Amsterdamse ex-brigadier Ahmed Marcouch stadsdeelvoorzitter in Slotervaart: 'Mijn vader werd pas trots toen ik bij de politie ging werken'

Amsterdamse ex-brigadier Ahmed Marcouch stadsdeelvoorzitter in Slotervaart: 'Mijn vader werd pas trots toen ik bij de politie ging werken' In het Marokkaanse dorp waar Ahmed Marcouch opgroeide, stond één tv. Ahmed keek elke week uit naar Starsky & Hutch. Net als zijn vriendjes wilde hij politieman worden. In 1979 kwam hij als analfabeet naar Nederland; in 2002 nam hij na tien jaar afscheid van de Amsterdamse politie. Het korps was nog niet toe aan een Marokkaanse voorlichter. In april 2006 werd hij stadsdeelvoorzitter in Amsterdam-Slotervaart. Interview met een knokker, een man van de straat.

Met de hem kenmerkende vitaliteit en enthousiasme vertelt Ahmed Marcouch zijn opmerkelijke levensverhaal. Hij heeft maar een uur voor het interview, daarna ontvangt hij samen met collega Ahmed Aboutaleb een Marokkaanse ministersdelegatie.

'In 1979 kwam ik als tienjarige jongen naar Nederland, mijn vader achterna. Mijn moeder was in 1971 overleden. Amsterdam was de eerste stad die ik ooit zag. We kwamen met vier kinderen, vader en stiefmoeder op een halve etage in Amsterdam-Oost terecht. Ik was analfabeet en kon nog twee jaar naar de basisschool. Daarna wachtte de LTS. Op de open dag mocht ik een fotolijstje in elkaar zetten, en dat was het voor mij: ik werd timmerman. Al gauw kwam ik er achter dat timmeren niet echt mijn ding was. Wel afgemaakt, want ik wilde diploma's halen, tot aan C-niveau. Toen een gesprek met de directeur. Die wilde me naar de streekschool hebben, maar ik wilde naar de MTS. Ik was nooit ergens voor getest, ik regelde mijn hele studiecarrière zelf. Mijn vader begreep nooit waarom hij naar de rapportbesprekingen moest, want de leraar zei altijd "goed, goed, goed".
 
Mijn vader vond mij te soft. Na twee jaar basisschool kon ik nog zijn belastingformulier niet invullen! Hij werd pas trots op mij toen ik bij de politie ging werken. Hij kreeg veel reacties van mensen, maar die gaf hij nooit door. Later vertelde hij me dat hij in de tram eens mensen hoorde praten over die Marcouch die in de Balistraat werkte, zo'n aardige agent.
 

Starsky & Hutch
Ik was de eerste in de familie, in mijn milieu, die bij de politie ging. Ik had geen rolmodel. Ik wist dat ik bij de politie wilde werken door Starsky & Hutch. Er was in ons dorp één zwart-wit tv, in het café. Iedere woensdagavond kwam iedereen naar Starsky & Hutch kijken, die we op de Spaanse zender konden ontvangen. Dat was dé film van de week: mensen stonden in de rij. Ik kon de één dirham toegang niet betalen, maar het geluid stond altijd heel hard, dus wij jongetjes stonden voor de deur en konden de piepende banden en de actie horen. Ik heb dat bij de sollicitatie maar niet gezegd, maar dat is me altijd bijgebleven.
In 1987 solliciteerde ik bij de politie. Ik werd al bij de eerste test afgewezen. Je kwam binnen in die barak in Hilversum en daar zat een autoritaire tante met een stopwatch en een stapel papieren. Ik was erg timide en onzeker, vond het ontzettend spannend. Die afwijzing was keihard. Het probleem was dat ik formeel in 1966 ben geboren (de geboortedatum van mijn broer), terwijl ik in werkelijkheid van 1969 ben. Ik was dus gewoon te jong, ik was drie jaar jonger dan ze dachten. Toen ik veel later nogmaals solliciteerde, zei de psycholoog, "ik begrijp niet waarom jij bent afgewezen, de score is gewoon goed". Ik heb toen een jaar in de verpleging gewerkt, daarna drie jaar in een fabriek als proces operator in de ploegendienst. Ik zag dat collega's van vijftig letterlijk werden afgedankt na dertig jaar voor de baas te hebben gewerkt, en dacht: 'hier moet ik niet oud worden'. Ik wilde werk gaan doen waarbij ik weer kon gaan studeren.
In 1992 zag ik een advertentie in het Stadsblad: 'Amsterdamse politie zoekt Turken en Marokkanen'. Je kon gewoon solliciteren op het wijkbureau Balistraat. Het was de eerste keer dat ik een politiebureau binnenstapte en met een politieagent sprak.

