met het document ’Politie in Ontwikkeling’. Dit visiedocument moet het antwoord bieden op de vele uitdagingen waarvoor de politie staat. ‘Politie met gezag’, informeren, signaleren en adviseren en de nodale strategie zijn slechts drie van de tien genoemde toekomstrichtingen. De Commissie Leemhuis komt in hetzelfde jaar met voorstellen voor herinrichting van het Nederlandse politiebestel. Ondanks de inrichting van een ‘Voorziening tot Samenwerking’ door de hoofdcommissarissen besluit de minister dat er een nationale politie gaat komen.
Geschiedenis van leren binnen de politie
Niet alleen in Nederland groeit het besef dat een continue ontwikkeling noodzakelijk is van zowel de kwaliteit van de individuele politiemedewerker, als van de politieorganisatie en het politievak. De Europese Politieacademie CEPOL wordt in 2000 opgericht. Bij een zich permanent ontwikkelende organisatie (Politie in Ontwikkeling) horen individuele politiemensen die bereid zijn een leven lang te leren. Dit roept in Nederland nieuwe vragen op: Wat zijn de opleidingseisen voor de toekomstige professionals? Is een MBO nog wel voldoende voor een politieprofessional? Kunnen we net afgestudeerde VWO’s inzetten voor recherchetaken? Korpsen zoeken samen met de Politieacademie naar de meest passende vorm van leren en ontwikkelen.
Lerende leiders
Na het internaliseren van de lessen van de IRT-affaire tekent zich in 2001 een verschuiving af in de discussies binnen de Raad van Hoofdcommissarissen. Naast de nadrukkelijke aandacht voor managen komt er ook een focus op leiderschap. Wat hebben leiders nodig om in een snel veranderende samenleving een optimale politiezorg te kunnen garanderen?
Authentiek leiderschap vloeit niet alleen voort uit een samenhangende visie over de functie van de politie en haar positionering in het bestuurlijk en maatschappelijk vlak, maar duidt ook op het kennen van jezelf. En zo wordt de persoon van de leider misschien wel het belangrijkste instrument.
Drie politiemensen steken de koppen bij elkaar: de school voor Politie Leiderschap (SPL) is een feit. Geen traditioneel onderwijsinstituut, maar een ontmoetingsplaats waar kennis kan worden opgedaan en gedeeld met anderen. Een leven lang. Ook voor mensen van buiten de politie. Een leeromgeving die, vanuit het eigen vakgebied, aandacht besteedt aan zowel de persoonlijke ontwikkeling, de maatschappelijke/bestuurlijke en politieke omgeving, het vak en de organisatie. De SPL staat voor individueel en collectief maatwerk. Bijna gelijktijdig richt het ministerie van BZK in Den Haag het Bureau Landelijk Management Development politie en brandweer (BLMD). SPL en BLMD gaan samen een keten in leiderschapsontwikkeling vormen.
Leiders hebben een belangrijke voorbeeldfunctie. De korpsen reageren hierop door een veelheid aan korpsbrede leiderschapstrajecten starten. Hierop vroeg de SPL zich af ‘hoe politieleiders eigenlijk leren’. Uit de conclusies van het Berenschot-onderzoek uit 2005 blijkt dat er voor strategisch leidinggevenden geen echte leercultuur bestaat binnen de korpsen. Geruststellender is het feit dat er een mer à boire aan potentiële leergebeurtenissen en dat de behoefte óm te leren wordt ervaren.
Wat zegt onze biografie?
Deze beknopte terugblik geeft een beeld van de context, de geschiedenis van leren in zijn algemeenheid en van lerende politieleiders door de jaren heen. Welke voorzichtige conclusies kunnen worden getrokken?
Politiehistorie
We zien een biografie waarin sprake is van grote veranderingen, vitaliteit en de wil om te blijven verbeteren. Het blauwe vak emancipeert doorlopend. De plichtgetrouwe orde handhaver en speurneus lijkt soms naar de achtergrond te schuiven ten kostte van de hulpverlener en meer recent de adviseur. Het besef dringt door dat alles juist nadrukkelijk naast elkaar moet opereren en zichtbaar moet zijn, zowel nationaal als internationaal. Door de jaren is een grotere openheid, toenemende externe en maatschappelijke oriëntatie en een verdergaande professionalisering duidelijk zichtbaar. Politie Nederland staat en gaat voor professionaliteit. Toch lijkt veel op dit moment samen te komen. Crisissen blijken in het verleden voor de nodige schokken te zorgen.
