Een blauw oog zie je beter dan een kras op je ziel: Interview met Floris Tas

Een blauw oog zie je beter dan een kras op je ziel: Interview met Floris Tas De aanpak van discriminatie -het bestrijden van ongelijkheid- krijgt steeds meer aandacht. Per 1 december is er een vernieuwde Aanwijzing van het college van Procureurs-generaal van kracht geworden. Tijd om uitleg te vragen aan mr. Floris Tas, beleidsmedewerker bij het Landelijk ExpertiseCentrum Diversiteit. Het LECD is gehuisvest in een kantorencomplex dat zeker niet in aanmerking komt voor een architectuurprijs. De afdeling van het LECD doet daarentegen zijn naam eer aan met een opvallende inrichting van divers gekleurd meubilair en grote kleurrijke wervingsaffiches. In dit interview wordt onder meer antwoord gezocht op de vraag of de politie voldoende werkt aan de bestrijding van discriminatie. En is het bekend dat de Europese Commissie het door de politie veel gebruikte ´racial profiling´ wil verbieden?

Wat is de stand van zaken van het door de politie toegepaste antidiscriminatiebeleid?
Antidiscriminatie is nog te vaak een papieren portefeuille in de korpsen. Op papier lijken we aardig op weg. Het wordt van bovenaf flink aangejaagd met de diversiteitsprijzen, maar het is nog onvoldoende doorgedrongen in de operationele politiepraktijk. Het moet omschreven worden in de functiebeschrijvingen, anders zakt het weg. Het gewenste doel  is mede daarom onvoldoende gehaald. Het belang van antidiscriminatiebeleid voor de korpsen wordt nog onvoldoende ingezien. Daarbij constateer ik een merkwaardige discrepantie. Iedereen vindt hardcore discriminatie (strafrechtelijk bewijsbare discriminatie) vreselijk, het kabinetsbeleid is erop gericht om discriminatie te verminderen, het staat in onze Grondwet, maar er wordt door de politie nog onvoldoende handen en voeten aan gegeven. Ik bemerk twee obstakels. Allereerst het systeemobstakel en dat betreft de wijze van registreren. Nog steeds levert een eenduidige registratie de nodige problemen op. Daarnaast blijkt dat homo´s en driekwart van de allochtone jongeren niet de moeite nemen om aangifte bij de politie te doen.

Ik zie de politie als poortwachter van de strafrechtketen. Het is heel belangrijk dat de politie het signaal uitzendt dat zij openstaat voor dit soort aangiften. Tot nu toe bestaat er te weinig vertouwen in de strafrechtketen. Gediscrimineerde mensen willen hun ervaringen nog niet toevertrouwen aan de politie.

Wentelt u het mindere vertrouwen alleen af op de politie en niet op de andere partners in de strafrechtketen?
Ja, eigenlijk wel. Aan de andere kant staat de politie open voor het doen van aangifte. Naar mijn weten is er geen onderzoek gedaan naar de rol van het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht in het bestrijden van discriminatie. Het OM heeft het echter goed op papier en zij trekken er goed aan in de praktijk. Elk arrondissement heeft antidiscriminatie officieren van justitie en er zijn antidiscriminatie driehoeken. De politie zou moeten accelereren in 2008 om de aanpak goed eigen te maken en in 2009 aan de burgers laten zien dat het ertoe doet om aangifte van discriminatie te doen.

Wat gaat de visie 2007-2010 voor de politiekorpsen betekenen?
Het gaat er om dat dienders bewuster worden en dat burgers het effect gaan voelen van het handelen van de politie. Discriminatie moet ook beter weggeschreven worden in de systemen. Ik laat mij overigens niet door de illusie leiden dat het gewijzigde beleid van de politie de discriminatie zal verminderen, maar wel dat de overheid en ook de politie positie kiest en dat uitstraalt.

 

[kader]
High lights nieuwe aanwijzing discriminatie die in december 2007 van kracht is geworden
1 Elk regiokorps kent een antidiscriminatie driehoek
2 Elke politieregio heeft een contactpersoon discriminatie
3 Elke aangifte wordt opgenomen en elke melding geregistreerd en besproken in de antidiscriminatiedriehoek
4 Elke regio maakt een inhoudelijk goed criminaliteitsbeeld, gevolgd door een landelijk criminaliteitsbeeld discriminatie

[einde kader]

 

