‘De politie heeft meer afstand van het politieke bestuur nodig’ Interview met Paul Frissen
Paul Frissen kennen we als kritisch observator van het openbaar bestuur. Frissen is decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Frissen is ook bekend spreker en schrijver over thema’s als sturing, fragmentatie, ongelijkheid en verschil in relatie tot de staat. In gesprek met Marjan Hanrath en Maarten Smidts verweeft Frissen deze concepten in zijn visie op het gezag en de positionering van de politie binnen de Nederlandse bestuurlijke verhoudingen.
U hebt veel over de netwerksamenleving geschreven. Sluit de Nederlandse politie zoals deze nu is georganiseerd nog aan bij de door u geschetste netwerksamenleving?
‘Staat u mij toe een paar relativerende opmerkingen te maken bij het concept van de netwerksamenleving. Deze wordt vaak ten onrechte geïnterpreteerd als een samenleving met minder gezag, minder hiërarchie en minder machtsverhoudingen. Het is cruciaal voor een goed begrip van de netwerksamenleving dat binnen deze samenleving macht en gezag op een andere manier georganiseerd zijn. De hiërarchie en organisatiepatronen zien er anders uit waardoor in een aantal opzichten de netwerksamenleving – in tegenstelling tot het populaire beeld – minder doorzichtig en transparant en vooral veel diffuser wordt, maar wel allerlei machtsrelaties kent. Het dominante kenmerk van de netwerksamenleving is het vloeibare en ondoorzichtige, terwijl juist een bureaucratie zich kenmerkt door transparantie: helder, eenduidig en geformaliseerd.
En dan de tweede relativering. Het is maar de vraag of de politie moet aansluiten bij de samenleving, of hier op moet lijken. Ik heb mezelf ook vaak bezondigd aan de idee dat de organisatie in haar structuur en wijze van functioneren moet lijken op de omgeving waarin zij acteert. Dit is alleen al empirisch niet houdbaar omdat een van de belangrijke doelen van een organisatie is de complexiteit van haar omgeving te reduceren. Voor de politie telt daarbij, in nog veel sterkere mate dan voor andere organisaties, door de aard van haar taak – het dragen van het geweldsmonopolie, het uitoefenen van gezag in de samenleving – dat de politie niet kán lijken op die samenleving. De belangrijke functie van de politie is juist dat ze ánders is dan de samenleving en daar heeft de politie dan ook de middelen voor gekregen.’
Maar wat betekent dit voor het werk van de politie?
‘Met de ontwikkeling van de samenleving in de richting van een netwerksamenleving wordt het werk van de politie ingewikkelder en vaak ook onvoorspelbaar. Sociale verhoudingen veranderen, culturele fragmentatie neemt toe, globalisering en internationalisering maken de verbindingen met de wereld intenser, delen van de werkelijkheid virtualiseren. Dit tast de klassieke positie van de politie als een ordehandhavende en opsporende instantie in een relatief bekende samenleving aan. Al denk ik wel dat we altijd de neiging hebben onze eigen tijd als meest interessante te duiden. Ook vroeger was de wereld complex en onvoorspelbaar. Dat neemt niet weg dat het voor de politie in deze sterk dynamische omgeving ingewikkeld opereren is.
Als ik bijvoorbeeld kijk naar het rapport ‘Politie in Ontwikkeling’ en daarin de schets van de nodale politie, dan vind ik dat een interessant concept maar zie dat toch nog voortdurend pogingen worden gedaan om al de ontwikkelingen die met het concept gedekt worden, terug te brengen naar de werkelijkheid van het fysieke knooppunt waar je iemand staande kunt houden. De politie is nog niet in staat de concepten – die wel uitgaan van de internationalisering, de virtuele wereld – te vertalen naar de huidige tijd. Dat is geen verwijt, dat is altijd zo. De eerste auto leek ook op een postkoets zonder paarden. We bedenken nieuwe werkwijzen in termen die ons vertrouwd zijn. We weten ook niet hoe de ontwikkelingen zich voltrekken, en dit betekent ook dat de politie niet vooraan zit in de aanpak van meer complexe vormen van criminaliteit.
