Fred Teeven: ‘Soms zijn mijn uitspraken scherp, soms minder, maar wel altijd duidelijk’

Door mr. H. R. de Vries, 01 maart 2009 14:27 uur0 Waardering:

Fred Teeven: ‘Soms zijn mijn uitspraken scherp, soms minder, maar wel altijd duidelijk’ In een rustige gelegenheid aan een van de kaden in het Oostelijk Havengebied in Amsterdam hebben wij een afspraak voor dit interview. Stipt op tijd komt Fred Teeven, prominent VVD Tweede Kamerlid, resoluut de deur binnen. Met een brede lach en een kop thee begint hij het gesprek. Die brede lach zullen we nog terugzien, zeker als de slotvraag gesteld wordt. Maar daar gaat een aantal vragen op een breed terrein van politie, Openbaar Ministerie, handhaving, publieke aandacht en politieke verantwoording aan vooraf.

De minister van BZK heeft vijf politiekorpsen onder preventief financieel toezicht geplaatst vanwege tekorten op hun meerjarige begroting. Zes andere korpsen hebben ook tekorten in hun begroting en meerjarenraming, maar hebben toestemming gekregen om het gat te dichten door gebruik te maken van hun financiële reserves. Is het Budget verdeelsysteem (BVS) een juist instrument om de politiesterkte te verdelen?


‘Laat ik vooropstellen dat ik niet de woordvoerder van de VVD ben op dit terrein. Toch vind ik dat het BVS niet helemaal een goed instrument is. Je moet niet alleen kijken naar de nu gehanteerde objectieve factoren zoals inwoneraantal et cetera, maar ook naar specifieke vormen van criminaliteit en ordeverstoringen die in bepaalde regio’s bovengemiddeld voorkomen of (allochtone) probleemgroepen die daar actief zijn. Overigens weet ik niet of het feit dat de bedoelde vijf korpsen hun begroting niet sluitend kunnen krijgen alleen maar aan het BVS te wijten is.’

 

Gezien de huidige financiële problemen bij de politiekorpsen kunnen zij niet meer zonder de prestatiebekostiging. Korpsen doen er alles voor om dat geld binnen te halen, zo lijkt het wel, en soms kan dit ten koste gaan van andere (lokale) prioriteiten. Vindt u deze wijze van prestatiebekostiging een juiste wijze van sturing door het kabinet?


‘Bij de invoering van de prestatiebekostiging was het een goed instrument, dat voor de bewustwording van de Nederlandse politie absoluut meerwaarde heeft gehad. Deze meerwaarde is nu wel verdwenen. Het zou goed zijn om bijvoorbeeld bij het aanleveren van verdachten van misdrijfzaken deels met streefgetallen te werken en deels met normen. Je behoudt dan de flexibiliteit om bijvoorbeeld bij een plotselinge hausse aan gewapende overvallen daarop meer capaciteit in te zetten. Deze zaken kosten veel mankracht en staan niet in verhouding tot een proces-verbaal terzake dronken rijden. Nu tellen beide zaken gelijkwaardig. Ik merk door mijn contacten in het land dat de bureaucratisering erg doorgeslagen is. Als er met de Belgen en Duitsers samengewerkt wordt, lijkt het erop dat die landen meer flexibel zijn dan wij. Wij moeten de grotere onderzoeken via weeg- en stuurploegen laten beoordelen. De Belgen en Duitsers redeneren meer vanuit het probleem. Zij kunnen daardoor eenvoudiger op een ‘hit and run’-manier reageren dan wij.’

 

De ministerraad heeft ingestemd met het voorstel van de ministers Ter Horst (BZK) en Hirsch Ballin (Justitie) over de politie. Een grotere eenheid, betere samenwerking tussen de regionale politiekorpsen en een slagvaardiger aansturing van de politie op landelijk niveau om de prestaties van de politie verder te verbeteren. De korpsbeheerders zien met lede ogen aan dat de zeggenschap over de politie naar landelijk niveau gaat. Is dit nadelig voor de aanpak van criminaliteit?