Geschiedenis van leren binnen de politie
Leren en ontwikkelen blijkt een belangrijke rol te spelen in dit emancipatie- en professionaliseringsproces en krijgt door de jaren heen een steeds dominantere plaats. Van zoek het zelf maar uit, focus op internaliseren van de korpscultuur, op wetgeving gericht traditioneel onderwijs, naar een focus op de brede competenties van de zelfstandige student met een brede maatschappelijke en kennisoriëntatie. Met meer recent nadrukkelijk hernieuwde aandacht voor het vak. Het besef groeit dat ‘een leven lang leren’ en het ‘ontwikkelen van medewerkers’ belangrijke manieren zijn om als organisatie te excelleren en te overleven in een zeer turbulente omgeving. Het is belangrijk om te zien hoe de korpsen en de Politieacademie dit proces in de komende jaren samen verder gestalte blijven geven.
Lerende leiders
Van een autoritaire manager naar een coachende leider. Een wereld van verschil. Het leren van leiders bleef te lang beperkt tot de 4-jarige NPA-opleiding op HBO niveau. Een opleiding met vooral aandacht voor management- en wetgevinginstrumenten en minder voor de maatschappelijke context en al helemaal niet voor persoonlijke ontwikkeling.
Individuen als Frima, Tjebkema, IJzerman en Tieleman blijken een belangrijke voortrekkersrol binnen leiderschap en leren te hebben gespeeld. Aan het einde van de laatste eeuw gaat dit veranderen. Veel korpsen sturen hun aankomende top naar (post-)academische opleidingen. Binnen het nieuwe politieonderwijs komen masteropleidingen voor operationele, tactische en strategische leidinggevenden. De School voor Politieleiderschap van de Politieacademie geven ‘een leven lang leren’ voor de strategische top vorm, waar zowel het vak, de omgeving, organisatie en de persoon centraal staan. Er lijkt een focus op leren te ontstaan.
De toekomst: leiders die leren leren
‘Politie in Ontwikkeling, politiemensen blijvend in ontwikkeling’ is waarschijnlijk het meest passende antwoord op de huidige uitdagingen. Het gaat immers om onze professionele autoriteit. Dit realiserend, zijn de uitkomsten van het Berenschot onderzoek raak geweest… De les die het onderzoek leert is duidelijk: politieleiders pak je rol op. Maak juist nu werk van het creëren van een stimulerende leeromgeving. Help medewerkers individueel, maar ook als collectief, nog beter te leren. Korpschefs, let vooral op het faciliteren van de voorkeursstrategieën van leidinggevenden, te beginnen met de meest populaire gevonden strategie: het betekenisgericht leren . Dit vraagt om zelf te laten zien hoe belangrijk een leven lang leren is, door zelf zichtbaar actief in jezelf te investeren, door gericht mensen uit te dagen in beweging te blijven en ruimte te scheppen voor blame free reflection. Kortom, leer jullie mensen leren…! Alleen op deze manier kan de politie – passend bij haar biografie - blijvend professionaliseren en antwoorden vinden op de uitdagingen van nu!
Met veel dank aan dr. J.P.E.G. Smeets, onderzoeker bij het Kennisnetwerk en Marnix Esyink Smeets, SPL programmamanager van de Politieacademie voor jullie commentaar en waardevolle aanvullingen.
Ook bedankt worden de onderstaande personen voor de informatie die zij in verschillende gesprekken hebben gegeven: drs. M.A.P. Dierckx, oud korpschef politie Zeeland, dhr. W. Schulkens, voormalig Directeur Politie Studie Centrum, dhr. P. Tieleman, hoofdcommissaris, oud korpschef politie Zuid-Holland-Zuid, professor C. van de Vijver, Hoogleraar Universiteit Twente, mr. J. Wiarda, oud korpschef politie Haaglanden en dhr. P. IJzerman, oud voorzitter van het College van Bestuur van de Politieacademie.
