Buruma: Ik val aan, volg mij
Professor mr. Ybo Buruma is een van de bekendste strafjuristen van Nederland. Hij publiceert over uiteenlopende onderwerpen als opsporingsmethoden, de verharding van het strafklimaat, biotechnologie en strafrecht, georganiseerde misdaad, terrorisme en internationale misdrijven. Daarbij maakt hij niet alleen van juridische, maar ook van criminologische inzichten gebruik. Naast hoogleraar is Buruma onder meer voorzitter van de Toegangscommissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken, plaatsvervangend raadsheer aan het Gerechtshof Arnhem en lid van de Sociaal-Wetenschappelijke Raad. We spreken hem over de wezenlijke veranderingen in het strafrecht en strafprocesrecht, de positie van de politie in de Nederlandse samenleving en de wijze waarop de politie haar gezag met professioneel optreden kan vergroten.
Wij kennen u in diverse hoedanigheid. Wie bent u?
‘Naast het feit dat ik als rechter werk en voorzitter ben van de CEAS ben ik toch vooral hoogleraar. Ik ben begonnen met een studie criminologie, en in de tijd dat ik werkte bij de Nationale ombudsman heb ik in de avonduren rechten gestudeerd. Ik ben misschien een warhoofd, maar ik wil niet zweven. Ik zoek steeds contact met het werkelijke leven. In 1995 zat ik in de staf van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden van Van Traa. Hier ontstond mijn belangstelling voor de politie. Na deze periode werd ik naast hoogleraar ook rechter plaatsvervanger en raadsheer plaatsvervanger. Je hebt op enig moment een zekere bekendheid gekregen, ik zat bij de eerste generatie hoogleraren die zijn gezicht op televisie liet zien. Dat was toen nog niet chique.’
Wat is er sinds het Van Traa onderzoek wezenlijk veranderd in het strafrecht en het strafprocesrecht?
‘Van Traa en het Zwolsman-arrest markeren de overgang van een tijdvak waarin alles draaide om de rechtmatigheid van het overheidsoptreden, naar een tijdvak waarin de vraag centraal staat of de overheid voldoende veiligheid biedt. Daarnaast zie je sinds die tijd bij rechters en politie een toegenomen zorg voor veroordelingen van de verkeerde personen. Dat is ook iets anders dan de rechtmatigheidskwestie uit de periode rond Van Traa en Zwolsman. De overheid doet het verkeerd als ze de boeven laten lopen of de verkeerde persoon vastzet. De bevolking wil geen van beide.’
Is het bestuurlijk handhaven een goede zaak?
‘De opkomst van het handhaven binnen het bestuursrecht is niet nieuw. Dit is een bekende onderstroom in de geschiedenis van de 20e eeuw. De rol van de burgemeester en bestuurlijk handhaver heeft zijn eigen dynamiek van meer repressie naar meer voorkomen, en terug naar meer repressie. Nu zitten we in de periode van meer repressie, je kunt het zien als een shortcut om het Openbaar Ministerie heen. Het OM is losser komen te staan van het bestuur. Er is één ding wel echt anders, en dat is de insteek van dit kabinet. De enorme inzet van bevoegdheden achter de voordeur van het kabinet baart me zorgen. In bijvoorbeeld de jeugdzorg zie ik nietsontziende inbreuken op de privacy, met als gevolg dat ouders niet meer naar een dokter durven gaan als het kind een arm gebroken heeft. Daar heb je dus niets aan. De jeugdzorg heeft het voor zichzelf verpest. Ik vind dat vreselijk en een foute invulling van bevoegdheden. Door te roepen dat je meer bevoegdheden nodig hebt, dek je je in tegen de kritiek van onder meer de politie dat in de echte gevallen te weinig gebeurt en in de onechte te veel. We weten dat het in veel gezinnen mis gaat, en we willen geen fouten maken, maar zullen ons toch moeten beheersen.’
Wat vraag je dan van de overheid?
