Politieonderzoekers: kaste of gilde?
Toen ik in 2002 als wetenschapper in dienst kwam bij Politie Haaglanden vernam ik na enige tijd vooral van executieve collega’s ‘dat ik eigenlijk best meeviel’. Het beeld leefde dat mensen die van een universiteit kwamen nogal eigenwijs en wereldvreemd waren. Dat eigengereide werd wel herkend, maar ik was niet uit de hoogte en ik gaf telkens eerlijk aan als ik onbekend was met bepaalde aspecten van het politiewerk en dus uitleg nodig had. Dat werd respectvol gevonden.
In eerste instantie was ik verbaasd, maar later kon ik dit beter plaatsen. Want nadat ik zelf ‘bij de politie was gegaan’ vernam ik helaas geregeld in academische kringen dat die loopbaanontwikkeling van mij toch best jammer was. Ik was toch zo gedreven en ik schreef graag, moest je dan je heil wel zoeken in een omgeving waar het geschreven woord op zijn zachtst gezegd niet in een heel hoog aanzien staat? Blijkbaar was ik toegetreden tot een wetenschappelijk gezien lage kaste. Ik zal niet onder stoelen of banken steken dat mij dat best raakte. Want als we ons niet in de luren laten leggen door wederzijdse vooroordelen en de menselijk hang naar prestige, dan zie ik toch een heel ander beeld voor me van het onderzoek dat wetenschappers in dienst van de politie uitvoeren. Op het terrein van onderzoek naar veiligheid, criminaliteit en de rol die de politie daarin heeft of zou moeten hebben, wordt buitengewoon weinig onderzoek verricht in steriele laboratoriumsettings. Dat vindt nu eenmaal in ‘het wild’ plaats, waar de te bestuderen thema’s zich ook voordoen. Kennis van het reilen en zeilen van de politieorganisatie en de daaraan gekoppelde informatiehuishouding is dan ook onontbeerlijk. Anders ontaardt het onderzoek inderdaad in luchtfietserij.
Onderzoekers bij de politie hebben wat dat betreft een streepje voor: ze weten hoe de organisatie in elkaar steekt en wat wel en niet haalbaar is in onderzoek op basis van gegevens uit politiële informatiesystemen. Dit belangrijke methodologische inzicht zou politieonderzoekers mijns inziens moeten sterken in het idee dat ze deel uitmaken van een gilde. Een gilde is een plek waar collega’s waardevolle ervaringen en kennis uit kunnen wisselen. Jonge mensen met belangstelling voor het vak kunnen er wegwijs worden gemaakt in de organisatie en het werkveld. Gildeleden denken kritisch na over kwaliteitseisen aan hun werk en derhalve over het benodigde instrumentarium in hun wetenschappelijke gereedschapskist en natuurlijk hun beroepsethiek. Een gilde is kortom een zelfbewuste en trotse beroepsgroep, met als absolute randvoorwaarde dat er een open oog is voor wat elders in wetenschapsland gebeurt.
Kritische denkers over het gildesysteem hebben er namelijk terecht op gewezen dat wanneer een gilde de rangen sluit, er geen ontvankelijkheid meer is voor andere en wellicht vernieuwende denkers. Want dan gaat de zaak op slot en ontstaat er alsnog een gesloten kaste.


Reageer op dit artikel