We beseffen onvoldoende dat veiligheid een groot goed is’ Interview met de heer W.J. Deetman
Wim Deetman is een bestuurder pur sang. Hij was staatssecretaris, minister van Onderwijs & Wetenschappen, lid en voorzitter van de Tweede Kamer, burgemeester van Den Haag en voorzitter van de VNG. Momenteel is hij werkzaam bij de Raad van State als adviseur van de regering op wetgeving en bestuur, en bestuursrechter. Wim Deetman kent de politieorganisatie goed; twaalf jaar was hij naast zijn burgemeesterschap korpsbeheerder van de regio.Haaglanden.
Frank Petter en Marjan Hanrath bevragen hem over zijn betrokkenheid bij de publieke zaak, zijn visie op veiligheid en de actuele ontwikkelingen bij de Nederlandse politie
In uw gehele carrière bent u betrokken geweest bij de publieke zaak. Wat is en was uw motivatie?
‘Wil je werken voor de publieke zaak, dan moeten hier elementen in zitten die je boeien. Ik heb politicologie gestudeerd vanwege mijn interesse in het reilen en zeilen van het publieke domein. Wat boeit is subjectief. Mij interesseert ten eerste de breedte en gevarieerdheid, en ik heb over een heel breed front de kans gehad in het publieke domein te mogen opereren en kwam in aanraking met een ongelofelijke geschakeerdheid aan onderwerpen. Ten tweede, je bent niet voor jezelf bezig – het rendement van je werk is voor de burgers. En daar past het woord ‘dienstbaarheid’. In de tijd van het denken vanuit de markteconomie werd te gemakkelijk aan deze dienstbaarheid voorbijgegaan. Het geeft verplichtingen voor de overheid en de mensen die daarin werken. Het punt van de dienstbaarheid is essentieel, het is meer dan vanuit jezelf kijken wat mooi is of belangrijk. Het is niet van jou.
Ja, om die dienstbaarheid gaat het ook in de missie van de Nederlandse politie. Het zit in het dagelijks werk van de politie, je ziet dat dit vaak met overtuiging gebeurt. Niet alleen bij politie, ook in ziekenhuizen en bij vrijwilligers. Het heeft te maken met verantwoordelijkheidsgevoel en eigenlijk ten diepste het besef dat je op elkaar bent aangewezen. Dat je elkaar terzijde kunt staan.’
U stelde eerder dat het paradigma van de controle vervangen is door het paradigma van veiligheid. Is het uitgangspunt van controle onvoldoende gebleken?
‘Ik zie een merkwaardige behoefte aan toezicht en controle, zowel bij burgers als overheden. We leven in een samenleving waarin we veel controlemechanismen inbouwen. Ook bij de departementen zien we een bijna intrinsieke neiging te controleren, teneinde te kunnen ingrijpen. Blijkbaar bestaat de veronderstelling dat het dan wel goed gaat. Ik denk dat hierin meer balans nodig is, en respect voor degene die acteert. Ik denk dat je dan ook verder komt, eerder je doelen bereikt.
We zien eenzelfde beweging op het terrein van veiligheid. We zien de vraag om een garantie op absolute veiligheid. Of het nu gaat om criminaliteitsbestrijding waar de politie zich mee bezighoudt, of terreurbestrijding waar veel verworvenheden en vrijheden worden ingeleverd. Maar een samenleving is niet risicoloos, ook de moderne samenleving niet. We beseffen onvoldoende dat veiligheid een groot goed is, maar dat absolute veiligheid nooit heeft bestaan en nooit zal bestaan. Misschien moet je dat ook niet willen. Natuurlijk, als er iets niet goed gaat, is dat voor de verantwoordelijken geen reden om stil te zitten maar moet altijd de vraag worden gesteld wat hiervan geleerd kan worden.
De burgemeester wordt vaak geconfronteerd met veiligheidsverlangens. De burgemeester kan absolute veiligheid niet garanderen, al is deze boodschap naar burgers soms moeilijk. Het is wel belangrijk open te durven zijn in de communicatie naar burgers, bijvoorbeeld waar infrastructurele maatregelen worden getroffen kan dat consequenties hebben voor de aanrijdtijden van hulpdiensten. Burgers moeten weten wat de risico’s zijn, daarom is dit ook een gespreksonderwerp in de gemeenteraad.
In de jaren zestig en zeventig is het gevoel opgekomen dat ‘alles moet kunnen’ waarmee we op de glijbaan zijn gekomen. Kleine criminaliteit ging hoogtij vieren. Er komt echter een moment dat het totaal te veel wordt en dat men het niet meer pikt. De oplossing is echter niet eenvoudig. Voor bestuurders is het belangrijk problemen tijdig te onderkennen. Bij iedere beleidsnota van de gemeente moeten we eigenlijk de vraag stellen: waar hebben we het laten zitten zodat nu een oplossing nodig is? Het is het bestuurlijke handwerk de latente ontwikkelingen in kaart te brengen door oog te hebben voor menselijke verhalen en problemen, hierop te sturen en bij te sturen. Besturen is eigenlijk als het besturen van een auto, af en toe moet worden bijgestuurd om niet in de sloot of vangrail te belanden.’