Daar komt bij dat door allerlei ontwikkelingen – demografisch, cultureel, economisch – de samenleving in allerlei opzichten gesegregeerd is. In het dominante discours veroorzaakt dat veel ongemak, terwijl ik segregatie niet per definitie als negatief fenomeen beoordeel. Belangrijke vraag is welke vormen van segregatie onvermijdelijk zijn en welke ongewenst. Als politieorganisatie moet je dus nadenken over hoe je met verschillen wilt omgaan: wat is aanvaardbaar? Ik denk dat op het gebied van de geweldsmonopolie de politie weinig en eigenlijk geen concessies moet doen. Dit betekent dat de politie vaker ‘nee’ moet zeggen tegen de burger, op allerlei terreinen. Dat heeft ingrijpende consequenties, bijvoorbeeld dat op het punt van publiek-private samenwerking in het veiligheidsdomein de politie misschien iets meer terughoudendheid moet betrachten dan nu het geval is. De overheid is geen collectieve probleemoplossingsmachine, de burger moet te horen krijgen dat het leven nu eenmaal tragisch is. De politieorganisatie die suggereert dat zij voor de veiligheid van de burger staat, is gevaarlijk, megalomaan. De politie is er om bepaalde vormen van ónveiligheid te bestrijden.’
Welke rol pakt de politie hierin op en mag zij meedoen aan de maatschappelijke discussie rond bijvoorbeeld segregatie?
‘Het interessante en aantrekkelijke van de politie is dat zij als frontlijnorganisatie als eerste geconfronteerd wordt met wat er in de samenleving verandert. De taak van de politie is dit te observeren en te beoordelen. De vraag moet steeds aan de orde zijn, wat onaanvaardbaar is en welke temperende en indammende rol de politie kán spelen. Ik vind dat de politie in de afgelopen vijf à tien jaar, maar dat geldt eigenlijk voor iedereen in het veiligheidsdomein, die observerende taak te veel heeft gebruikt als grond voor financiering en groei van de organisatie. De politie heeft hierbij te weinig een matigende rol genomen en bevoegdheden zijn opgerekt. Maar met veel geld en beleidsplannen zijn de ontwikkelingen niet tegen te gaan. Het begrip ‘veiligheid’ is onaanvaardbaar groot gemaakt. De verwachtingen zijn voorbij het mogelijke opgerekt.
De taak van politie is observeren en beoordelen. De politie, en de staat over het algemeen, moet terughoudend zijn in allerlei ethische en morele kwesties. We hebben het geweldsmonopolie bij de staat neergelegd om te zorgen dat onze maatschappelijke conflicten niet met de knots worden bevochten. Daarom is deze bevoegdheid bij een institutie neergelegd. Dit kan echter alleen onder de voorwaarde dat het monopolie niet ook wordt gebruikt om allerlei morele opvattingen aan de samenleving op te leggen. De politie is hiertoe niet gelegitimeerd. We moeten een goed onderscheid maken tussen ons normenstelsel en ons waardenstelsel. Het normenstelsel gaat over wat mag en vooral ook over wat niet mag. Laten we ons beperken tot het controleren van hetgeen niet mag, daar hebben we al een omvangrijke taak aan. Ik zou me niet bezighouden met gewenst gedrag, het is niet aan de staat om daarover te oordelen. Nederland is groot geworden door segregatie, het is aan de politie, de statelijke organisatie, het verschil draaglijk te houden.’
En de burgemeester? De burgemeesters voelen zich steeds meer verantwoordelijk om veiligheidsproblemen in brede zin op te lossen.
