‘De Nederlandse politie kan nog veel van het OM leren’; Interview Leo de Wit, hoofdofficier parket Amsterdam

‘De Nederlandse politie kan nog veel van het OM leren’; Interview Leo de Wit, hoofdofficier parket Amsterdam Leo de Wit (64), geboren in Amsterdam, neemt 1 december afscheid van het Amsterdamse parket. Een goede reden om eens langs te gaan voor een interview.

Als geboren Amsterdammer bent u in uw carrière heen en weer gegaan tussen werkplekken in Amsterdam en Rotterdam. Wat was de leukste ervaring?
Mijn carrière is nooit echt uitgestippeld. Ik ben altijd werkzaam geweest in de justitiële hoek. Al in militaire dienst was ik werkzaam bij de krijgsraad. In die tijd werkten wij zeer proactief. Zo concipieerde ik als secretaris van de krijgsraad meestal voor de zitting de vonnissen en bij twijfel legde ik twee soorten vonnissen aan de rechter voor en kreeg de beklaagde na afloop van de zitting direct het uitgewerkte vonnis mee.

Terugblikkend op mijn loopbaan constateer ik dat ik een bevoorrecht mens ben en ik op een aantal bijzondere plaatsen mijn bijdrage heb mogen leveren. Niet alleen in Amsterdam en Rotterdam, maar ook mijn Haagse en Bredase tijd was leuk. Als ik terugkijk is de periode als hoofdofficier van justitie in Breda en Rotterdam wel heel bepalend geweest. De jaren in Amsterdam waren een fraaie bekroning. Uit de tijd in Breda heb ik nog steeds mooie herinneringen. Een overzichtelijk parket in een groot gebied (politieregio Midden- en West-Brabant) met verschillende grote steden en gelijktijdig hele kleine gemeenten. In die tijd vormden zestig burgemeesters en de hoofdofficier onder leiding van Gerrit Brokx het regionaal college. De gemeentelijke herindeling heeft in die zin zaken wel overzichtelijker gemaakt.
De start in Amsterdam was niet soepel; niet iedereen stond op uw komst te wachten.
Ach, ik zat daar niet zo mee. Ik had een verleden als Amsterdamse persofficier, ik kende Amsterdam en was mij bewust van het ‘eigen’ grensverleggende profiel van het korps. De IRT-affaire en de contacten uit met name de voorlichtingshoek gaven in die tijd wel eens enige spanning. Ik heb me er niet zo veel van aangetrokken en ben in alle openheid gestart. De verantwoordelijkheden werden snel helder.
 

De Amsterdamse driehoek uit die tijd zal niet gezellig geweest zijn?
Het was en is tot de dag van vandaag een uitermate krachtige en inspirerende driehoek. Alle deelnemers zijn enorm betrokken bij hun taak en mede door een uitstekende ondersteuning is iedereen scherp en worden er wederzijds hoge eisen aan elkaar gesteld. Ik vind dat het mag spetteren in een driehoek, en dat doet het ook zo nu en dan. Een driehoek die voortkabbelt, werkt niet goed. Bovendien heeft de Amsterdamse driehoek altijd rekening te houden met de reactie uit de Haagse kringen en vanuit de media. De media spelen sowieso een bijzondere rol in Amsterdam.
In het verleden wilde de politie nog wel eens op eigen wijze, zonder overleg, naar buiten treden met problemen of oplossingen. Dat kan niet en dat hoort niet. Daar heeft het nog wel eens over gebotst. Ik kan me zelfs nog een keer herinneren dat de hoofdcommissaris ervoor teruggeroepen werd van vakantie. Nu is dat inmiddels verbeterd. De gouden regel is dat wij elkaar niet meer verrassen in de publieke opinie. Vooraf bespreken wij zaken en bepalen met elkaar de strategie. En natuurlijk gaat het soms wel eens fout, maar dan volgt een gesprek, wordt de lucht geklaard en zijn we allen opnieuw scherp gesteld op gemaakte en geldende afspraken.
Ik respecteer en begrijp dat de politie van de hoofdstad ook graag een zelfstandige relatie met de media onderhoudt om een beeld in de media neer te zetten, een beeld van het vak te etaleren en de burger duidelijk te maken welke rol de politie in de samenleving en de rechtstaat vervult. Maar binnen het stelsel van bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft het zijn beperkingen en zijn er grenzen. Er zijn ondertussen goede afspraken gemaakt onder welke voorwaarden dat kan.
 

