‘De KNVB is een sportbond. Het liefst zouden we ons dus alleen bezighouden met sport. Maar dat is niet realistisch.’: Een interview met Bert van Oostveen en Gijs de Jong over de vooruitgang van de veiligheid in voetbalstadions
Minder politie-inzet en minder wedstrijden met wanordelijkheden. De veiligheid in voetbalstadions is toegenomen in de afgelopen jaren. Dat is mede te danken aan het feit dat de KNVB en de clubs uit het betaald voetbal hun verantwoordelijkheid nemen. Zo luidt althans de mening van Bert van Oostveen en Gijs de Jong. De eerste is bij de voetbalbond als manager competitiezaken onder meer verantwoordelijk voor veiligheidszaken. De tweede werkt er als coördinator veiligheidszaken. ‘Maar laat duidelijk zijn dat nog steeds elk incident er één te veel is. Daarom blijft de KNVB met alle betrokken partijen en de meest uiteenlopende middelen uiterst alert op veiligheid rondom voetbalwedstrijden.’
Gaat u nu vertellen dat het tegenwoordig allemaal pais en vree is in de Nederlandse voetbalstadions?
Bert van Oostveen: ‘Deze uitspraak zou ik niet voor mijn rekening willen nemen. De KNVB sluit de ogen niet voor de wanordelijkheden waarvan nog altijd sprake is. Ook schuwen wij niet het woord ‘criminaliteit’ in de mond te nemen wanneer bezoekers van voetbalstadions zich bijvoorbeeld schuldig maken aan geweldsdelicten of wanneer er een connectie is met handel in of gebruik van verdovende middelen. Wanneer ik het woord ‘criminaliteit’ in de mond neem, is ook onmiddellijk duidelijk dat de KNVB niet tegen alles passend kan optreden en dat ook de rol van politie en justitie van groot belang is. Maar tegelijkertijd spreekt een aantal feiten voor zich. In de afgelopen jaren is bijvoorbeeld het aantal wanordelijkheden in voetbalstadions afgenomen. Hetzelfde geldt voor het aantal uren politie-inzet. Initiatieven van de KNVB en de betaaldvoetbalorganisaties zijn daar niet vreemd aan.
Mooie beweringen, maar zijn ze te staven met cijfers?
Van Oostveen: ‘Eind 2004 kondigde de KNVB een nieuwe opzet van de competities in het betaald voetbal aan. In 2005/2006 zouden de zogeheten play-offs worden geïntroduceerd, hetgeen gepaard ging met extra wedstrijden. De overheid eiste dat een en ander niet zou leiden tot meer politie-inzet. Sterker, die moest worden teruggedrongen, onder andere door de clubs te verplichten meer gebruik te maken van eigen stewards in hun stadion. We hebben die belofte waargemaakt.’
‘Uit het jaarverslag 2006/2007 van het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme (CIV) blijkt dat de politie-inzet in het eerste seizoen van de nieuwe competitieopzet aanzienlijk is gedaald ten opzichte van de voetbaljaargang ervoor. We hebben het over een teruggang van bijna 9,5 procent. Het CIV meldde aanvankelijk geen verdere daling van de politie-inzet meer te verwachten. Toch was er in 2006/2007 weer een afname, met name in de eredivisie. In absolute getallen: in 2006/2007 was er een totale politie-inzet van 290.323 uur, oftewel een daling van 5,8 procent ten opzichte van het seizoen ervoor. Bij die inzet zijn vrijwillige politie en eventuele rechercheonderzoeken achteraf inbegrepen.’
En hoe staat het er precies voor met de wanordelijkheden in stadions?
Van Oostveen: ‘Laten we eerst definiëren wat in die evaluatie wordt verstaan onder wanordelijkheden. Dat zijn: kwetsende spreekkoren, vuurwerk, brandjes, gooien van voorwerpen, zoeken van een confrontatie, vechtpartijen, betreden van het veld door supporters, vernielingen, of daarmee gelijk te stellen gedragingen en het toelaten van personen met een stadionverbod. Uit onderzoek is gebleken dat er in het seizoen 2001/2002 108 wedstrijden waren waarbij zich wanordelijkheden voordeden. Daarna is een dalende lijn ingezet, met seizoen 2004/2005 als uitzondering, en zijn we in 2006/2007 terechtgekomen op 42 duels met wanordelijkheden. Om dit getal in de juiste context te zien: op jaarbasis worden 850 wedstrijden georganiseerd in het betaald voetbal. Dan laat ik nog even de 30.000 duels buiten beschouwing die wekelijks worden gespeeld bij de amateurs.’