‘Het burgemeesterschap was ooit een institutie met weinig formele bevoegdheden en weinig materiële beleidsdomeinen. De burgemeesters zijn echter door begeerte aangeraakt, ze willen hun bevoegdheden sterk uitbreiden en dat is ook gebeurd. Daarmee is de burgemeester door de overtuiging bevangen dat de politie zijn apparaat is, instrument voor zijn beleid. Dat is niet alleen juridisch onjuist, maar ook normatief ongewenst. De politie dient de rechtsstaat, meer dan het politieke bestuur. Meer afstand van dat bestuur is dan ook nodig.
Deze situatie is echter door de politie zelf – in haar strijd om de nationale politie tegen te houden – gecreëerd door het aangaan van een coalitie met de burgemeesters. Ik zal niet zover gaan om te zeggen dat dát uiteindelijk de judaskus is gebleken, maar het heeft de politie in de laatste jaren in een slechte strategische positie gebracht. De politie heeft zich afhankelijk gemaakt van een institutie die eigen belangen heeft, en heeft de relatie met het OM verwaarloosd.
Het burgemeesterschap is een dienende functie met een zwak politiek profiel. Hij moet het hebben van zijn persoonlijk gezag. Dit is iets anders dan de gekozen burgemeester met een eigen programma. Hierbij is het nog minder voor de hand liggend dat hij de politie direct kan aansturen. Het is van belang dat er checks & balances zijn. Ook hierin hebben we een grote behoefte aan terughoudendheid en bescheidenheid in de wereld van politiek en bestuur, wat zich vertaalt in jezelf beperkingen opleggen omdat je een gevaarlijke institutie bent.’ [Frissen schrijft hierover in zijn nieuwe boek Gevaar verplicht. Over de noodzaak van aristocratische politiek, november 2009 - red.]
Hoe moet de politie dit gesprek aangaan?
‘In ons politieke stelsel hebben we belang bij zelfbewuste instituties. Niet zelfbewust in de vorm van schreeuwerig leiderschapsgedrag, maar zelfbewust in de zin van kennis van de eigen professionaliteit, en van de overtuiging dat deze professionaliteit bescherming en bewaking behoeft vooral tegenover diegenen die deze professionaliteit willen instrumentaliseren voor de eigen doelen. Dat betekent dat de manier waarop nu in het stelsel rond politie wordt gedacht – in hiërarchische relaties en in termen van instrumentele beschikbaarheid – is in strijdt met de notie dat gezag ook te maken heeft met [cursief]countervailing powers[/cursief], het stelsel van [cursief]checks & balances[/cursief]. Ik denk dat het politiële bestel hier meer baat bij zou hebben, dan van het aantrekken van allerlei instrumentele machtsrelaties.
In de stelseldiscussie zou het niet om het aantal regio’s moeten gaan, maar over de positionering van de politie ten opzichte van het openbaar bestuur en justitie. Vanuit de triasgedachte is er veel voor te zeggen dat de politie ten opzichte van de drie actoren zelfstandiger, minder afhankelijk moet worden. Ik vind het een merkwaardige gedachte dat de burgemeester beheerder is van de politie. Een professionele organisatie moet dit zelf kunnen. Kijk naar het OM. De centrale zelfsturing heeft het OM versterkt als professionele organisatie in plaats van een organisatie van alleen professionals. Dit kan ook alleen als je deze organisatie ten opzichte van andere organisaties zelfstandiger maakt. Hier heb je dus meer afstand van het politieke bestuur nodig. Alleen dan kan de democratische verantwoording sterker en gezaghebbender worden ingericht.’
De politie is te veel verworden tot een instrument?
‘De instrumentalisering van de politie is grootschalig gaande, en de politie lijkt daarin volop mee te gaan. Met name in de steden zien we een beleid dat loopt van zachte preventie tot harde repressie in één integraal systeem. Hiermee ontstaat een werkelijkheid waarbij de burger geen onderscheid meer kan maken tussen het optreden van organisaties. Ik vind dat we dan grenzen overschreden hebben. Vanwege de [cursief]checks & balances[/cursief] moet soms juist niet integraal worden gewerkt. De politie moet goed letten op de grenzen om te vermijden dat op termijn de legitimiteit van de politie door grensoverschrijding ondermijnd raakt.