Wat moet de politie beter doen?
Laat ik me beperken tot de justitiële taak. Daar moet ontzettend veel gebeuren! Je ziet dat de politie goed is in handhaving en openbare orde. Kijk naar grootschalige optredens, voetbalwedstrijden of grote evenementen, de politie klaart de klus. Ook het verbinding maken met de bevolking gebeurt op een wijze waar menig korps (in de wereld) iets van kan leren.
Als het gaat om opsporing zie ik nog duidelijke stappen die gezet moeten worden. Ten eerste is de politie nog overwegend reactief en beperkt zich te veel tot die zaken die op hen afkomen. Aangiften en incidenten waar je niet om heen kan. Zelf onderzoek en analyse starten op actuele thema’s maar ook op de onzichtbare vormen van criminaliteit gebeurt veel te weinig. De opsporing kent een hoog gehalte van incidentmanagement. De politie moet zich ook oriënteren en inzetten op de voorkant van de problemen.
Ten tweede moet de informatiehuishouding sterk verbeteren. Te lang hebben 25 regio’s hun eigen systeempjes en bestanden ontwikkeld. Een goed overzicht was daardoor niet mogelijk, zeker niet op het gebied van landelijke trends en ontwikkelingen. Gelukkig is er nu een systeem en wordt er krachtig gewerkt aan één nationaal intelligencemodel. Het is echter nog een lange weg te gaan.
Ten derde moet de expertise en deskundigheid op de ingewikkelde justitiële taken zoals cybercrime en financiële opsporing binnen de politie kwalitatief en kwantitatief sterk verbeteren. Kwalitatief betere opsporing eist extra opleidingen. Op dit moment wordt nog te veel op ad-hocbasis een beroep gedaan op de korpsen zich te onderscheiden door in te spelen op landelijk ontwikkelde programma’s, extra geld en incentives. Korpsen moeten zich uitgedaagd gaan voelen ook complexe en ingewikkelde zaken op te pakken en dat vereist nog wel de nodige sturing. De internationale context en de Europese ontwikkelingen eisen dat de politie vooruitkijkt en zich voorbereid weet op deze veranderingen. Er worden wel stappen gezet maar de organisatie van de justitiële taken moet in de regio’s echt eenduidiger. Ik pleit ervoor dat de capaciteit van de justitiële taakuitvoering aan de voorkant wordt vastgesteld, kwaliteitseisen aan de medewerkers worden gesteld, specialisme wordt geactiveerd en de borging concernbreed vorm krijgt.
 