‘Die daling naar 42 wedstrijden met wanordelijkheden is een goede ontwikkeling. Je hebt het over vijf procent van het totaal aantal duels in het vaderlandse betaald voetbal. Tegelijkertijd zijn we ons ervan bewust dat een ander fenomeen zich sterker manifesteert: Nederlanders die problemen veroorzaken bij wedstrijden in het buitenland. Dit fenomeen vraagt om een landelijke en gecoördineerde aanpak.’
Wat is de rol van de KNVB in dit alles?
Gijs de Jong: ‘De KNVB is een sportbond. Het liefst zouden we ons dus alleen bezighouden met sport. Maar dat is
niet realistisch. Voetbal is een fenomeen dat deel uitmaakt van de samenleving en dat dus ook te maken kan krijgen met de problemen in die samenleving. Houd het lijstje van minister Vogelaar er maar bij. Veel zaken in probleemwijken spelen ook wanneer je het hebt over veiligheid rondom voetbalwedstrijden. De KNVB heeft derhalve een verantwoordelijkheid en de KNVB néémt die verantwoordelijkheid ook.’
‘Die verantwoordelijkheid voert terug tot in de jaren tachtig. Het was de tijd waarin het hooliganism in Engeland de spuigaten uitliep. Engeland is destijds het eerste land geweest dat heeft gezegd: zó kan het niet langer. In Nederland zijn toen ook de eerste stappen gezet. De ketenbenadering kwam tot stand: politie, justitie, de KNVB en de clubs gingen met elkaar rond de tafel zitten om veiligheidsrisico’s in kaart te brengen en scenario’s op te stellen om alles zo goed mogelijk te laten verlopen rondom wedstrijden.’
‘EURO 2000, het EK dat in Nederland en België werd gespeeld, heeft in ons land flinke impulsen gegeven aan de veiligheid in stadions. Er is enorm geïnvesteerd. Denk aan cameratoezicht en denk aan elektronische toegangscontrole. Nederland kan zich qua veiligheid dan ook meten met de top van Europa. Alle clubs uit de eredivisie voldoen bijvoorbeeld aan de veiligheidsnormen van de UEFA, de Europese voetbalbond. Dat betekent dat in al die stadions wedstrijden mogen worden gespeeld tussen teams uit verschillende Europese landen.’
‘De KNVB heeft verder een aantal jaren geleden uit eigen beweging een initiatief ontwikkeld om de veiligheid in en rond stadions te vergroten. Clubs dienen jaarlijks een veiligheidsverklaring van de gemeente te overleggen. Verder zijn clubs verplicht voor elke wedstrijd een vooroverleg te houden met lokale autoriteiten en afspraken vast te leggen in een draaiboek.’
De KNVB hamert bij de clubs ook op het belang van stewards.
De Jong: ‘De vele infrastructurele verbeteringen en de introductie van cameratoezicht en elektronische toegangscontrole hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbeterde veiligheid. Een andere ingrijpende maatregel was de ontwikkeling van een stewardapparaat bij de betaaldvoetbalorganisaties.’
‘Tot zo’n vijftien jaar geleden werd de veiligheid rondom de huiselijke en de openbare orde in de stadions grotendeels georganiseerd door de politie. Doorgaans hadden de clubs wel suppoosten in dienst, maar hun werkzaamheden beperkten zich meestal tot de controle van de kaarten. Met de komst van stewards is daarin verandering opgetreden. Zij tekenen voor de veiligheidscontroles vóór de opening van het stadion en zij doen de toegangscontrole van de bezoekers, zowel op kaarten op verboden voorwerpen. Verder controleren zij bezoekersstromen in de (directe omgeving) van het stadion. Stewards ondersteunen ook de gehele veiligheidsorganisatie, voeren noodprocedures uit en houden toezicht op de huisregels. De KNVB hanteert strikte criteria voor de stewardopleiding. De clubs hebben daarnaar te handelen. Stewards krijgen een certificaat wanneer ze de driedaagse opleiding met succes hebben doorlopen. De stewards worden bovendien gescreend door de afdeling Bijzondere Wetten van de politie. We hebben in Nederland ook medical stewards die bijvoorbeeld weten om te gaan met de semiautomatische defibrillatoren in de stadions.’
