'Hijgerigheid leidt tot slordigheid' Interview met Ronald Bandell
Eind januari 2010 neemt hij afscheid als burgemeester van Dordrecht. Naast zijn ambt als burgemeester is Ronald Bandell reeds jaren korpsbeheerder van de politie Zuid-Holland Zuid, voorzitter van de Drechtsteden, lid van de Stuurgroep Internationale Politiesamenwerking, lid van de commissie Veiligheid van de VNG en voorzitter van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters. Bandell was eerder, sinds 1977, burgemeester in Moordrecht, Papendrecht en Alkmaar. We spreken Bandell over zijn ervaringen met de politie, lokale veiligheid en het burgemeesterschap als ambt.
Wat vindt u van het huidig functioneren van de Nederlandse politie?
‘Over het algemeen doet de Nederlandse politie het heel goed. De berichtgeving in de media is echter bijna altijd sensationeel. Met name als het niet goed is gegaan, zoals bij de Hoekse rellen, komt dit buitengewoon groot in het nieuws. Het feit dat voetbalwedstrijden waar supporters rellen trappen, uitstekend verlopen en dat de politie dit met alle partners perfect voorbereidt, dat is gewoon geen nieuws. Dat is vanzelfsprekend, dat hoort ook zo te zijn. Kranten zijn bijna teleurgesteld als het goed loopt, er is een soort begerigheid naar het uit de hand lopen van evenementen. Dat is toch eigenlijk raar. Mensen vragen waarom ik die wedstrijden niet verbied. Ik ben niet te beroerd dit te doen, maar er moet wel aanleiding toe bestaan. We laten ons niet alleen op geruchten en dreigementen van een paar mensen grenzen stellen.
Over het algemeen presteert de Nederlandse politie goed. De prestatieafspraken hebben hierin een belangrijke rol gespeeld, al hebben de ministers Remkes en Donner hiervoor nooit veel credits gekregen. We zien dit, in Dordrecht, terug in de reductie van onder andere de aangiftecriminaliteit wat in hoge mate te danken is aan slimmer politiewerk. De professie heeft zich de afgelopen tijd ook goed ontwikkeld. De aandacht voor de professie, de zorg dat het echte professionals zijn, is wezenlijk. Maar ook op het gebied van de opsporing worden goede resultaten geboekt. We hebben ook een politie die behoorlijk maatschappelijk betrokken is. Be good and tell it, wees trots op het vak en de resultaten. Ik ben er trots op.
Het sturen op de prestaties was ook nodig. De reorganisatie die we hebben gehad in 1994 is dankzij minister Dales met stoom en kokend water neergezet. Er was een moment nodig waarop de nieuwe beoogd korpschefs vast met de minister werden gepresenteerd. Het kost echter tijd om organisaties bijeen te brengen, hier bleken de culturen van de Gemeentepolitie en de Rijkspolitie diep te zitten. Als je dat moet samenvoegen, is het een immense operatie die fantastisch verlopen is, maar veel energie kostte. Dat heeft er wel toe geleid dat de politie heel erg met zichzelf bezig is geweest. We zagen dat het concept van de regionale politie er lag, maar de politie stond nog niet. Dat heeft in de tweede helft van de jaren negentig zeker tot een dip in de productiviteit geleid.
Toen dat voorbij was, kwam de tijd van de prestatieconvenanten. Ik heb altijd geroepen dat het niet te ingewikkeld gemaakt moest worden. Als er convenanten komen met 49 prestatie-indicatoren, dan haak ik af. Het is bijna al niet uit te leggen, en dat geeft rare toestanden. De korpschef heeft tegenwoordig meer overleg op het departement dan met de korpsbeheerder. Dat is niet goed in een regionaal stelsel. Een gesprek van de korpsbeheerder met de minister en de ambtelijke top is meer effectief. We hebben gehaaide bestuurders in het land, maar we bedenken te veel verantwoordingssystematieken. Ik was in Ierland waar de politie na een week werken, een uur administratie deed. Het waren gouden dienders, het kan dus wel. We moeten de mensen in de frontlinie niet extra belasten met de administratie en zoeken naar slimmere verantwoordingsmechanismen.
De Nederlandse politie heeft de reorganisatie behoorlijk overleefd, nu is het belangrijk de slag naar professionaliteit te borgen en te zoeken naar moderne vormen van criminaliteitsbestrijding. Belangrijk is dat de politie en het bestuur hierin samenwerken. De politie verdient gezag dat oprechte belangstelling heeft voor de politie.’
