‘Home Grown’ Terrorisme
Tijdens mijn laatste jaar als districtschef in Amsterdam-West kreeg ik bezoek van een politiedelegatie uit New York. Eén rechercheur en twee misdaadanalisten van de NYPD (New York City Police Department, red.) voerden een internationaal, vergelijkend onderzoek uit naar tien terroristische aanslagen; vijf op Amerikaans grondgebied en vijf daarbuiten. In Nederland bestudeerden zij de achtergronden van de moord op Theo van Gogh. Even later liepen we, onder aanvoering van enkele buurtregisseurs, door de straten van Amsterdam-Slotervaart, waar verschillende leden van de Hofstadgroep opgroeiden.
Het resultaat van deze studie werd begin 2007 gepubliceerd in het rapport ‘Radicalization in the West: the Home Grown Threat’. De belangrijkste conclusie was dat ‘home grown’ terrorisme óók in de Verenigde Staten voorkwam. Dit deed binnen de Amerikaanse overheidsdiensten veel stof opwaaien, omdat de heersende mening was dat de terroristische dreiging uitsluitend van buiten de landsgrenzen kwam. Inmiddels, na diverse mislukte én geslaagde aanslagen (zoals de schietpartij in Fort Hood, waarbij een geradicaliseerde legerimam dertien militairen doodde) weet men wel beter. Zowel de Administrator van het Departement of Homeland Security, Janet Napolitano, als de Director van de Federal Bureau of Investigation, Robert Mueller, laat bij spreekbeurten geen gelegenheid onbenut om de aandacht te vragen voor dit fenomeen. Zij richten zich daarbij vooral tot de lokale politiechefs, in de overtuiging dat zij het best in staat zijn om radicalisering vroegtijdig te signaleren. Mueller stelt: ‘Homeland Security begins with Hometown Security!’
In de afgelopen jaren heb ik bij verschillende gelegenheden het Nederlandse anti-radicaliseringsbeleid gepresenteerd. Ik leg dan uit dat Nederland voor een brede aanpak heeft gekozen, waarin preventie en vroegtijdige signalering voorop staan en repressie het noodzakelijke sluitstuk vormt. Vooral als ik beschrijf hoe de Nederlandse overheid vroegtijdig intervenieert om een beginnend proces van radicalisering te doorbreken en om te buigen, krijg ik steevast de vraag of dat wel een taak van de overheid kan zijn. De vraag stellen is hem beantwoorden: in de Amerikaanse doctrine maakt de strikte scheiding van kerk en staat een vergelijkbare overheidsrol onmogelijk.
De Verenigde Staten kent geen nationaal beleid op het gebied van radicalisering. De aanpak is vooral repressief van aard. Er wordt weliswaar gestreefd naar vroegtijdige signalering, maar dan vooral om vroegtijdig, repressief op te treden, bijvoorbeeld door het inschakelen van een infiltrant. Deze aanpak leidt regelmatig tot successen, die breed worden uitgedragen in de media: ‘FBI voorkomt terroristische aanslag’, is dan te lezen. Steeds vaker wordt echter de vraag gesteld of het zonder de ‘hulp’ van de FBI überhaupt wel tot een aanslag was gekomen.
Op 26 november 2010 probeerde de 19-jarige Mohamed Mohamud een explosief te ontsteken op een drukbezochte kerstmarkt in Portland, Oregon. Twaalf dagen later deed de 21-jarige Antonio Martinez – onder het uitroepen van ‘Allahu Akbar’ – hetzelfde bij een militair recruteringscentrum in Baltimore, Maryland. Beide pogingen mislukten. De (nep)explosieven waren namelijk geleverd door een undercover-agent van de FBI. In beide zaken stelde de verdediging dat sprake was van uitlokking. Volgens hen hadden de verdachten weliswaar de intentie geuit om een aanslag te plegen, maar waren ze daartoe nooit zelfstandig in staat geweest. De Amerikaanse minister van Justitie Eric Holder weerlegt deze kritiek: ‘Degenen die de activiteiten van de FBI beschrijven als uitlokking kennen de feiten niet, of begrijpen de wetgeving niet. De verdachten krijgen herhaaldelijk de kans om zich terug te trekken.’
In december 2010 werd de FBI ernstig in verlegenheid gebracht, toen een voormalige FBI-burgerinfiltrant zich uitsprak in de media. Volgens eigen zeggen werd de 47-jarige, voor fraude veroordeelde Craig Monteilh in eerste instantie benaderd voor infiltratiewerk in drugsbendes. In 2006 vroeg de FBI hem echter om te infiltreren in een radicale moskee, ten einde mogelijke terroristische plannen vroegtijdig te signaleren. Monteilh, of ‘Farouk al-Aziz’, zoals zijn schuilnaam was, bleek echter overijverig. De FBI-infiltrant benaderde verschillende moskeegangers met de vraag of zij bereid waren om een ‘shopping mall’ op te blazen. Het moskeebestuur werd hierover geïnformeerd en raakte ervan overtuigd dat Monteilh een potentiële terrorist was. Het bestuur gaf hem aan bij… de FBI!
Door dit incident kwam de toch al fragiele relatie tussen de FBI en de Amerikaanse moslimgemeenschap ernstig onder druk te staan. Bovendien ontstond er veel discussie over de wijze waarop de FBI radicalisering aanpakt. Sommige criticasters stellen dat de FBI zich schuldig maakt aan uitlokking: men creëert de aanslagen zelf, om ze vervolgens te verijdelen. Anderen menen, dat de FBI diverse potentiële terroristen effectief heeft uitgeschakeld. Want, zo stelt men, wat was er gebeurd als de potentiële terrorist iemand anders dan de FBI-infiltrant had benaderd voor het leveren van explosieven?
Het lijkt alsof het Witte Huis inmiddels doordrongen is van het gemis van een nationaal anti-radicaliseringsbeleid. Tijdens een recent bezoek van Erik Akerboom, Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, aan Washington DC bood hij zijn assistentie aan bij de ontwikkeling daarvan. Dit werd met twee handen aangegrepen.
Peter Slort is door de regiopolitie Amsterdam-Amstelland gedetacheerd bij het KLPD en uitgezonden naar de Verenigde Staten.


Reageer op dit artikel