‘Natuurlijk, de situatie is nog niet perfect. Wettelijk is het geregeld, maar er zijn bijvoorbeeld clubs in de eerste divisie die hun zaken op het vlak van stewarding nog niet optimaal voor elkaar hebben. Aan de andere kant: zet je Nederland af tegen de rest van Europa, dan doen we het goed. In een groot voetballand als Italië kennen ze het verschijnsel steward bijvoorbeeld helemaal niet.’
Met dat laatste wordt duidelijk dat veiligheid rondom een voetbalwedstrijd méér is dan preventie van en optreden tegen wanordelijkheden.
Van Oostveen: ‘Vergis je niet, hè: komen er 30.000 bezoekers op een wedstrijd af, dan heb je het over een kleine stad, over een minisamenleving. In de beleving van menigeen komt het accent qua veiligheid daarbij te liggen op wanordelijkheden, op de mensen die een stadionverbod krijgen. Maar het is veel breder. Bij de KNVB zeggen we: het gaat om het proces van een kaartje kopen tot veilig thuiskomen. Er is tegenwoordig een mooie term voor: crowd management. Hoe zorg je ervoor dat die tienduizenden voetballiefhebbers naar het stadion worden vervoerd? Kunnen ze er hun auto goed parkeren? Hoe is het toezicht op het parkeerterrein? Hoe is de bewegwijzering? Hoe is de catering? Zijn er fatsoenlijke toiletvoorzieningen? Een aantal stadions beschikt over roltrappen en er wordt ook rekening gehouden met toegankelijkheid voor lichamelijke gehandicapten.’
‘Wij kunnen ons dus niet vinden in de beeldvorming van het betaald voetbal als één groot beveiligingscomplex waarin je als toeschouwer niets meer mag. Laat het duidelijk zijn: de KNVB is hooligans al jaren beu. Het is door toedoen van hén dat we vervelende maatregelen moeten treffen die ook goedwillende fans raken. Denk aan de combiregeling. Die houdt in dat je als fan van de bezoekende club verplicht bent vanaf het stadion van je eigen club met begeleid vervoer naar de uitwedstrijd te reizen. Maar uiteindelijk mag dit soort maatregelen niet bepalend zijn voor de beeldvorming. Er komt véél meer kijken bij de veiligheid rondom een wedstrijd.’
‘Dat voetbal niet één immens beveiligingscomplex is, mag ook blijken uit het feit dat negen van de tien wedstrijden niet worden aangemerkt als een duel met het hoogste risico. Voorafgaand aan elke wedstrijd bepalen de twee betrokken clubs en de politiekorpsen onder regie van de gemeente en op basis van een gedegen risicoanalyse tot welke categorie het treffen moet worden gerekend: zonder risico, met een hoog risico of ertussenin. Alle genoemde aspecten over crowd management worden daarin ook meegenomen.’
‘Ik had het over het proces van een kaartje kopen tot veilig thuiskomen. De KNVB en de clubs zijn daarin niet volledig verantwoordelijk voor alle stappen van begin tot eind, maar we zijn wel belanghebbenden. Daarin nemen we dus onze verantwoordelijkheid. We kunnen niet voorkomen dat iemand ’s morgens thuis ruzie krijgt met zijn vrouw. Maar we kunnen er wél aan bijdragen dat iemands autoraampje niet wordt ingeslagen op het parkeerterrein van het stadion en dat zijn radio niet wordt gestolen. De KNVB probeert op nationaal niveau de werkwijze uit te dragen die de clubs toepassen op lokaal niveau.’
De KNVB schermt dikwijls met het instrument stadionverbod, maar sommigen zijn van mening dat stadionverboden een wassen neus zijn. Er zou geen 100 procent sluitende toegangscontrole zijn en mensen met een stadionverbod zouden dus gewoon wedstrijden kunnen bezoeken.
Van Oostveen: ‘Het fenomeen stadionverbod is tot in de hoogste regionen afgestemd met het Openbaar Ministerie en de politie. Vaak is het een snel en effectief middel. Er zijn vier scenario’s. In drie daarvan is het de KNVB die het stadionverbod oplegt: een civielrechtelijk stadionverbod.’
‘Dat is allereerst het geval wanneer de standaardvoorwaarden van het toegangsbewijs, waarmee de toeschouwer akkoord is gegaan toen hij zijn kaart of seizoenkaart kocht, is overtreden. Hij houdt zich dan niet aan de contractuele verbintenis. Verder kan een civielrechtelijk stadionverbod voortvloeien uit het gegeven dat de clubs de KNVB daartoe een volmacht hebben gegeven. In dit geval wordt de toeschouwer aangepakt op basis van het ‘gezamenlijke huisrecht’. Ten derde is er het scenario waarin de politie volstaat met een proces-verbaal, maar er ook melding van maakt aan de KNVB. De voetbalbond kan dan eveneens een stadionverbod opleggen. Tot slot is er het strafrechtelijk stadionverbod: de politie houdt iemand aan, meestal buiten het stadion, waarna die voor de rechter verschijnt en een stadionverbod krijgt opgelegd.’