Daarmee organiseer je de justitiële politie als apart politieonderdeel?
Ja, dat klopt.
Het succes van de opsporingsresultaten is gebaat bij het creëren van een aparte organisatorische eenheid binnen een korps, die rechtstreeks onder de aansturing van de korpsleiding valt. Segmentering van de opsporing doet geen recht aan de trends in de criminaliteit en ontwikkelingen in de samenleving. De politie heeft haar krachten te bundelen om geprepareerd te zijn op steeds complexere vraagstukken die zich aandienen. Ik heb zowel in Rotterdam-Rijnmond als in Amsterdam-Amstelland aan den lijve ondervonden dat het concentreren van kennis en kunde binnen een aparte kolom werkt. Bovendien is het een verademing voor OM’ers om een vast aanspreekpunt te hebben waarmee regiobreed alle justitiële afspraken kunnen worden gemaakt. Een baas die de bevoegdheid heeft en gemaakte afspraken doorvoert en daarin districten opdracht geeft zaken op te pakken. Bovendien vragen alle ontwikkelingen op het gebied van de techniek directe bemoeienis en besluitvorming op korpsleidingniveau.
De politiek verantwoordelijke ministers zouden in overeenstemming met het OM de beschikbare capaciteit voor opsporing moeten bepalen alsmede de landelijke prioriteiten en de kwaliteitscriteria waaraan de medewerkers moeten voldoen.
Kiezen voor opsporing is toch een afweging van schaarste. De meeste regio’s willen wel meer aan opsporing doen maar hebben er simpelweg de mensen niet voor.
Dat is zo en bovendien is opsporing er niet gemakkelijker op geworden. Specialisatie en samenwerking tussen korpsen kan helpen en dat doet het ook. Binnen het OM hebben we dezelfde beweging gezien. Daar heeft het geleid tot echte organisatorische oplossingen zoals de aanwijzing van 11 regioparketten en het gespecialiseerde landelijk en functioneel parket. Bij de politie zien we het ontstaan van de nationale recherche.
 

Het is niet ondenkbaar dat ook de politie nog eens kritisch kijkt naar het aantal van 25 regiokorpsen. Hebben al die korpsen voldoende fundament om alle complexe politietaken te verzorgen? Zijn de diverse vormen van samenwerking niet een tijdelijke oplossing?

Binnen het OM zien we dat specialisatie, zoals binnen het functioneel parket, een aantrekkingskracht heeft op goede personele kwaliteit in de arbeidsmarkt. En kwaliteit in een uitdagende omgeving trekt weer kwaliteit aan.
 

Hoe is de relatie tussen de arrondissementen en het functioneel parket?
De relatie is prima. Het functioneel parket is een welkome aanvulling voor de arrondissementparketten. Zij bestrijken de specialistische terreinen en onderhouden de contacten met de bijzondere opsporingsdiensten. We overleggen zeer regelmatig en maken afspraken en waar nodig woont het functioneel parket de vergadering van de lokale driehoek bij. De laatste jaren heeft het functioneel parket zich zeer snel ontwikkeld. Neem bijvoorbeeld de aanpak van fraude. Zoals ik al eerder in het interview zei, heb ik grote waardering voor de nieuwe groep mensen die is aangetrokken en op dit gebied enorme stappen heeft gezet.
Ik ben ook erg blij met de nationale recherche. Ondanks de weerstand uit het veld en dankzij de vasthoudendheid van de vorige voorzitter van het College van PG’s, Joan de Wijkerslooth, zijn we in Nederland niet gaan polderen met halve oplossingen met complexe besturingssystemen maar gaan we voor een heldere, centrale oplossing die werkt.
Ik concludeer dat wij binnen het OM en de politie steeds meer overtuigd raken van het nut en de noodzaak van samenwerking en afstemming. Dit blijkt ook uit de manier waarop de Amsterdamse recherche samenwerkt met de nationale recherche. Ze delen mensen en informatie en de resultaten van de onderzoeken maken het succes van de samenwerking zichtbaar. En dat is in het verleden wel eens anders geweest.
 