‘Het is van fundamenteel belang – ook voor de politie – het verschil te kennen tussen samenleving en overheid. De samenleving bestaat bij de gratie van twee hoofdregels: binding en vertrouwen, en het maken van verschil. De overheid daarentegen gaat uit van controle en wantrouwen en dient het gelijkheidsbeginsel toe te passen. Het is belangrijk het verschil te zien. Het is allebei goed, maar het zijn verschillende rollen. Het loopt nu door elkaar. Je moet als politie oppassen dat je niet naar samenlevingsmaatstaven handelt. We zien dat bijvoorbeeld het bureau Jeugdzorg werkt als een typisch overheidssysteem, gestuurd door de principes van gelijkheid en controle. Om effectief te zijn in de samenleving moet je vertrouwen schenken en verschil durven maken. Dat dit niet gebeurt, maakt dat de moeder van een cliënt het bureau niet vertrouwt omdat het bureau Jeugdzorg als een overheidsorgaan redeneert en voor haar een verklikker wordt. Het heeft tot gevolg dat een dergelijk bureau niet effectief bijdraagt aan het verminderen van het aantal kinderen dat in elkaar wordt geslagen. Dit is erg. Een overheidsorgaan moet onderscheid durven maken.’
De politie staat echter onder toenemende druk van het bestuur, lokale politici om mee te gaan in deze activiteiten…
‘De politie moet onderscheid maken naar overheid en samenleving. Vanuit de professie werkt dit op de oude manier: Daar hoort de politie verschil te maken op basis van verdenkingen, gevaar voor openbare orde. Zodra de zaak wordt gejuridiseerd – door het opmaken van een proces-verbaal – wordt iedereen echter gelijk behandeld. De politie als professionele werker in de samenleving moet ‘nee’ durven zeggen tegen de querulant en ja tegen het echte slachtoffer. De manager bij de politie moet dat ook durven tegen de bestuurders die vaak weigeren verschillende gevallen verschillend te behandelen. De lokale politiek neemt hierbij een bijzondere positie in ten opzichte van politie en openbaar bestuur omdat zij verkozen is. Daarmee doen ze meer alsof ze de samenleving vertegenwoordigen dan dat zij waarmaken. Verwar de druk uit de samenleving dan ook niet met de druk van de lokale politici. De druk uit de samenleving komt vaak voort uit andere gronden dan de druk van lokale politiek waarmee een staatsrechtelijk probleem ontstaat: de politie dient gehoorzaam te zijn aan het openbaar gezag, maar dat betekent niet dat het gezag ook altijd gelijk heeft. De politie heeft de ogen en oren in de samenleving. De politie moet dan ook zorgen dat de politiek goed wordt voorgelicht. Het is alweer enige jaren geleden dat de politieleiding de politici met regelmaat voorzag van actionable intelligence, dat schijnt de politie niet meer te kunnen. De politicus nu denkt en claimt dat hij weet wat er in de samenleving speelt, maar dat is niet zo. De politicus moet geïnformeerd worden door de politie. Het is vanuit de professionaliteit van de politie noodzakelijk niet alleen te gehoorzamen aan het gezag, maar ook het verhaal te vertellen vanuit het vakmanschap. Niet alleen uit eigenbelang – daar heeft men zich wel schuldig aan gemaakt waardoor mensen je gaan wantrouwen – moet de politie het verhaal vertellen over integratie en criminaliteit.
Ik spreek vaak politiemensen en ik schrik er wel eens van als zij uiten dat het vak geen echt vak meer is. Het lijkt erop dat het gevoel van vakmanschap aan het verslappen is. Mensen voelen dat zij als robots moeten optreden, naar regeltjes handelen, en dat prestaties belangrijk worden. Maar het zijn van politieambtenaar is wel degelijk een vak, een mooi vak – dat zie ik zelfs als buitenstaander. Dit moet je niet verkwanselen door op een verkeerde manier om te gaan met de gezagsverhoudingen. Realiseer je dat je een eigen professie hebt, met een eigen cultuur. Dit betekent dat je zaken beter weet dan anderen, en hier hoort een bepaalde ethiek bij. Je draagt de verantwoordelijkheid omdat je meer weet en meer kan. Dat moet je koesteren.’
Maar voelen de politiemensen nog wel de ruimte om vanuit de professie te acteren?