‘In de afgelopen jaren was de KNVB verantwoordelijk voor het leeuwendeel van de stadionverboden: gemiddeld duizend per seizoen. Ter vergelijking: jaarlijks worden ongeveer honderd strafrechtelijke stadionverboden opgelegd. Vorig jaar waren dat er overigens slechts twintig.’
‘Het civielrechtelijk stadionverbod werkt goed voor mensen die we aanduiden met de term first offender. Wie niets op zijn kerfstok heeft en op een kwade dag een fakkel afsteekt in een stadion, kan prima worden aangepakt met een stadionverbod. Maar de KNVB is geen opsporingsinstituut en we hebben ook geen middelen en bevoegdheden om adequaat op te treden tegen mensen die bijvoorbeeld geweldsdelicten en handel in verdovende middelen op hun kerfstok hebben. Dat soort lieden laat zich vaak niet weerhouden door een stadionverbod. Dat moet dus breder worden aangepakt, met hulp van politie en het Openbaar Ministerie.’
Critici zeggen dat clubs relatief weinig personen bij de KNVB aanmelden voor een stadionverbod. Het leeuwendeel van de aanmeldingen zou afkomstig zijn van het Openbaar Ministerie.
De Jong: ‘Het merendeel van de aanhoudingen vindt plaats buiten het stadion of volgt na openlijke geweldpleging in het stadion zelf. Overigens bepalen club en politie vaak in nauwe samenwerking of er wordt ingegrepen. Denk bijvoorbeeld aan het afsteken van vuurwerk. Het zijn dan in eerste instantie vaak de stewards die ingrijpen, maar de desbetreffende persoon wordt vervolgens overgedragen aan de politie. Een logisch gevolg is dat de meeste meldingen bij de KNVB worden gedaan door de politie en dat clubs ongeveer een kwart voor hun rekening nemen. Ik vind het dus te gemakkelijk om clubs te verwijten dat ze zaken met de mantel der liefde bedekken.’
‘Bijna alle meldingen die clubs in 2007 hebben gedaan, 795 van de 818 meldingen, leidden tot een stadionverbod van de KNVB. Méér kan de KNVB niet doen, omdat we simpelweg niet over meer bevoegdheden beschikken. Volgens de KNVB is het juist aan de magere kant dat de politie in het seizoen 2006/2007 1418 personen heeft aangehouden en dat er vervolgens slechts twintig strafrechtelijke stadionverboden zijn opgelegd, waarvan acht met een meldingsplicht. De KNVB legde zelf 795 stadionverboden op in die periode.’
Het fenomeen stadionverbod wordt ook wel met argusogen bekeken omdat het gemakkelijk kan worden ingewisseld voor een alternatieve straf. Fans mogen dan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk verrichten voor hun club, wat vaak wordt ervaren als een erebaantje.
De Jong: ‘De KNVB kent een onafhankelijke commissie stadionverboden die toezicht houdt en waarbij beroep kan worden aangetekend. De commissie wordt voorgezeten door iemand uit de rechterlijke macht en bestaat verder uit een politiecommandant, een advocaat en een voormalig veiligheidsmanager uit het betaald voetbal. Clubs kunnen de commissie verzoeken een onvoorwaardelijk opgelegd stadionverbod om te zetten in een voorwaardelijk
verbod. Pas als clubs, KNVB én commissie akkoord zijn, leidt dat tot een alternatief traject. Het komt relatief niet vaak voor. In het seizoen 2006/2007 zijn 52 van 1287 lopende straffen omgezet. Er zijn dan ook allerlei voorwaarden aan verbonden. Een recidivist komt sowieso niet in aanmerking voor een alternatieve straf. Hetzelfde geldt voor wie een onvoorwaardelijk stadionverbod van – in totaal – 48 maanden of meer opgelegd heeft gekregen. Verder is het zo, dat de commissie het berekeningssysteem voor alternatieve straffen hanteert dat deel uitmaakt van het strafrecht. De KNVB loopt dus in de pas met wat algemeen aanvaard is.’