Ik stond met knikkende knieën in dat politiebureau en had geen idee wat er allemaal gebeurde. Het gesprek met agent Swami Persad verliep heel leuk. Ik vertrouwde hem en durfde mijn angst met hem te delen: "Ik wil heel graag, maar ben bang dat ik niet door die test heen kom. Heb je tips voor mij?" Swami zei: "Je moet gewoon jezelf zijn. Jou willen we wel hebben". Ik ging de selectie in. Je had toen het project: "politie en allochtonen". Dit was een vervolg op positieve actie, waarvan een collega zei: "In 1987 heeft dat ons zoveel ellende opgeleverd, we gaan nu maar zelf de selectie doen". De intakegesprekken werden gehouden in de Sarphatistraat. Daarna kregen we een week lang in een motel allerlei gesprekken en tests. Het was een leuke sfeer, heel anders dan indertijd met die dame-met-stopwatch. Ik kwam er heel goed uit, en ging in 1993 naar de politieschool.
 

Format
Ik had gigantisch veel zelfvertrouwen gekregen en vond het fantastisch dat ik in uniform op die school zat. Internaat, eigen kamertje, weer studeren, didactisch heel goede politiedocenten. Na de politieschool studeerde ik maatschappijleer aan de Hogeschool van Amsterdam. Op de politieschool was ons verteld: "Intern zullen collega's jullie niet in dank ontvangen, en door je eigen etnische groep word je bestempeld als verrader". Oftewel: "Weet je wel waar je aan begint?" Ik dacht: "Ik moet zorgen dat ik ook iets anders kan gaan doen, ik moet weer gaan studeren". Later zijn er wel discussies geweest, maar het was wat overdreven. Mijn stagebegeleider zei: "Kijk, ik heb een hele stapel papier gekregen over hoe ik met allochtone collega's om moet gaan, die kan ik zo weggooien. Zijn jullie nou allochtonen, waar moet ik dat aan merken?" Het probleem is dat mensen een soort format meekrijgen: dat en dat moet je doen met allochtonen. Ik werd geconfronteerd met vragen als: "Vind je het moeilijk om een Marokkaan een bekeuring te geven of aan te houden?" Er werd ook op gelet of ik wel genoeg Marokkanen een bon gaf. Je werd in de gaten gehouden. Maar die collega's hadden ons geselecteerd, dus die hadden er ook baat bij dat het goed zou gaan. We kwamen met vijf collega's binnen, een hechte groep. Op de Politieschool hadden we al actie gevoerd, met spandoeken, omdat we een jaar zouden moeten invallen voor de parketpolitie. Jelle Kuiper was daar toevallig en belde naar Nordholt: "Het loopt hier uit de hand". Ik vroeg of we zwart-op-wit konden krijgen dat de achterstand die we door dat jaar parketdienst zouden oplopen niet in ons nadeel zou werken. We waren een kwetsbare groep, en er was ons van alles voorgeschoteld. Wat ik vroeg, kon niet, maar er werd al snel een andere oplossing gevonden.
We werden op school de "allochtonenklas" genoemd omdat we voor de helft uit allochtonen bestonden. Vooral de collega's uit Kennemerland en Waterland dachten dat we er bij de eerste toets uit zouden liggen door de taalachterstand. We hebben toen een studieclub opgericht en gingen 's avonds, zaterdag en zondag aan de slag. Een docent zei eens: "Je besteedt te veel tijd aan je studie". Later begreep ik hoe dat kwam: ik las altijd één hoofdstuk vooruit en stelde dan lastige vragen. Later bleef die groep voor elkaar zorgen en stimuleren: "geef je op, je kán het".
 

Buurtregie
Uiteindelijk werd het wijkteam Balistraat een model van diversiteit, het was daar geïnternaliseerd. Dat kostte veel inspanning, maar door het volharden van de collega's is het wel gelukt. We hadden voortdurend discussies. "Moet je nu wel of niet Arabisch spreken als er iemand aan de balie staat?" Dat was uiteindelijk geen discussie meer, dat doe je gewoon als je klantenbestand zo is. Ik liep eens achter een collega langs die aan de balie met een Marokkaanse man probeerde te praten. Die zag me een het was meteen, hé, meneer Marcouch. Ik heb hem toen in het Berber geholpen, en later sprak die collega me daar op aan. Toen zei ik: "ga nou eens even in de schoenen van die man staan, je hebt een probleem in Spanje, waar jij de taal niet spreekt. Dan ben je dolblij iemand die zien die je in het Nederlands kan helpen. Wij zijn de professionals, ons incasseringsvermogen moet veel groter zijn, we moeten kunnen anticiperen op die vragen.
Wij waren als buurtagenten de kwartiermakers voor de buurtregie, maar ik voldeed niet aan de eisen toen het een officiële functie werd. Daar baal ik nog steeds van, want ik vind het een verkeerde manier van kijken. Ik vind dat de politie veel meer moet gaan werken met zij-instromers. Er moet oog zijn voor de kwaliteiten van de mensen, niet alleen voor anciënniteit en wat er op de schouders zit.