In een interview in Binnenlands Bestuur stelt u dat `Het accent van de aanpak van discriminatie op het strafrecht ligt´. Waarom focust het LECD niet meer op het bestuurlijke circuit? Mede omdat Amnesty International vastgesteld heeft dat gemeenten amper iets doen tegen discriminatie.
Het LECD is er voor de politie, maar we werken wel samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. We hebben een onderzoek geëntameerd naar de bestuurlijke aanpak van discriminatie. En dat is erg van belang want de rol van de gemeenten en andere instituties gaat veel verder dan de rol van de politie. De politie kan signaleren, handelen en opsporen. De andere instellingen hebben veel meer mogelijkheden. Het gaat namelijk niet altijd om strafbare discriminatie. Gemeenten kunnen optreden tegen uitgaansgelegenheden waar gediscrimineerd wordt, woningbouwverenigingen kunnen bewoners uit hun huis zetten bij stelselmatige discriminatie en verenigingen kunnen leden weren die zich aan discriminatie schuldig maken. De maatschappij heeft legio mogelijkheden om op te treden. Onze rol daarbij is signaleren. Ook al leidt het niet tot een strafrechtelijk gevolg, politieambtenaren kunnen wel optreden en laten zien dat ze het niet pikken dat medemensen gediscrimineerd worden. En de signalen en meldingen registreren en bespreken in het regionale discriminatieoverleg. 25 korpsen maken een criminaliteitsbeeld en het LECD maakt dit tot een landelijke. De Koninklijke Marechaussee wil ook aansluiten bij het leveren van informatie voor deze landelijke analyse. Als LECD zouden we graag willen dat het KLPD, net als de regiokorpsen, zou aansluiten bij de uitvoering van de Aanwijzing discriminatie door aan te schuiven bij een regionaal discriminatieoverleg en ook een criminaliteitsbeeld maakt van de discriminatoire gebeurtenissen. Onderdelen van het KLPD, zoals de spoorwegpolitie komen ongetwijfeld in aanraking met discriminatie. Dat zou ons landelijk criminaliteitsbeeld ten goede komen.

 

Professor Ponsaers van de Universiteit van Gent stelt in de conferentie van juli 2007 in Den Haag dat het `antidiscriminatiebeleid op een te laag pitje blijft branden. Het lijkt wel een te aarzelende overheidsopdracht`.  Bent u het daar mee eens?
De eerste Aanwijzing discriminatie is van 1993. Pas in 2006 is de aanpak van discriminatie tot prioriteit verheven. De reactie van de overheid op het geweld tegen homo´s is uitgegroeid tot een stevige aanpak. Overigens verbaast het mij dat het nog geen landelijke prioriteit voor de politie is. Bij het kabinet en bij het Openbaar Ministerie is het een prioriteit, maar niet bij de politie. Terwijl de overheid zelf de prioriteiten voor de politie vaststelt en daaraan prestatiebekostiging verbindt. Maar juist dat motiveert mij om er voor te zorgen dat de politie in de praktijk aansluiting zoekt bij het kabinetsbeleid.

 

Ponsaers stelt ook dat discriminatie veeleer gaat om het doordeweekse handelen van gewone mensen. Discriminatie is een sluimerend gif, dat zich ongemerkt verspreid. Hoe kan de politie daar adequaat op reageren als het onderdeel van de samenleving is en is de politieambtenaar intrinsiek overtuigd van de noodzaak om discriminatie aan te pakken?
Ik gebruik vaak de metafoor dat discriminatie het ´betonrot van de maatschappij´ is. De politie heeft als kerntaak het opsporen, daaronder ook het opsporen van hardcore discriminatie. Overigens noem ik het liever het bestrijden van ongelijkheid. De politie moet zich hierop richten. Ik vind de strafrechtelijke aanpak van discriminatie -strikt genomen- niet effectief en efficiënt. Maar het heeft een geweldige signaalfunctie. Door het optreden van de politie laat je zien dat de overheid het antidiscriminatiebeleid serieus neemt. Het bestrijden van discriminatie is overigens ook het bestrijden van radicalisering. Als burgers het politieoptreden als stigmatiserend ervaren dan zijn we niet op de goede weg. Ik denk dat de gemiddelde politieman wel overtuigd  is, maar nog niet helemaal bewust. Als een Marokkaanse jongen in een discotheek geweigerd wordt bij de deur omdat hij een Marokkaanse jongen is dan heeft de politie nog wel eens begrip voor de portier omdat de orde wel gehandhaafd moet worden in de disco. Als een allochtoon lid van de Tweede Kamer zes keer op een avond geweigerd wordt in uitgaansgelegenheden dan denken de meeste collega´s dat dit niet goed te praten is. Maar hun verontwaardiging is het grootst als hun allochtone collega, in zijn vrije tijd, geweigerd wordt in een gelegenheid of hun collega, met wie zij surveilleren, gediscrimineerd wordt. Dan is het hek van de dam. Ik wil graag deze ervaringen dichtbij de collega´s brengen. Dienders leven over het algemeen niet in een omgeving waarin dagelijks gediscrimineerd wordt.  Het zou voor de bewustwording van collega’s goed zijn om te ervaren wat discriminatie met mensen doet, hoe het voelt om gestigmatiseerd te worden, hoe het is om als goed opgeleide student geen stageplek te krijgen. Daarmee kan je de intrinsieke overtuiging krijgen die past bij een politie die iedereen gelijk behandelt.