‘Ik vind het een misvatting dat er binnen een meer gecentraliseerd bestel geen aandacht zou kunnen zijn voor de aanpak van lokale prioriteiten. Delen van het beheer zouden in ieder geval moeten worden gecentraliseerd, zoals inkoop en wagenparkbeheer. Dat neemt niet weg dat je ook in die situatie het operationele proces ten aanzien van lokale problemen prima kunt blijven prioriteren. De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie kunnen zich dan juist nog meer richten op die operationele kant. Soms denk ik wel eens dat het erop lijkt dat de korpsbeheerders hun speeltje aan het kwijtraken zijn.
Waar ik nog wel graag een opmerking over zou willen maken is het voorkeursbeleid dat onder de huidige minister is geïmplementeerd. Dat stoort mij heel erg. Ik zie dat bekwame politiemanagers, die plaatsvervanger of derde man in een korps zijn, op dit moment niet meer weg kunnen naar een functie als korpschef. Daarvoor in de plaats worden minder geschikte en ervaren mensen benoemd op cruciale en risicovolle plekken in de politieorganisatie. Het is een gevaarlijke ontwikkeling als we bekwame politiemanagers verliezen doordat zij hun carrière buiten de politie gaan voortzetten. Het beleid is hier doorgeschoten.’

 

Het OM heeft tijdens de jaarwisseling in een aantal grote steden supersnelrecht toegepast om de strijd aan te binden met vandalisme en ander asociaal gedrag. Heeft supersnelrecht dempend effect op stedelijke criminaliteit, zoals mr. Van den Emster, voorzitter van de Raad voor Rechtspraak stelt?


‘Het supersnelrecht moet je duidelijk onderscheiden van het snelrecht. Ik ben zelf de initiatiefnemer geweest van de discussie omtrent supersnelrecht in de Tweede Kamer naar aanleiding van oud en nieuw 2007-2008 en van voorstellen die aan de minister zijn gedaan. Ik heb de indruk, ook na veel gesprekken met diverse mensen uit de strafrechtketen, dat het goed gegaan is met de toepassing van supersnelrecht rond deze jaarwisseling. Ik heb ook begrepen dat verschillende verdachten die zijn berecht in het kader van het supersnelrecht behoorlijk onder de indruk waren van het vastzitten en de onmiddellijke berechting. Supersnelrecht moet met name ingezet worden bij zaken waar het bewijs eenvoudig geleverd kan worden door een ambtsedig proces-verbaal van opsporingsambtenaren, dus zonder al te ingewikkelde getuigenverhoren of ander onderzoek. Bij de heterdaadzaken en incidenten met geweld en vernieling, en zeker waar het gaat om geweld tegen overheidsambtenaren en vernieling van overheidsgoederen. Het supersnelrecht kan dan niet alleen bij oud en nieuw toegepast worden, maar ook bij andere grootschalige evenementen zoals voetbalwedstrijden en bij inzet van de Mobiele Eenheid. Mensen in het veld voelen zich ook veel beter in hun taak gesteund door het supersnelrecht tijdens dit soort evenementen.
Overigens vind ik dat ook de zittende magistratuur zich nog meer moet aanpassen aan dit soort ontwikkelingen. In het weekend en de avonduren moeten er ook zittingen gepland kunnen worden als het nodig is. Het is niet meer van deze tijd om dat alleen binnen de reguliere kantooruren te concentreren. En als iemand niet bereid is om ook buiten die uren te werken, moet die maar een ander vak zoeken.’

 

Afgelopen jaar is er veel aandacht geweest voor onderwerpen op het terrein van het vrije verkeer tussen de verdachte en diens raadsman. Natuurlijk was er veel te doen over geheimhoudersgesprekken. Kort voor de jaarwisseling zijn er ook enkele uitspraken gedaan door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waaruit sommigen afleiden dat het EHRM zich uitspreekt voor een absoluut recht op de aanwezigheid van de raadsman bij het politieverhoor. Welke richting moet Nederland inslaan op dit punt?