En hoe is de samenwerking met het College van PG’s?
De samenwerking tussen de parketten en het college is in de afgelopen jaren veel hechter geworden. Alle betrokkenen zien dat het gezag van het OM niet afhankelijk kan en mag zijn van personen. Gezag verdien je door organisatiebreed gedragen opvattingen en het naar buiten brengen van een gemeenschappelijk standpunt. In die zin heeft het OM de laatste jaren aan gezag en betekenis gewonnen. Vroeger was het OM een soort maatschap van officieren die sterk individueel werkten. Nu is er op veel fronten sprake van een collectieve opvatting. Onderwerpen die daarvoor in aanmerking komen en waarover wij binnen het OM vinden dat er een gemeenschappelijke opvatting moet zijn betreft thema’s als straftoemeting, inzet van dwangmiddelen en recentelijk het thema tappen van gesprekken van verdachte met advocaat.
Hetzelfde geldt voor belangrijke beleidsonderwerpen. Ook in de bedrijfsvoering heeft een duidelijke sturing vanuit het College van PG’s zijn effect gesorteerd. Denk aan de invoering van resultaatsafspraken, de invoering van managementgesprekken en een systeem van audits en controle.
Als geheel functioneert het Openbaar Ministerie beter en wordt er beter en succesvol samengewerkt. De grootste winst is, vind ik, de mogelijkheid om vanuit het OM landelijke standpunten in regionale en lokale overleggremia in te brengen en de gezagsrol van het OM ook hier te laten gelden. Het geeft enorme zekerheid en vertrouwen over de saamhorigheid. Hiervoor is wel veel stuurmanskunst nodig en dat gaat goed in de aansturing van het OM. En natuurlijk wordt in die aansturing rekening gehouden met de decentrale ruimte die het OM in de lokale omgeving nodig heeft om in driehoeken maatwerk te kunnen leveren.
 

Mist de politie dat?
De politie kan in die zin leren van de ontwikkelingen binnen het OM. De politie mist op dit moment het dak op het huis. Een vorm van gezagbepalende sturing. Kijkend naar de vraagstukken die op de politie afkomen en de eisen die aan het vak worden gesteld, moet er een keuze worden gemaakt die onafhankelijk van personen bijdraagt aan de positionering en de rol van de politie in de rechtsstaat. De Raad van Hoofdcommissarissen is een overleggroep waar eigen individuele opvattingen nog te veel gelden. Er is nu geen mechanisme om tot collectieve besluitvorming te komen en vanuit het vak met een gemeenschappelijk standpunt naar buiten te treden. Er is geen doorzettingsmacht. Het dak op het huis moet er komen en dan kun je voorkomen dat er in 25 regio’s hetzelfde wiel wordt uitgevonden waarvoor binnen alle korpsen nu een fors aantal beleidsadviseurs beschikbaar moeten zijn. Allemaal overhead die dan kan worden gesaneerd ten gunste van de operaties! Een college van HC’s met een kleine competente staf leidt naar mijn mening op meerdere fronten tot een win-winsituatie. Er liggen op dit moment adviezen op tafel om in de vormen van samenwerking effectieve besluitvorming te organiseren samen met korpsbeheerders en OM. Hoopvolle ontwikkelingen.
 

Het Marokkanenprobleem, het mag sinds kort bij de naam genoemd worden?
Het blijft een terugkerend thema in de media. Het probleem is al jaren geleden onderkend en ook in Amsterdam kennen wij al jaren een veelzijdig werkprogramma om de problemen integraal aan te pakken. Natuurlijk kennen wij ook in Amsterdam ellendige incidenten die de aandacht trekken, maar ook hierin geldt dat incidenten je niet mogen afleiden van de koers die is ingezet.
In Amsterdam werken wij doelgroepengericht, met ketenunits en veelplegerslijsten. De roep van zwaardere straffen is ook zo’n geluid waar ik niet in geloof. De snelheid van de aanpak wel. De zogenaamde Kalsbeeknorm kan wel wat strakker. De totale justitiële interventie gaat veel te traag. Ook de termijn waarbinnen aanvang wordt gemaakt met een zorgtraject tot het moment van besluitvorming duurt veel te lang. Het probleem moet zowel bestuurlijk-politiek als justitieel beter aangepakt worden. Het bestuur moet zorgen dat alle zorg onder één aansturing komt met een eindverantwoordelijke met doorzettingskracht. Hetzelfde geldt voor de justitiële poot. Ik heb al eens eerder voorgesteld om de hoofdofficier van een parket verantwoordelijk te maken voor alle justitiële diensten, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en de Reclassering. Hierdoor wordt het veel makkelijker om eisen te stellen en alle producten op elkaar af te stemmen met centrale regie, in dit geval op de schaal van het arrondissement, waar we sneller en slimmer kunnen werken met betere resultaten die passen bij de daders en aansluiten bij de verwachtingen van de burger.
De oplossing van de problematiek met jonge Marokkanen heeft alleen kans op succes als het mogelijk wordt om in te grijpen in het gezin, ze uit criminele groepen te halen en ze passende maatregelen op te leggen in een combinatie van vrijheidbeperking en bijsturing van gedrag. Overdag verplicht naar school of werk en ’s avonds en in het weekend verblijvend in een overheidsinstelling en andere om bepaalde programma’s te volgen met als doel gedragsbeïnvloeding. Als dit niet lukt dan pas overgaan tot langdurige vrijheidsbeneming.