 

Collega´s houden veel allochtone verdachten aan, worden ook beledigd of beschimpt, de media heeft een enorme invloed op het maatschappelijk leven en ook een flink deel van de bevolking doet daarbij een duit in het zakje. Hoe moet een politieambtenaar laveren tussen handelen met een intrinsieke overtuiging en de negatieve beelden en indrukken die opgedaan worden?
Inderdaad maak ik mij wel eens zorgen over het beeld in de media. Elke politicus die in de Tweede Kamer maar wat roept, zorgt er bewust of onbewust voor dat het gevolgen heeft op straat. Daar wordt de politie mee geconfronteerd en krijgt de rekening gepresenteerd. Daarentegen zijn collega’s als geen ander in staat om goed te rationaliseren en daarmee een goed onderscheid te maken. Zij laten zich niet zo gemakkelijk leiden door allerlei beelden. Het is ook zo dat het effect van het aanpakken van een overval op korte termijn effect heeft. De dader wordt gepakt. Bij discriminatie is het een veel langer proces. Het is een lange termijnstrategie. Het niet aanpakken van discriminatie kan ertoe leiden dat allochtonen zich gedragen alsof  zij niets meer te verliezen hebben.

 

Legt u er nu niet  teveel nadruk op dat discriminatie de oorzaak van veel deviant gedrag van allochtone jongeren is?
Discriminatie is zeker niet de oorzaak van allerlei afwijkend gedrag van allochtone jongeren. Discriminatie kan wel een versterkende invloed hebben op het gedrag van jongeren en bijdragen aan de exclusion van mensen in de maatschappij. Het is dan ook van belang dat de politie werk maakt van discriminatie. Niet alleen moeten aangiften opgenomen worden, maar ook de meldingen van discriminatie moeten worden vastgelegd.

 

 De politie in de wijk wordt gekend en aan het kennen, gekend en erkend worden. Gebruikt de politie haar positie in de wijk voldoende om discriminatie te signaleren, bespreekbaar te maken en op te sporen?
Dat is voor mij een black-box. Ik denk dat de politie daar nog actiever in kan zijn. De politie heeft de positie om signalen op te pakken. Veel buurtagenten kennen de bewoners die getreiterd of gediscrimineerd worden. Daar ligt haar kracht. Het doorgeven van de signalen kan nog veel beter, maar dan moet er wel een betere structuur zijn waarin de politie haar signalen kwijt kan aan partners. Daarbij zijn wel een aantal interessante ontwikkelingen. De Vereniging Nederlandse Gemeenten is bezig met een handreiking voor gemeenten. Er is een wetswijziging op komst waardoor elke gemeente een antidiscriminatiebureau krijgt en wordt een netwerk gestart van de wethouders die antidiscriminatiebeleid in hun portefeuille hebben.


De Europese commissie wil `Racial profiling` verbieden (zoals de Nigeriaanse oplichtersbende, Joegoslavische onderwereldfiguren en Marokkaanse onruststokers) gaan verbieden. Dit soort labelling vindt vaak plaats bij de politie. Vindt u dit `institutioneel racisme` en hoe zou de politie daar mee om moeten gaan?
Het is een kwestie van definiëren. Als het geen ´objective and reasonable justification´ heeft dan is het niet gerechtvaardigd om het te gebruiken. Is het nu echt, naar buiten toe, nodig om zulke bewoordingen te gebruiken om aan te geven wat je bedoelt?

 

In de dagelijkse politiepraktijk weet direct elke collega wat er bedoeld wordt als er over een Nigeriaanse oplichtersbende wordt gesproken. Dat heeft dan te maken met internetfraude en de manier waarop ze dat uitvoeren en verhullen. Waarom kan dat dan niet?
Het werkt onnodig stigmatiserend in de communicatie met het publiek. Als er, voor intern gebruik, in het kader van opsporingsactiviteiten geen andere methode is dan deze benamingen dan vind ik dat het wel gerechtvaardigd is. Als er een schietpartij is waarbij Antillianen betrokken zijn dient het geen enkel doel om in de pers te uiten dat het om Antillianen gaat. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het gebruik van de typering ´eencelligen´, dat nog wel eens door de politie gebruikt wordt om een bepaald soort voetbalsupporters te typeren. Hoe de politie intern spreekt over mensen, wordt ook naar buiten uit gestraald. Het niet optreden tegen ´racial profiling´ kan leiden tot institutioneel racisme. Hier is bij de Nederlandse politie overigens geen sprake van, men gebruikt dit soort termen onbewust. Laten we er aan werken om dit onbewustzijn om te zetten in bewustzijn.


[kader]

Racial Profiling
`The use of police, with no objective and reasonable justification, of grounds such as race, color, language, religion, nationality or national or ethnic origin in control, surveillance or other similar law enforcement activities.

[einde kader]

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 2007, jrg. 69, nr. 12, p. 24-27

0 reacties

Reageer op dit artikel