‘In de vele regels en de profchecks zit de pest. Ikzelf heb in mijn tijd van Van Traa gevraagd om betere verantwoording et cetera, maar het is doorgeslagen. Het is te veel geworden. Dit ligt niet zozeer aan de politie, je ziet het ook bij dokters en bankiers. Het is allemaal schijterigheid, iedereen wil zich indekken en dat doet afbreuk aan het gezag wat je hebt. Als je niet de verantwoordelijkheid neemt, aarzelt de bevolking in het geven van vertrouwen. Dit uit zich in rancuneus gemopper. Soms moet ook de agent iets kunnen doen zonder rugdekking. Soms is dit handelen op het randje, maar het is belangrijk voor de mensen. Welke mafkees heeft verzonnen dat de 17-jarige die zijn moeder in elkaar heeft geslagen, toestemming moet geven voor onderzoek door jeugdzorg als de moeder geen officiële aangifte wil doen? Dokters, bankiers en politie moeten het lef en de energie hebben om te handelen vanuit het vak, niet alles kan verantwoord worden via het papier. Waarom je wel werk maakt van Piet en niet van Harry moet niet door de papieren werkelijkheid overwoekerd worden.’
En wat betekent dit voor de praktijk van onze politiemensen?
‘We zien de prijs niet meer van de verantwoordingscultuur, wat leidt tot een verkramping bij de overheid en verlies van gezag... Soms zijn er zaken, zoals de inzet van burgerinfiltranten, die nodig zijn maar waar ik geen voorstander van ben. Maar we moeten dan niet net doen, alsof er geen professioneel belang is om die burger wel in te zetten. Dat belang is er wel en ik begrijp heel goed dat de professional soms de grenzen opzoekt. Soms met pijn in het hart iets doen, is ook professionaliteit. De samenleving denkt in grijs, de overheid in zwart/wit. Met een laffe officier van Justitie of een laffe burgemeester zit je dan als agent met het probleem dat je dat grijs niet eens mag laten zien. Van de weeromstuit verlies je je professionele energie en word je een functionaris die alleen maar bezig is met verantwoording in plaats van met politiewerk. Om dat te voorkomen heb je persoonlijke eigenschappen nodig, maar het draait ook om vertrouwen dat de omgeving je ondersteunt. De politieagent mag niet het gevoel hebben dat hij of zij altijd het mes in de rug kan krijgen, je staat voor de goede zaak.
In de gebeurtenissen rond Hoek van Holland zien we allerlei van dit soort zaken spelen. De dapperheid van een aantal. Het belang van actionable intelligence en goede communicatie. Maar ook het belang van het vermogen in een noodsituatie waarin alles misgaat te weten wat te doen. De paardenmensen hadden dat vermogen. Maar gegeven het schietincident blijft de vraag wat het verschil is tussen de keiharde confrontaties met de krakers in de jaren 80 en de relschoppers van nu. Aan de kant van de tegenpartij weten we het: pillen en gekte kwamen in de plaats van een zekere mate van rationaliteit in de keiharde geweldstoepassing door de krakers. Maar weten we zeker dat er bij de politie niet eveneens iets is veranderd? Iets wat met vakmanschap te maken heeft?’
Waar ligt dan het probleem voor het vakmanschap?
‘Ik denk dat het probleem in de gehoorzaamheid ligt. We hebben een vorm van leiderschap gestimuleerd van overleg, samenwerking en coaching in plaats van: ik val aan, volg mij. De tot verbeelding sprekende leidende figuur, de daadkracht voorop. De politiemensen zijn dit niet meer gewend, maar dat komt als een boemerang terug in een noodsituatie. Dan moet je woordeloos weten dat de meest ervaren figuur bepaalt of er wel wordt doorgelopen of niet. Dan is er geen tijd om te lullen, maar moet je weten wie van de groep bepaalt hoe je je in het drukke café of in het straatgewoel opstelt. Het erkennen van en het vertrouwen hebben in een baas spreekt niet meer vanzelf bij mensen die steeds te horen krijgen dat hun meninkje telt. Dit speelt niet alleen bij de politie, ook in de samenleving.
De keerzijde van gehoorzaamheid is vertrouwen. De agent moet altijd het gevoel hebben dat de baas hem dekt. Bij de politieorganisatie onderken ik echter een groot gevoel van onveiligheid binnen de organisatie. Daar houd ik niet van. Het uitgangspunt is dat de politie niet corrupt of fout is. De baas beschermt de diender. Het is aan de rijksrecherche, bureaus intern onderzoek, de nationale ombudsman en eventueel de commissie-Buruma om uit te zoeken of er misschien toch iets mis is gegaan.’