Ik heb me een tijdje wijkteamchef gevoeld. Ik heb twee jaar surveillanten begeleid. Ik had Gerard Huijser van Reenen als districtschef en Piet Kruijer als wijkteamchef, die is helaas overleden. Twee heel goede managers. Die zeiden: "Het is jouw team". Ik werd ook strategisch ingezet. Die jongens waren nieuw, en ik wilde het ideale team maken. Eerste regel: je ziet er netjes uit, pet op en zo. Tweede: Jelle Kuiper heeft gezegd: "tien bonnen per dag de man" en dat gaan we halen. Er waren er die haalden er dertien, veertien, maar ook die er maar twee hadden. Dan had ik daar een gesprek mee. "Ja, ik kom niet zoveel overtredingen tegen". Onzin. Uiteindelijk komt er dan uit: "Overal voor verbaliseren, ik kan daar niet achter staan". Ik heb toen uitgelegd: "Dit is één bedrijf, Politie Amsterdam-Amstelland, daar lopen wij er zo bij, en daar maken wij dit en dit product. Iedereen die in dit bedrijf werkt, heeft dit product te leveren. En als jij zegt, "Nou, dat product staat me niet aan", dan moet je dus bij een ander bedrijf gaan werken. Jij vertegenwoordigt de politie. Als jij langs die parkeerovertreding loopt, dan ben jij de politie die passief is, die niets doet, en dat is nou net de frustratie van de burger." De politie moet niet langs normloos of asociaal gedrag lopen zonder daar wat van te vinden.'
 