Amsterdam heeft een lange traditie van verbinding maken met andere culturen. Hier moet mee worden verdergegaan. Marokkaanse vader-projecten, goed contact met de geestelijk leiders en ondersteunen van Marokkaanse groeperingen met een zelfreinigend vermogen. Ook de initiatieven vanuit het bestuur met straatcoaches lijken te gaan werken.
 

Waar ligt de grootste opgave voor uw opvolger Bolhaar?
Het Amsterdamse parket levert de laatste jaren een constante goede kwaliteit. Er is altijd veel aandacht voor de mediagevoelige zaken, maar de rest, het overgrote gedeelte, moet ook goed draaien. Het wordt de opgave van mijn opvolger om het bestaande niveau vast te houden en nog verder omhoog te groeien. Herman Bolhaar heeft veel talent, zowel operationeel als strategisch. Hij heeft gemeende belangstelling in alles wat er binnen en buiten het OM gebeurt en werkt met veel plezier. Hij zal moeten wennen dat er bij het Amsterdamse parket veel meer tijd nodig is voor alle incidentmatige aspecten. De ruimte op zijn harde schijf voor strategische onderwerpen zal beperkter worden. Amsterdam is in een aantal opzichten een glazen huis. Er is landelijk veel belangstelling en aandacht voor alles wat er zich in Amsterdam afspeelt. We schrijven ons te pletter aan ambtsberichten en het beantwoorden van Kamervragen. Daarnaast zijn de aspiraties ook hoog en is men hier veeleisender. Maar dat allemaal is ook wel weer leuk!
 

Is het na 1 december echt stoppen geblazen?
Nee, er wacht me eerst nog een tropische verrassing: ik ga zeven maanden in een adviescommissie werken die de Antillen gaat adviseren over de inrichting en aansturing van zowel de justitiële als de politiële organisatie. En daarna zie ik het wel. Ik vind het belangrijk, als het kan, om mijn ervaring nog wat langer in te zetten voor politie en justitie of, meer algemeen, de rechterlijke organisatie.



 

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2008, jrg. 70, nr. 11, p. 14-18

2 reacties

Holla en Overveen hebben geen kennis van zaken, Leo de Wit is één van de Meest corrupte Hoofdofficieren na de Tweede Wereldoorlog, onrechtmatige vrijheidsberoving en het op grote schaal verduisteren van wettig overtuigend bewijs in samenspanning met de beruchte procureur-generaal de Wijkersloot is zijn specialisme, hetgeen thans wordt beloond met een feesje van 84.000 euro en een snoepreis naar de Antillen, een schop onder zijn toga had hij mogen krijgen wat mij betreft.
de Werd
Ik heb een klacht over deze reactiede Werd op 02 juni 2010 22:52 uur
O....? Misschien kan meneer of mevrouw De Werd eens een stukje schrijven voor het Tijdschrift om zijn beweringen te onderbouwen... (zie de reactie van 2 juni op deze site naar aanleiding van het interview met De Wit)... of nee dank u, misschien toch maar niet.
Ik heb een klacht over deze reactieCEJV op 03 oktober 2010 17:58 uur

Reageer op dit artikel