De vraag om daadkracht ligt ook in de discussie of het gezag van de politie beïnvloed wordt door juist escalatie of de-escalatie als uitgangspunt in optreden. Hoe ziet u dit?
‘De woordkeus hierin is niet goed. Dit impliceert dat geweldtoepassing werkt als een trap. Het is normaal dat een agent soms een klap uitdeelt. Je moet dit in één keer goed doen. Maar over het algemeen is het uitdelen van een klap niet nodig. De politie beschikt over een goede informatiepositie waardoor zij vaak goed voorbereid is op gebeurtenissen. Het is wel vervelend, en het gebeurt wel degelijk, dat vooral jonge agenten op incidenten vreselijk escaleren waar het niet nodig is. Juist de ME en de arrestatieteams zijn goed in de-escaleren, tegen de achtergrond dat ze weten hoe met geweld om te gaan. Misschien is te grote beduchtheid voor professioneel geweldgebruik wel de grootste oorzaak van uit de hand lopend geweldgebruik van twee kanten. Je mag hoger in het geweldspectrum zitten, maar escaleren moet geen vrijbrief voor ontremming worden. Dat leidt het tot overreactie en onduidelijkheid. Aan de andere zijde is het leren incasseren van geweld en opmerkingen ook belangrijk. Dit is nog een taboe. Er is een tussenweg tussen niet handelen en te snel meppen en schieten.’
Ter afsluiting nog aandacht voor uw werk in de Toegangscommissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (Posthumus II). U berichtte vorig jaar over gepruts en onvoldoende controle op het werk in de opsporing. Ziet u al enige verbetering?
‘Gepruts is een groot woord, maar er waren zaken waarin het ernstig mis was gegaan. In het verleden pasten bepaalde vormen van opsporing bij het optreden van rechters, ik denk dan aan het tunnel stimuleren – het zoeken naar bewijs tegen een verdachte. We zien hierin echter een ontwikkeling in de rechtspraak waarbij de Hoge Raad van de rechter een motivering eist op het niet meegaan in het verweer van een verdachte. Dit geeft niet alleen een verandering in werken en denken bij de rechters. De rechter vraagt namelijk aan de officieren en de politie waarom het verhaal van de verdachte niet waar kan zijn. Tot nu toe werd het beantwoorden van de vraag waarom een verhaal van een verdachte niet waar is, beschouwd als zonde van de tijd. Soms horen we ook heel veel getuigen die eenzelfde verhaal vertellen. Dit is niet nodig, maar niet alle officieren begrijpen dit. Juist in dit soort gevallen wil je dat de professionaliteit van de politie voorop staat. De politie moet zelf begrijpen wat goed of niet goed is: het is onvergeeflijk als een tap verkeerd wordt uitgewerkt of als een ontlastende verklaring onder het tapijt verdwijnt. Doe je dat soort dingen, dan wordt de officier van Justitie ook werkelijk nodig om leiding te geven aan het opsporingsproces. Het is jammer en niet goed als die veranderende rol van de politie met zich meebrengt dat de professionaliteit afneemt doordat te veel naar het gezag wordt geluisterd. Stel je voor dat er een moment komt dat het OM weer afstand neemt van de opsporing. Dan heb je professionals nodig en niet alleen mensen die weten hoeveel auto’s er beschikbaar zijn. Politiewerk is een professie. Zorg dat je niet vergiftigd wordt, blijf bij je vak.’
Foto’s: Bureau Roel Dijkstra, Fred Libochant


Het openbare domein is en was "mijn" domein en criminaliteit dient bestreden te worden met alle middelen en met equality of arms zou ik willen zeggen. Er zijn mij teveel formaliteiten en onnodige barricades die de boel kunnen frustreren. Het lijkt mij er soms te vaak op dat een niet nageleefd regeltje door een rechter zwaarder wordt "bestraft" dan het achterhalen van de waarheid.
Advocaat Plasman heeft hier een uitgesproken mening over die, hoe kan het anders, haaks staat op de mijne.