Voorlichting

Waarom heb je politie verlaten?
'Toen Klaas Wilting wegging, heb ik bij voorlichting gesolliciteerd. Het was een logische stap, ik deed van alles: buurtregie, sociale integratie, recherche. Ik had een eigen radioprogramma: "De zetel van de politieagent". Dat heb ik opgezet na de rellen in Amsterdam-West, omdat mijn chef Tom Bersee tegen mij zei: "Ahmed, op al die bijeenkomsten komen elke keer diezelfde mannen, waar zijn die moeders nou?" Ik wist daar wel wat op: "We gaan die huiskamers gewoon binnen, we beginnen een radioprogramma". Elke woensdagavond zonden we van 11 tot 1 uur uit via het Salto-kanaal. Ik begon in het Nederlands, Arabisch en Berbers: "Dit programma wordt u aangeboden door der Politie Amsterdam-Amstelland". En dan volgde een praatje van een kwartier over politieklachten, strafvordering, huiselijk geweld, waarop mensen konden reageren. Er werd volop gebeld. Ik merkte dat mensen een heel verkeerd beeld van de politie hadden.
Ik heb via de radio seksueel geweld en verkrachting binnen het huwelijk bespreekbaar gemaakt. Daarop kwamen veel negatieve reacties van mannen. Toen ik zei: "Dit is een service voor jullie, als jullie willen dat ik ermee stop, dan stop ik ermee", belden gigantisch veel vrouwen me om te zeggen dat ik vooral moest doorgaan.
Die voorlichting dus. Klaas Wilting was voor de buitenwereld zo'n beetje de korpschef geworden. Dat wilde Jelle Kuiper niet meer, dus dat werd gedecentraliseerd naar de districten. Ik solliciteerde en kreeg een brief van de chef dienst algemene ondersteuning: ik moest op gesprek komen. Ik was de enige kandidaat, de rest was afgewezen, en ik voldeed. Het duurde echter drie, vier weken voor ik iets hoorde, maar ik wilde niet zelf bellen. Uiteindelijk belde een collega toch en drie dagen later werd ik gevraagd voor een tweede gesprek. Toen kreeg ik te horen: "Gezien je betrokkenheid bij de Marokkaanse gemeenschap gaan we je toch niet voordragen". Ik wist niet wat ik hoorde. Dacht: "Wat nou Marokkanen? Ik ben altijd loyaal aan de politie geweest, ben ambassadeur van de politie, ook tegenover die groep. Ik heb inderdaad meer voor Marokkanen gedaan, maar dat is vanuit mijn deskundigheid, mijn extra competenties, die ik heb ingezet zonder dat ik ervoor werd betaald. Ik heb veel branden geblust, we hebben zo vaak ME achter de hand gehad die we dankzij mijn interventies niet hoefden in te zetten. Mijn chef kan dat beamen. En dan krijg je dat te horen. Ik heb de casus bij een paar mensen getoetst, is dit normaal? Toen kreeg ik een brief waar de afwijzing zwart-op-wit in stond. Ik diende een bezwaar in bij de bezwaarcommissie en er volgde weer een gesprek. Er werd aangevoerd dat ik een radioprogramma had gehad waarin ik allerlei dingen besprak met de Marokkaanse gemeenschap. Ik had dat notabene in mijn vrije tijd gedaan. Ik heb er nooit faciliteiten voor gehad. Alles werd opgenomen. Klaas Wilting was ingezet om me te coachen. Dat heeft hij nooit gedaan, maar hij stond er wel achter. Mijn wijkteamchef is vaak in het programma geweest. Achteraf hoorde ik van collega's dat die commissie helemaal niet serieus werd genomen, dat was gewoon om de boel te sussen. Uiteindelijk was hun aanbeveling: "Vermeld voortaan de reden voor afwijzing niet in zo'n brief." Toen werd ik alleen maar bozer.
Er kwamen brieven van de homo-collega's, van collega's van Marokkaanse afkomst, de Antillianen, andere collega's. Ik kreeg een gesprek met een lid van de korpsleiding, Kapsenberg. Weer bla-bla-bla, ik had er niets aan. Ik wilde weten hoe het zit, ik vertrouwde de hele procedure niet. Anderhalf jaar later kreeg ik ten slotte een gesprek met Jelle Kuiper. Ik weet nog dat hij onderuitgezakt in zijn stoel zat. "Meneer Marcouch, wat vervelend dat het allemaal zo gegaan is". Ik heb toen gezegd: "Ook al zou u nu tegen mij zeggen: 'nou, kom maar', dan hoeft het niet meer. Als dit de manier is waarop wij met elkaar omgaan in dit korps, maak ik me zorgen. Hij zei: "U denkt toch niet dat wij op dit niveau gaan discrimineren?" Ik stelde vast dat de argumenten die zijn gebruikt om mij af te wijzen niets te maken hebben met mijn kunnen. Als ik vanwege mijn betrokkenheid bij de Marokkaanse gemeenschap niet goed ben als voorlichter, dan kan ik absoluut niet als brigadier in een wijkteam in de Indische buurt werken. Ze hebben hun fout nooit toegegeven, ik heb nooit iets formeels gehad.
Ik heb nooit voor het geld gewerkt, de uurtjes die ik extra maakte, heb ik nooit geschreven. Als ik na mijn dienst het bureau uitliep en ik werd aangesproken door een oude meneer die zei "Meneer Marcouch, ik heb een probleem", dan zei ik "Kom maar binnen", en dan zat ik weer anderhalf uur. Dat schreef ik niet op. Mijn flexibiliteit was mijn kracht.'
 

Oppassen voor overdosis

Hoe ga jij nou daar straks als stadsdeelvoorzitter mee om? Hoe ga je die politie aansturen?
'Wij kunnen die politie natuurlijk niet aansturen, dat doet Cohen. Daar moet je met elkaar in communiceren en afspraken maken. Waar ligt jullie sterke kant, jullie kracht? Als bestuurder zie ik jullie graag optreden voor het gemeenschappelijke belang van een mooie en veilige buurt. Je ziet dat de politie vaak onderbezet is en niet al die dingen kan doen die zij ook zien en graag willen doen. Ze bouwen zo binnen de organisatie frustratie op, en du moment dat ergens een peloton ME niets te doen heeft of een groep surveillanten vrij komt, wordt er massaal opgetreden. Dat zien de burgers: "Wat is er gebeurd? Rare broeken, laarzen".
Bijvoorbeeld recent die jongen met die bromfiets die is overleden. Het gerucht ontstond dat de politie hem had achtervolgd, opgejaagd. Wat er vervolgens gebeurde is dat de politie alles mobiliseerde: surveillanten, paarden, motorrijders… Ik kwam die wijk binnenrijden en voelde dat er iets aan de hand was. Je voelt het dan ook aan de houding van de politie, die hebben dan nergens oog meer voor, het gaat alleen nog om ordehandhaving. Dat voelt de burger natuurlijk ook. Ik praatte met de buurtregisseur, "Jongens, dit is veel te veel blauw. De bestuurlijke kant moet nu een grotere rol spelen". Je moet dan als stadsdeelbestuurder de burgermaatschappij mobiliseren, je kaders. Die moet je ook hebben, en à la minute bij elkaar roepen als er zoiets gebeurt, en scherp stellen: "Dit is wat er gebeurd is, dit is de boodschap". Naar die ouders toe, zelf de wijk in.