‘Ik ken de betreffende uitspraken natuurlijk, maar laten we vooral ook naar de situatie in Nederland kijken. Naar mijn stellige indruk gaat er hier weinig substantieels mis tijdens het politieverhoor. In de eerste onderzoekstermijn van zes uur moet er niet standaard een raadsman bij het verhoor aanwezig zijn. Dat belemmert de opsporing. Een absoluut aanwezigheidsrecht van de raadsman is uit die uitspraken van het EHRM ook niet af te leiden. Ik vind dat de inverzekeringstelling het moment is waarop de raadsman toegang tot de verdachte moet krijgen en vanaf dat moment er ook bij zou mogen zijn. Het is natuurlijk zo dat de raadsman ook nu al bij het moment van de inverzekeringstelling aanwezig mag zijn, maar in de praktijk gebeurt dat vaak niet. Toegang tot de raadsman vanaf de inverzekeringstelling; daar ontkomen we ook niet aan met de jurisprudentie van het EHRM. Dat uitgangspunt zou ook steviger in ons systeem moeten worden verankerd. Tegelijk moet het niet doorschieten in een te verregaande bescherming van de verdachte ten koste van de opsporing en de positie en de rechten van het slachtoffer.’

 

Er is voortdurende aandacht voor het werk van politie en OM. Bijna onophoudelijk worden er ook door het kabinet en door de Tweede Kamer voorstellen voor beleids- of wetswijzigingen gelanceerd om de strijd tegen de criminaliteit te verstevigen. Is er niet te veel aandacht? En wat gaat nu echt helpen om de criminaliteit tot een meer aanvaardbaar niveau terug te brengen?


‘Plannen zijn er in het huidige regeerakkoord zonder meer te veel. We zijn in Nederland altijd goed in het maken van beleid, maar minder in het uitvoeren. Door dat teveel aan plannen is er voor politie en Openbaar Ministerie te weinig ruimte om plotseling opkomende vormen van criminaliteit, zoals overvallen op middenstanders, goed aan te pakken. En al die verschillende plannen gaan uiteindelijk ook niet helpen om de door het kabinet gewenste resultaten in 2011 te bereiken.
De aandacht voor het werk is begrijpelijk en in een goed functionerende democratie ook noodzakelijk. Daar moet je als politiefunctionaris of officier van justitie gewoon bewust van zijn. Kleine en grote incidenten krijgen daarom aandacht, en vormen ook weer een toets voor de juiste beroepshouding. Als je als Openbaar Ministerie in een zaak van een gewapende overval, waarin aanvankelijk vier tot vijf jaar geëist is, het dossier kwijtraakt met alle gevolgen van dien, dan moet je natuurlijk niet gek opkijken dat je het nieuws haalt en er in de Tweede Kamer vragen worden gesteld. En ik maak me zorgen als ik signalen krijg dat de politie een slachtoffer, dat door een groep Marokkaanse jongens uit de wijk in elkaar geslagen is, adviseert om de aangifte maar in te trekken omdat ze er anders nog meer last van krijgt. Ik neem een dergelijk signaal serieus. Geweld tegen burgers en hun eigendommen moet echt aangepakt worden. Uiteindelijk gaat het om de bescherming van de zwakken in de samenleving en niet om het proces ‘an sich’. Politie en Openbaar Ministerie moeten slachtoffers daarom ook goed behandelen. Daar is overigens al veel verbeterd in de afgelopen jaren. Aan de andere kant verdwijnen er op dit moment steeds meer punten voor slachtofferhulp bij de politiebureaus.’

 

Bent u van mening dat het wetsvoorstel om gebiedsverboden tegen overlastplegers en voetbalvandalen, eventueel in combinatie met een meldingsplicht, er daadwerkelijk voor gaat zorgen dat het voetbalvandalisme verleden tijd wordt?