Bronnen
Boin, R.A., Torre, van der E.J., Hart, ’t P., Hoogenboom, A.B., Blauwe Bazen: Het leiderschap van korpschefs, oktober 2003
Duivenvoorde, E, De grote kladderadatsch, artikel in de Groene Amsterdamer van 11 juni 1997
Jonge, de J.A., Korps Rijkspolitie 1945-1994, Stichting Het Nederlands Politie Museum in opdracht van de Algemeen-Inspecteur van het Korps Rijkspolitie,1993.
Haarman, J.W., Geschiedenis en Inrichting der Politie in Nederland, Alphen aan den Rijn, 1933
Haenen, Marcel en Meeus, Tom Jan, “Aanpak zware misdaad is er veel erger aan toe dan gedacht”, NRC webpagina, 11 november 1995
Kelder, J.J., De schalkhaarders, Utrecht, 1990
Koers, A, Exit Leergang Politie Leiderschap, artikel in het Tijdschrift van Politie, nummer mei 2003
LSOP Politie Onderwijs- en Kenniscentrum, Leren in veiligheid - Het nieuwe politieonderwijs in maatschappelijk perspectief, LSOP - Apeldoorn, september 2002.
Nap. J. Werken aan blauw vakmanschap, systematisch leren in de politiepraktijk, uitgave van het L.S.O.P, Apeldoorn, 2001
R.D. Nieuweboer, C.M.C. Elbertse m.m.v. L.H. Hoeksema, ‘Leren voor Politieleiderschap, Utrecht, december 2005
Os, Peter van, Legitimiteit politie door historie bepaald, artikel in het SPL jaarboek 2005, Warnsveld 2006.
Poelert, B., Invloed van de jaren zestig op het leiderschap bij de politie…, artikel in het themanummer leiderschap van het Tijdschrift voor de Politie, jaargang 65, nummer januari/februari 2003.
Projectgroep Organisatiestructuren (POS), Politie in verandering – een voorlopig theoretisch model, rapport 1977.
Projectgroep Visie op de politiefunctie, Raad van Hoofdcommissarissen, Politie in ontwikkeling, Den Haag, mei 2005.
Riessen, J.C., en Bron, R. ‘Politie op een kruispunt’ derde versie van een interne nota van het regionale korps Amsterdam Amstelland, januari 2003.
1 Berenschot, deels in samenwerking met het Erasmus Research Institute for Management Studies (ERIM).
2 Met veel dank aan dr. J.P.E.G. Smeets, onderzoeker bij het Kennisnetwerk en Marnix Esyink Smeets, SPL programmamanager van de Politieacademie voor jullie commentaar en waardevolle aanvullingen. Ook bedankt worden de onderstaande personen voor de informatie die zij in verschillende gesprekken hebben gegeven: drs. M.A.P. Dierckx, oudkorpschef politie Zeeland, dhr. W. Schulkens, voormalig Directeur Politie Studie Centrum, dhr. P. Tieleman, hoofdcommissaris, oud-korpschef politie Zuid-Holland-Zuid, professor C. van de Vijver, Hoogleraar Universiteit Twente, mr. J. Wiarda, oud-korpschef politie Haaglanden en dhr. P. IJzerman, oud-voorzitter van het College van Bestuur van de Politieacademie.
3 De voormalige hoofdcommissaris Jan Siepel was op dat moment verantwoordelijk voor het Management Development op het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
4 Zie tevens het artikel van decaan Albert Koers in het TvP van mei 2003.
5 Hoofdcommissaris en voormalig korpschef van de regionale politie Zuid Holland Zuid, Piet Tieleman, speelde zowel bij de totstandkoming en vormgeving van de SPL en de SLL (Strategisch Leidinggevende Leergang) een belangrijke rol.
6 Uit het Berenschot onderzoek: “mensen met een preferentie voor de betekenisgerichte leerstrategie de achterliggende redenen van wat om hen heen gebeurt willen begrijpen, verbanden leggen tussen verschillende zaken die zij geleerd hebben, kritisch zijn en hun eigen standpunt proberen te bepalen (bijv. Hoeksema, 1995).

Reageer op dit artikel