Ziet u momenteel bij de nu beoogde wijziging van de Politiewet een haast, die te vergelijken is met begin jaren negentig?
‘Ik zie helaas geen inhoudelijke haast, het is hijgerigheid. Hijgerigheid leidt tot slordigheid. De Wet op de veiligheidsregio’s is nog niet door de Eerste Kamer, de Ambulancewet is nog niet afgerond en toch gaat het wetsvoorstel Politiewet naar de Tweede Kamer. Ik ben voorstander van goede wetgeving, vooral in het veiligheidsdomein. Er komt veel slordigheid voor in wetgeving. In de Politiewet is het belangrijk dat we de bovenbouw goed regelen, maar in het huidige wetsvoorstel moet de positie van het KLPD scherper en wordt geen antwoord gegeven op de vraag hoe korpsbeheerders ook het beheer van de politie moeten besturen. Daar is tijd voor nodig. Ik zie bij de ministers van BZK en Justitie gezamenlijk een te weinig afgestemde en inhoudelijk gedragen visie op het veiligheidsdomein. Hierbij zie ik het gevaar dat de politie zich verwijdert van de activiteiten in de veiligheidsregio, wat nog wordt versterkt door het idee van het vormen van grotere politieregio’s.
De verbinding met het openbaar bestuur blijft voor de politie van groot belang. De veiligheidsregio’s beginnen nu op stoom te komen, de brandweer en ambulanceregio’s zijn bijna allemaal congruent aan de politieregio’s wat een bestuurlijk mooi model geeft. Omdat de politie als grootste operationele organisatie veel slagkracht heeft moet zij, onder bestuurlijke verantwoordelijkheid, trekker zijn van het regionaal veiligheidsbeleid. Als we niet oppassen, zijn we de politie van de veiligheidsregio aan het organiseren. Ook met bijvoorbeeld de bovenregionale samenwerking blijft altijd de vraag hoe je handen en voeten geeft aan het gezag van de burgemeester waar het gaat om openbare orde en veiligheid in de gemeenten afzonderlijk. Ik ben voorstander van een regionaal bestuur om hiermee krachten te organiseren en disciplines meer natuurlijk met elkaar te laten samenwerken. Maar op landelijk niveau zien we toch tegengestelde bewegingen. We gaan het MD-beleid van politie en brandweer weer loskoppelen, ik vind dat echt een gemiste kans terwijl we op lokaal niveau op nieuwjaarsnacht met politie en brandweer gezamenlijke surveillances organiseren. Dat is heel natuurlijk aan de basis ontstaan. De ontwikkeling en kennis komen uit het vak. Korpschefs horen ook uit het vak te komen, dit is bijna vloeken – maar ik vind dat je de taal van je mensen moet spreken.’
Staat deze samenwerking op de tocht als de politie geraakt wordt door alle bezuinigingen?
‘De politie is altijd een ketengerichte organisatie geweest. Al is de politie niet de regisseur van de keten, het is wel de politie die signaleert en vaak de hulpverleners aan tafel roept. Dit leidde in het verleden tot goede initiatieven als de aanpak van veelplegers, verslaafden, schoolverlaters, horeca. Ze staan in de frontlinie en zijn professional.
Maar het is niet alleen hulpverlening, de politiemens is niet voor niets drager van het politiezwaard. Wie niet horen wil, moet soms voelen. We vragen geen geitenwollensokkenaanpak, maar handhaving vanuit een brede functie. In de samenwerking binnen de gemeente is het goed dat een korpschef nadrukkelijk eisen stelt aan de gemeente en instellingen. Dit kan alleen vanuit een positie van vertrouwen. Niet over de schutting gooien, maar signaleren.’
En doet de Nederlandse politie de goede dingen op het gebied van internationale politiesamenwerking?
‘Dat is een lastige vraag, Nederland is een klein land. In de loop van jaren werken Binnenlandse Zaken en Buitenlandse Zaken langzamerhand goed samen. De oprichting van NCIPS (Nederlands Centrum voor Internationale Politiesamenwerking) indertijd was verschrikkelijk, dat was de Haagse werkelijkheid. Dat is absoluut veranderd. De STIPS (Stuurgroep internationale politiesamenwerking, het afstemmingsoverleg over internationale politiepolitiesamenwerking tussen het politieveld en de ministeries van BZK, Justitie en Buitenlandse Zaken) is een ordentelijke club geworden. Internationale politiesamenwerking is normaal, we werken aan ondermeer de training en de rechtspositie van mensen die internationaal optreden. We zien bij het KLPD goede ontwikkelingen en ieder korps heeft nu een functionaris internationale betrekkingen. Het is belangrijk dat we veel energie inzetten op de contacten met de naaste buren.
