Het proces van de eeuw
‘Het proces van de eeuw’ is het proces tegen Geert Wilders genoemd door Geert Wilders zelf. Dat is misschien een wat grootse aanduiding, maar heel bijzonder is dit proces wel.
Allereerst is het bijzonder omdat het wordt gevoerd tegen een Kamerlid die een politiek idee verdedigt waarvoor hij aanhang probeert te verwerven bij de bevolking van Nederland. Kamerleden pleegt men doorgaans vrij te laten in het verdedigen van hun standpunten. Het is de bevolking die moet oordelen over die standpunten, niet de rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie of de Nederlandse overheid.
Een tweede reden waarom dit proces bijzonder is, is omdat de PVV virtueel de belangrijkste oppositiepartij is van de regering. Volgens sommige peilingen zou het hierbij zelfs gaan om de (potentieel) grootste partij van Nederland. Kan men nu een politicus verbieden te zeggen wat de helft van de bevolking denkt? Dat lijkt verdacht veel op een dictatuur.
Een derde reden waarom dit proces bijzonder is, is omdat de vervolgende instantie, het Openbaar Ministerie, al heeft aangegeven geen heil te zien in een vervolging. Het OM handelt [cursief]in opdracht[/cursief] en eigenlijk terwijl men zelf denkt dat de zaak niet tot een veroordeling kan en moet leiden.
Een vierde reden dat dit proces bijzonder maakt, is dat de Nederlandse justitie nu door middel van de arm van de wet ondersteuning moet verlenen aan het tot zwijgen brengen van iemand die ook al het voornaamste doelwit is van het internationale terrorisme. Dat is op zijn zachtst gezegd wrang. Het zal, hoe men het ook wendt of keert, de schijn wekken dat justitie werkt als verlengstuk van het internationale terrorisme.
Een vijfde reden dat het proces bijzonder maakt is dat de partij van Wilders politieke vraagstukken opwerpt die een steeds grotere groep Europeanen bezig houden. In Oostenrijk woedde een discussie over minaretten, in Frankrijk nu een discussie over de boerka. Zijn standpunten waren misschien enkele jaren geleden uitzonderlijk, maar dat zijn zij allang niet meer. Hij kan zich – als hij dat zou willen – ook beroepen op talloze internationale geleerden die zijn ideeën zouden ondersteunen. Wat geleerden als Robert Spencer, BatYeor, Raphael Patai, Raphael Israeli, Walid Phares, Anne-Marie Delcambre, Ibn Warraq, Tawfik Hamid en David Selbourne in geleerde boeken uiteenzetten verschilt niet wezenlijk van wat Geert Wilders zegt. Ook zou hij op beslissende punten steun krijgen van ervaringsdeskundigen als Nonie Darwish, Chadortt Djavann, Mina Ahadi, Brigitte Gabriël of Wafa Sultan. Deze mensen zijn in Nederland zo goed als onbekend, maar wat zegt dat eigenlijk over het niveau van de discussie zoals deze in Nederland gevoerd wordt?
Natuurlijk moet ook Geert Wilders zich aan de wet houden. En ook hij kan zich niet onttrekken aan de artikelen 137c en d van het Wetboek van Strafrecht. Maar wat niemand lijkt door te hebben is dat in dit proces ook nog iets anders ter beoordeling staat, namelijk de vraag of deze artikelen in de huidige vorm wel gehandhaafd kunnen blijven. Een godsdienst moet principieel geen andere positie innemen dan een politieke ideologie, een wetenschappelijk standpunt of een artistiek idee. Dat wil zeggen dat men die zaken volkomen vrij kan bediscussiëren en van kritisch commentaar kan voorzien. Dat is met de huidige redactie van deze artikelen niet het geval, omdat in feite aan godsdienst immuniteit wordt verleend.
Een zesde reden waarom dit proces bijzonder is, is omdat iemand wordt vervolgd voor het aanzetten tot haat die zelf beweert te [cursief]waarschuwen[/cursief] tegen een haatdragende ideologie.
Of hij met zijn stellingen gelijk heeft kan alleen maar worden vastgesteld in een open politieke discussie, nooit in een juridisch proces.
Het proces van de eeuw? Wie zal het zeggen, maar bijzonder is dit proces wel.

