Waarom ik Geert Wilders niet haat

Door Bob Hoogenboom, 17 december 2009 08:00 uur0 Waardering:

Waarom ik Geert Wilders niet haat Echt haten, ja zelfs genieten van haten doen wij niet meer. Niet openlijk. Dat is anders geweest. William Hazlitt schrijft in 1826 On the Pleasure of Hating. De menselijke natuur heeft antipathieën, of rechttoe rechtaan oprechte, diepgemeende en doorleefde haat nodig. Zonder haat verliezen we de lente in ons denken en handelen, zegt Hazlitt. Het zwartmaken van onze omgeving en genieten van andermans ellende zit in onze genen.

 

 

Is het zwak? Is het een plaag? In ieder geval: de haat is er. Kleine haat, grote haat, intense haat en sluimerende haat. Vergeet de onverwachte haat niet. Het heeft een onuitgesproken aantrekkingskracht. We hunkeren naar het projecteren van onrustgevoelens op anderen. Het bevredigt keer op keer. Liefde, zo schrijft Hazlitt, vermengt zich op den duur met onverschilligheid die dan overslaat in haat. Alleen haat heeft het eeuwige leven. Deze dagen haten we boerka’s, dubbele nationaliteiten, radicaliserende moslimjongeren, burgemeesters die ‘de boel bij elkaar willen houden’, columnisten die schrijven over bruggen die mensen verbinden en veel meer anders-zijn. Maar we zijn beschaafd, te beschaafd om echt te haten. We zijn het hoogstens niet met elkaar eens. Of we maken ons zorgen. Zorgen over verkleuring van onze cultuur. Daarvoor hebben we een groot aantal eufemismen. Ik herhaal ze niet. U kent ze. Haten is ondergronds gegaan. Maar diep binnenin, in de duistere krochten van onze geest, haten we als in de dagen van Hazlitt. Ik haat ook. Ik haat versimpelingen. Ik haat de teloorgang van de tolerantie. Ik haat de Alzheimercultuur die niet meer weet dat anders-zijn al vanaf het proces Socrates leidt tot cultivering en exploitatie van haat en tot rituele slachting van de ander. Van Socrates tot Darfur. Ik haat eendimensionale ‘waarheden’. Ik haat kretologie. Ik haat mensen die met hun rug naar de geschiedenis staan. Ik haat ensceneringen van haat door machthebbers. Bovenal haat ik die machthebbers. Ik haat de maatschappelijke ‘elite’ die zich laat meedeinen op de gemakzuchtige populistische golven. Ik haat de zorgvuldige opbouw van kleine-haatlegoblokjes tot haatbouwwerken. Ik haat een cultuur die, zoals Stanley Cohen zegt, ‘in staat van ontkenning is’ voor grove mensenrechtenschendingen op het wereldtoneel, maar ook dichter bij huis. Ik haat mensen die als ‘tegenargument’ opwerpen dat ik ‘alles’ erbij haal. Ik haat mensen die geen parallellen zien tussen religieuze vervolgingen door de eeuwen heen, de heksenvervolgingen, de communistenjacht in de jaren vijftig en wat er nu wereldwijd gebeurt. Hazlitt heeft gelijk als hij zegt dat de wereld tot stilstand komt als we niet kunnen haten, als we ons niet meer kunnen laven aan andermans ellende[L.1]. En indien niet meer voldoende voorradig, dan importeren we nieuwe haat. De sociologie gaf ons de buitenstaanders en de zondebokken om haat eufemistisch te maken. Haat is uit onze taal verdwenen. Ik haat natuurlijk niet echt. Ik heb hoogstens een andere mening. Ik ben beschaafd. Van Norbert Elias weten we dat wij de afgelopen eeuwen verwikkeld zijn in een civilisatieproces. We zijn beschaafd geworden. Wij zijn steeds meer rekening gaan houden met de ander en passen ons gedrag daarop aan. Dus geen breugheliaanse scènes vol liederlijkheid en wat we nu onaangepast gedrag noemen. De beschaving drukt de haat naar binnen en naar beneden. We polderen, zijn geciviliseerd. We verschillen hoogstens van mening. We haten niet echt de boerka’s, de moskeeën, de dubbele nationaliteiten en de gekleurde straten. We hoeven niet te vrezen voor een staat van onverschilligheid, ja zelfs verveling, waar Hazlitt zo bang voor was, en die dan plots omslaat in blinde haat. Hij beschrijft het enthousiasme waarmee burgers vroeger naar publieke executies gingen. Niet de kwaliteit van dit onbewuste verlangen is van belang, maar de kwantiteit. We willen bediend worden en dat is nog zo. Daarom ontstaan kilometerslange files, omdat we aan beide zijden van de autobaan een glimp willen opvangen van andermans ellende. We voelen ons goed, omdat het ons niet is gebeurd. Het maakt ons sterk.
Daarom schrijft Durkheim over de noodzaak aan solidariteit in de moderne samenleving. Dat kan worden bereikt door ons af te zetten tegen de ander. Misdaad en terrorisme(dreiging) hebben een wezenlijke functie: zij maken en versterken ons zelfbeeld. We haten Hannibal Lecter en de tsunami aan criminelen in politieseries. Maar we kijken wel. We huiveren door preken van dominees, pastoors en imams over hel en verdoemenis en de angstaanjagende verhalen over de ander, maar we luisteren wel. De angst grijpt ons bij de keel bij de verhalen van Bush, Blair en Balkenende over de noodzaak van oorlog. Hazlitts argument is dat het ons niet uitmaakt of Hannibal Lecter of massavernietigingswapens bestaan. Vaak weten we dat sprookjes sprookjes zijn, films films zijn en politiek politiek is. Politics, lies and statistics, they’re all the same, maar onbewust hebben we de spanning, de angst en de haat nodig. Wat een vreemde wezens zijn wij, verzucht Hazlitt. Je zou denken dat we genoeg verdriet, pijn, teleurstelling, angst, tranen en zuchten in ons eigen leven hebben. Toch nestelt de haat zich in het hart van religies, geeft het patriottisme een alibi om vuur, ziekten en hongersnoden te brengen naar andere landen, ook naar de metro in Londen, en woekert de haat door onze hele samenleving. We verhuizen ons kleiner wordende geesten en bergen die voor langere tijd op in die kleine U-Rent-boxen langs de snelweg en gooien de sleutel weg. We teren weg op onze haat. Zelfcensuur leidt tot meer politieke correctheid. Wat is ontstaan, is een benepen, jaloerse, inquisitieachtige waakzaamheid jegens de ander. Hazlitt verafschuwt gemeenheid, kortzichtigheid, lafheid en onze zelfverloochening om tegen dit alles geen vuist te maken. Hij vindt dat deze wereld niet genoeg haat. Diep binnenin ben ik het met hem eens, maar ik ben te beschaafd om dit hier en nu te schrijven. Daarom verschil ik van mening met Geert Wilders, maar heb ik hem wel nodig om dit stukje te schrijven.

 

Een verkorte versie van deze column staat in het Tijdschrift voor de Politie, nr. 10 2009

De column is onderdeel van de uitgave 'De Publiecke saeck. Politie en veiligheid in een verwilderde wereld', Boom Juridisch, 2009

0 reacties

Reageer op dit artikel