Neem bijvoorbeeld de aanpak van huiselijk geweld. Preventie is niet de taak van de politie, repressie wel; de politie kan huiselijk geweld niet voorkomen maar moet dit vooral opsporen. Ik mis in het debat rond de functie van de politie de normatieve afweging. De politie moet blijven reflecteren op de eigen rol. Vraag is hoe de politie de maatschappelijke zelforganisatie kan ondersteunen in al haar variëteit. Ook als die zelforganisatie er anders uitziet dan door de politie of het bestuur wordt gewenst. Het is dan belangrijk te spreken over de grenzen van vrijheden en verantwoordelijkheden.’
Terug naar de positionering van de politie
‘De politie is een organisatie die niet altijd geliefd zal zijn. Dit is ingewikkeld, maar dat moet je leren verdragen. Het kan bijna niet anders georganiseerd worden. Ik zou willen dat de politie de discussie kan ingaan met een sterk bewustzijn van wat ze is en wat ze wil zijn. De politie weet dit nu nog niet altijd overtuigend en gezaghebbend naar voren te brengen. De politie lijkt te vaak speelbal in de machtsstrijd van anderen. Ze stelt zich onvoldoende te weer tegen de wens van lokale bestuurders om de politie als eigen instrument te zien. De burgemeester is niet de eigenaar van de politie. De politie moet een overtuigend verhaal en beeld hebben. Alleen zo valt een gezaghebbende positie te verwerven en in te nemen. Het gesprek over de eigen professionaliteit moet tegen deze achtergrond worden gevoerd. Allerlei esoterische leiderschapstheorieën kunnen dan worden gemist.’
Ten slotte, u zei niet lang geleden dat wij niet meer het zelfverklaarde gidsland zijn maar verworden tot een ‘normaal’ land...
‘In Nederland hebben we in het politieel-justitiële domein altijd veel verstandige mensen gehad, die een zekere mate van terughoudendheid hadden en die niet alleen het repressieve repertoire kenden. Wat ik altijd veel minder aantrekkelijk heb gevonden – en de politie heeft zich daaraan ook schuldig gemaakt – is dat wij met buitengewoon veel plezier de hele wereld uitlegden hoe goed wij waren. Wij waren een moreel verheven soort. Nu is het anders. De maatschappelijke temperatuur is verhoogd, en de reactie daarop in Nederland is in veel opzichten heftiger dan in andere samenlevingen. Het zelfbeeld van gidsnatie is zo drastisch ondermijnd, dat we dat nu slecht kunnen verdragen. We moeten wennen aan deze normalisering.
De politie moet zich hiertoe verhouden. Daarom is de instrumentaliteit zo gevaarlijk. De instrumentaliteit van de politie als geweldsapparaat is gevaarlijk omdat je niet zeker kunt zijn dat er op enig moment niet een politieke machthebber is die de politie inzet voor zaken waarvan je niet meteen akkoord gaat. Dat is het belang van checks & balances, hiermee kunnen we de tirannie van de meerderheid een beetje proberen te temperen. Want meerderheden zijn gevaarlijk, die kunnen denken dat ze gelijk hebben omdat ze meerderheid zijn. Maar de idee achter een open en democratische samenleving is uiteindelijk dat we verschillende kanten op kunnen gaan en dat ook doen. De politie kan alleen gezaghebbend in een dergelijke samenleving opereren als ze een grote terughoudendheid naar alle soorten politieke opvattingen heeft. Ook dat zou tot de professionaliteit van de politie moeten behoren: het inbouwen van checks & balances op de inzet van het geweldsapparaat.’


Reageer op dit artikel