Mensen moeten de politie wel zien, maar je moet zorgen dat je geen overdosis krijgt. Veel blauw geeft niet per definitie een veilig gevoel. Het ontbreekt de politie te vaak aan strategische inzet. Er is te veel kortetermijndenken: we hebben capaciteit, doe maar wat. Dat is intern wel een discussie. Je kunt meer effect sorteren door slimmer en op de juiste momenten je capaciteit in te zetten. Misschien moet je dat met meer samen met de stadsdelen doen. We stellen gezamenlijk een aantal doelen, zodat je een sneeuwbal krijgt die door de stad rolt. Dan krijg je niet die hap-snap, die pleisters. Het hangt nog te veel van de scherpte van de districtschef af of hij een tijdelijke extra groep binnenkrijgt door ze op het juiste moment te reserveren.
Je moet contact maken met de ondernemers, jezelf laten zien. Bij de politie heeft men de neiging om uit te gaan van vanzelfsprekendheden. Politie is noodzakelijk, maar het zijn niet de eerste pionnetjes die je moet verzetten. Het is de toren die je achter de hand hebt, die als het nodig is er doorheen moet kunnen walsen. Als je de politie als eerste inzet, heb je niks meer.'
 

Pragmatisch

Wat gaat de politie van jou merken?
'Een goede sparring partner. We kunnen goed met elkaar communiceren omdat we elkaar kennen. Wat ik constateer is dat politiemensen, en ook de politiechefs, vaak niet goed weten hoe die gemeente in elkaar zit. Hoe die ambtelijke lagen werken, politiek, bestuur. Doordat je dat niet weet, weet je ook niet wat de juiste strategie is om dingen voor elkaar te krijgen. Het leidt dan ook tot patstellingen en botsingen. Andersom ook: de gemeentebestuurder weet niet goed hoe de politie in elkaar zit. Ik ga ze nog dichter bij elkaar brengen.
De politie is één van de actoren die je inzet om veiligheid te krijgen, en niet dé actor. Dat betekent dat je samenwerkingsverbanden moet hebben waarin je elkaar veel sneller weet te vinden, en een gemeenschappelijke taal spreekt, elkaar begrijpt. Dat komt de daadkracht ten goede.
Veiligheid is ook voor de komende coalitie in het stadsdeel van PvdA en GroenLinks belangrijk: de mensen vragen er om. Wij zijn daar pragmatisch in, je moet dat gewoon doen.'

Gaan we je nog terugzien bij de politie?
 'Als jullie gaan werken aan die zij-instroom… Ik ben niet boos weg gegaan, maar omdat ik me wilde ontwikkelen. Ik had dat graag bij de politie gedaan, maar dat was moeizaam. Allerlei protocollen, ze kijken naar je schouders en anciënniteit. Ik ben gewoon in die nieuwe baan gestapt bij de gemeente en werd partner van mijn eigen districtschef. Zaten we samen in het overleg. Ontzettend veel geleerd. Na een half jaar wilde ik weer teruggaan. Ik had het ontzettend moeilijk met afkicken van de politie, ik miste als het ware mijn "familie" in het wijkteam. Ik heb ontzettend mooie herinneringen aan mijn carrière bij de politie. De mooiste tijd in mijn leven. Ik draag de politie het nog steeds een warm hart toe en heb altijd in mijn achterhoofd dat ik ooit terugga. Ik heb nog steeds de contacten, ik werk nog tot 1 mei bij het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit aan de Politieacademie als projectleider van de expertgroep. Voor mij is al heel lang duidelijk dat voor de politie diversiteit een business issue moet zijn. Het gaat om de vakkennis. Als je met een complex probleem wordt geconfronteerd, moet je een expert kunnen raadplegen. Het is nodig om die expertise binnen je eigen wijkteam te hebben, zodat je even kunt checken of je iets goed aanpakt."
Maar nu ga ik me eerst me inzetten als stadsdeelvoorzitter. Ik verheug me er enorm op!'

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2006, jrg. 68, nr. 5, p. 5-8

0 reacties

Reageer op dit artikel