‘Deze maatregel kan zeker helpen om die vormen van overlast enigszins te verminderen. Geef ze maar tijdens de voetbalwedstrijd een baantje in de kantine van het politiebureau. Het zijn over het algemeen gewoon heel normale jongens met een baan; een afspiegeling van de samenleving. Gebiedsverboden kunnen goed helpen bij dit soort delicten en juist bij dit soort daders. Dit geldt niet voor de aanpak van hangjongeren in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar. Die moet je via hun ouders aanpakken, bijvoorbeeld door middel van financiële druk op die ouders. Ik ben tegenstander van het ontnemen van het Nederlanderschap aan criminele jongeren met een andere etnische herkomst. Vrijwel altijd zijn die jongeren in Nederland geboren en zij hebben en houden de Nederlandse nationaliteit. Ik ben wel voorstander van de registratie van etniciteit bij bepaalde vormen van criminaliteit. Zo’n registratie moet er juist voor zorgen dat er een effectieve interventie kan plaatsvinden, die zorgt dat er minder of niet meer gerecidiveerd wordt. Neem als voorbeeld Antilliaanse jongeren: zij vinden de bajes statusverhogend, maar hebben doorgaans een hekel aan taakstraffen waarbij je hout moet hakken in een bos. Leg bij die doelgroep dan die straf op in plaats van een gevangenisstraf. Andersom geven Marokkaanse jongens niets om taakstraf, daar lachen ze om. Zij zijn juist erg gevoelig voor gevangenisstraf. Dit soort uitgangspunten gelden wat mij betreft overigens tot het moment dat iemand aan te merken is als beroepscrimineel. Aan die doelgroep, ongeacht etnische herkomst, moet bij elk nieuw delict een zwaardere straf worden opgelegd om de maatschappij langer te beschermen. En er zou vaker en ook eerder volwassenenstrafrecht moeten worden toegepast bij minderjarige veelplegers, bijvoorbeeld vanaf vijftien jaar. Dat zou meer ruimte geven voor het moduleren met de vorm en zwaarte van de straffen. En ook de openbaarheid zou daarmee gediend zijn: dergelijke zaken vinden onder het jeugdstrafrecht nu vrijwel altijd plaats achter gesloten deuren.’

 

U staat bekend als een ‘hardliner’ en ’crimefighter’ en komt als zodanig regelmatig in het nieuws met ferme uitspraken. Loopt u niet het risico dat u te veel als een ‘one issue’-politicus wordt bestempeld? En wordt u dan niet te voorspelbaar?


‘Mijn portefeuille is veel breder dan alleen de criminaliteit die in het nieuws is. Het gaat ook over adoptie, kansspelen en het civiele recht. Ik vind bijvoorbeeld de jacht op pokeren echt te ver gaan. Je moet toch een potje kunnen pokeren met vrienden. Ik heb in mijn portefeuille veel liberale onderwerpen, waaronder de adoptie van kinderen, bijvoorbeeld uit de VS, en adoptie door paren van een gelijk geslacht.’

 

U staat wel bekend als iemand die regelmatig scherpe uitspraken doet.


‘Soms zijn mijn uitspraken scherp, soms minder, maar wel altijd duidelijk.’

 

Tot slot: hebben wij vandaag de toekomstige minister van Justitie of Binnenlandse Zaken geïnterviewd?


Breed lachend stelt Teeven: ‘Dat is absoluut niet aan de orde. Ik vind het Tweede Kamerlidmaatschap een eervolle baan. Ik had als officier van justitie ook een leuke baan. Het contact met de mensen in het land spreekt mij erg aan. Ik heb in mijn politieke loopbaan al veel meer mensen ontmoet en gesproken dan in mijn tijd als officier van justitie. Voorlopig zit de VVD nog in de oppositie en moet er hard gewerkt worden. We zien wel wat de toekomst brengt’.

Bron: Het Tijdschrift voor de Politie, 200, jrg. 71, nr. 2

0 reacties

Reageer op dit artikel