De KNVB heeft bij de politiek druk gelobbyd voor de invoering van een voetbalwet. Je zou ook kunnen redeneren dat je als voetballerij zelf je zaken perfect op orde moet hebben voordat je bij de overheid aanklopt om extra maatregelen. Volgens sommigen is dat niet het geval.
Van Oostveen: ‘Ik denk dat we hebben geschetst dat we het in de stadions redelijk voor elkaar hebben. Nu zijn extra middelen nodig om het proces sluitend te maken. De KNVB is realistisch: wij zien de wet niet als een panacee. Alle problemen zullen er niet mee worden opgelost. Maar wij beschouwen de voetbalwet wel als een instrument om die mensen aan te pakken op wie een civielrechtelijk stadionverbod geen indruk maakt. Op mensen dus die een stadionverbod hebben opgebouwd met de duur van tien jaar. Dat kunnen bijvoorbeeld criminelen zijn die zich echt niet laten afschrikken door nóg een jaar erbij. Dát is een van de redenen waarom wij de hulp hebben ingeroepen van de politiek.’
Maar doen volgens de KNVB de clubs wel voldoende om het voetbalvandalisme te verminderen? Denk onder meer aan de al jarenlang lopende discussie over invoering van een foto op de clubcard.
De Jong: ‘Wij hebben stellig de indruk dat de clubs alles willen doen wat nodig is. We moeten er natuurlijk wel voor zorgen dat maatregelen écht helpen. Sterker, in tijden van mogelijkheden om biometrische paspoorten te gebruiken, is een pasfoto achterhaald. Wij zijn ook meer voorstander van dadergerichte aanpak en dus níet van een generieke aanpak waarbij iedereen de dupe is. Bij pasfotocontrole zou de doorloopsnelheid van de bezoekers gevaar lopen bij de ingang van het stadion. Dat heeft ook zijn weerslag op alle goedwillende toeschouwers. Leden van deze groep moeten ons inziens ook hun seizoenskaart kunnen delen voor bepaalde wedstrijden. Het moet mogelijk zijn dat tien mensen samen vier seizoenkaarten kopen. Bovendien vinden de meeste wanordelijkheden plaats búiten het stadion.’
En hoe is dan buiten het stadion de winst te behalen?
De Jong: ‘Wij zouden het toejuichen als voetbalvandalisme minder als kwajongensgedrag en meer als criminele activiteit wordt beschouwd. Straffen die hierbij passen zijn bijvoorbeeld strafrechtelijke stadionverboden, met meldplicht, werkstraffen, maar ook celstraffen. Afgelopen jaren is dit streven ook terug te vinden in de eisen van het Openbaar Ministerie. De rechterlijke macht gaat hier helaas vaak niet in mee. Hopelijk zal de voetbalwet verandering brengen.’
Hoe denkt de KNVB het aantal wanordelijkheden zelf verder te verminderen?
Van Oostveen: ‘Binnen onze organisatie zelf zijn veel medewerkers bezig met veiligheidszaken. Denk aan de mensen van het Bureau Veiligheid en denk aan onze juristen. Wij hechten zeer aan public affairs. Buiten de KNVB participeren onze mensen in tientallen overlegorganen van de overheid. Zoals vertegenwoordigers van clubs op lokaal niveau overleggen met politie en gemeente, zo werken wij ook landelijk samen met onder meer de politie en het Openbaar Ministerie.’
‘Verder zetten wij de clubs voortdurend aan tot verbetering en innovatie op het vlak van veiligheid. Zo is er het programma voor management development van veiligheidsmanagers. Met het oog op controle en advies van clubs stuurt de KNVB ook tien auditoren aan die allen een aantal clubs onder hun hoede hebben. De auditoren ondersteunen en adviseren de clubs over beleidszaken. Zij houden er ook een jaarlijkse integrale controle. Verder verzorgt de KNVB regelmatig wedstrijdaudits. In principe worden alle betaaldvoetbalorganisaties minimaal vijf keer per jaar ge-audit bij een thuiswedstrijd. De rapportages daarvan kunnen ook worden gebruikt voor tuchtrechtelijke procedures.’
[figuur 1]
[figuur 2]
[Kader]
Door KNVB opgelegde stadionverboden
De toegenomen veiligheid in de stadions wordt ook onderstreept door het aantal stadionverboden dat de KNVB oplegde in de afgelopen seizoenen:
Seizoen 2004/2005 1236
Seizoen 2005/2006 1243
Seizoen 2006/2007 827
Bron: KNVB
[Einde kader]
[figuur 3]


Reageer op dit artikel