Is er voldoende focus?
De vraag is of de invloed op de permanente vertegenwoordiging vanuit de Nederlandse politie voldoende is geborgd, of we de zaken met liaisons en ambassaderaden meer effectief en efficiënt kunnen organiseren uitgaande van de vraag wat we nu eigenlijk precies willen. We gebruiken de structuren voor de 20e eeuw in plaats van die van de 21e eeuw. Daar moeten we meer over nadenken, we moeten in de korpsen ook meer doen aan internationalisering. Het moet normaal zijn dat de strategisch leiders van de Nederlandse politie ervaring hebben opgedaan in het buitenland, dat mensen die internationale rechtshulpverzoeken behandelen hier kennis van hebben. Van stages en uitwisselingen kunnen we heel veel leren, soms ook hoe het niet moet. Het opsnuiven van ervaringen kost geld maar is belangrijk omdat het bijdraagt aan de eigen reflectie. Het is een Rijkstaak dit te bevorderen. ‘
Hoe is het gesteld met de betrokkenheid van gemeenteraden bij de politie?
‘In praktijk zie ik dat de verantwoordelijkheid van de burgemeester voor de politie te snel naar de korpsbeheerder gaat. Dat is toch een ernstig misverstand. De structuur moet er aan bijdragen dat de gezagsrol van de burgemeester in openbare orde en veiligheid ook kan worden ingevuld. De informatievoorziening naar de burgemeester is echter slecht, ondanks wat de minister zegt over het niet aantasten van de gezagsrol van de burgemeester. De politie-informatie is voor de burgemeester nodig voor de invulling van de gezagsrol en in de verantwoordingsplicht naar de gemeenteraad. Ik maak mij daar zorgen over. Het gezag is wezenlijk, gezien het geweldsmonopolie van de politie. Openbare orde en veiligheid is core business van de burgemeester.’
In de NGB jaarrede gaf u aan dat de burgemeester verwordt van ambtsdrager naar politiek bestuurder, wat bedoelt u daarmee?
‘De burgemeester heeft veel bevoegdheden. Er is onlangs een rapport verschenen waarin staat dat de burgemeester meer bevoegdheden moet krijgen. Ik zie echter geen taken voor de burgemeester in zaken waar ook het strafrecht wordt ingezet. Dat is bijvoorbeeld bij oplegging van het tijdelijk huisverbod of woonplaatsweigering. Het wordt vaak toegepast. In de praktijk blijkt nu bijvoorbeeld dat er bij toepassing van het tijdelijk huisverbod altijd samenloop is van bestuursrecht en strafrecht. Is het dan wel nodig dat wij daar als burgemeesters over gaan? Ik wacht verder de evaluatie af van de noodzaak van de extra bestuurlijke bevoegdheden.
Kijk eens naar de ondertiteling van de burgemeester bij het Journaal, daar staat tegenwoordig de politieke partij bij. De burgemeester heeft echter meerdere rollen, moet tussen en boven de partijen staan, een ambtsdrager zijn waarop burgers kunnen vertrouwen. Een burgervader of burgermoeder heeft gezag door zaken formeel en informeel te kunnen behandelen. Je bent een vertrouwensman voor veel mensen in de gemeente, soms een ombudsman. Gezag moet je verwerven, autoriteit krijg je bij de wet. Waar we behoefte aan hebben, is publiek leiderschap. De burgemeester moet een beetje saai zijn, betrokken en onkreukbaar. Je moet wel reageren op de actualiteit van de dag, maar we zijn niet van de waan van de dag. Soms moeten we eerst kijken wat er aan de hand is, voordat je handelt.
Er worden hoge eisen aan het ambt gesteld. Kan dit alles op de schouders van de burgemeester rusten? En die van de loco-burgemeester? Ik houd een pleidooi voor een zekere terughoudendheid, het is een brede functie, je bent generalist maar daarbij moeten we zorgen voor effectieve bevoegdheden.’
Een mijmering
‘Eigenlijk hebben we best een mooi stelsel, los van het gerommel in de bovenbouw. We denken te veel dat we zaken voor de eeuwigheid regelen. Kijk naar wat werkt, denk niet in eindbeelden. Zekerheden zijn betrekkelijk, en dat geeft een rustig gevoel.’

Reageer op dit artikel