En wat betekent het hanteren van het paradigma van veiligheid voor Nederland en de Nederlandse politie?
‘De deregulering begon in de jaren tachtig. Toch hebben we allemaal de indruk dat we nog evenveel regels hebben. Bij problemen in de openbare orde en veiligheid hoor ik bestuurders vaak zeggen dat we meer regelingen of bevoegdheden nodig hebben. Dit is echter niet altijd de oplossing, vaak moeten we gewoon aan de slag en zit de oplossing in het eerder genoemde bestuurlijke handwerk van alledag. De samenleving is geen machine, altijd moeten we inspelen op nieuwe verschijnselen. Toch wordt ook veiligheid vaak in termen van controle gedefinieerd, in termen van sturing. De politie heeft hier last van. Het is nog moeilijker geworden vanwege de introductie van het volstrekt niet te controleren begrip van ‘subjectieve veiligheid’. Men is van mening dat ‘het’ allemaal beter moet worden, de politiefunctionarissen komen daarmee in een bijna onmogelijk te vervullen taak waarin tegenstrijdigheden de boventoon voeren.’
Maar wie is verantwoordelijk voor veiligheid?
‘De burgemeester. Je kunt niet alles, maar wel veel. Als de burgemeester wil, is hij voldoende geëquipeerd. Voor openbare orde en veiligheid is het belangrijk dat de burgemeester luistert naar de mensen op straat. De burgemeester moet ook worden geflankeerd door ambtenaren op het stadhuis die de burgemeester hierbij terzijde staan. Deze ambtenaren zijn ook de contactpersonen van burgers, politie en anderen naar de burgemeester. Dit valt weg als de aanpak van veiligheid wordt genationaliseerd. De aanpak van veiligheid, criminaliteitsbestrijding, het gebeurt op straat onder onze ogen. Het gebeurt in onze gemeenten, daar zitten wij bij. Met inzet en overgave kunnen we veel betekenen, we hebben immers veel bevoegdheden. Belangrijk is hoe om te gaan met de bevoegdheden, dit moet de burgemeester goed organiseren.’
De komende jaren moet de politie fors bezuinigen; welk advies geeft u, vanuit uw ervaring met bezuinigingsoperaties, aan de top van de Nederlandse politie?
‘In de tijd van het kabinet Lubbers I was de samenleving niet toe aan bezuinigingen. Ik heb minder omgebogen dan mijn opvolger. Maar ik was de eerste die zo sterk ingreep. Je moet oppassen met een vergelijking toen en nu. De financiële problemen waren groot, het financieringstekort en de inflatie liepen op, en we hadden een hoog percentage werkloosheid. In de huidige kredietcrisis zien we dat de westerse landen veel schulden hebben opgebouwd, dit is een van de redenen waarom nu en straks bezuinigd moet worden. Verder zullen er tegenvallende belastinginkomsten zijn, stijgende uitgaven in verband met de werkloosheid en mogelijk inflatie. Dat is iets waar je je mentaal op in moet stellen. Het geld is op, we hebben geen keuze. Ook niet bij de politie. Het risico bij bezuinigen is echter dat je geen prioriteiten en posterioriteiten stelt, en dus de kaasschaafmethode wordt gehanteerd. Ik begrijp de minister, ik benijd haar niet. Maar ze moet keuzes maken. De bezuinigingen mogen de organisatie niet kapot maken, vanwege de kwaliteit van het werk moet je durven kiezen. De samenleving heeft hier recht op, ofschoon het maken van heldere keuzes ook verzet zal oproepen.’
Heeft de politie de afgelopen tien jaar wel hard genoeg gewerkt aan haar financiële problemen?
‘Sinds 1999 hebben we veel nieuwe politiediensten ingericht. We gingen meer doen en er gingen geen taken af. Maar bij dit soort bedragen is het wegknippen van franje onvermijdelijk. Dus stel je de vraag: wat doe je wel als politie, en wat doe je niet? Dat is lastig, daar krijg je scherpe politieke discussies door. Maar vanwege de kwaliteit moet je hier doorheen. Kan dat op het terrein van de politie? Ja, maar vanwege mijn lidmaatschap van de Raad van State zal ik hierover in het openbaar geen uitspraken doen.
Het doorvoeren van grote of kleine bezuinigingen is vaak ook een goede aanleiding om de stofkam door de organisatie te halen. Je haalt hier vaak structureel veel uit. Het helpt het besef dat we werken met publieke middelen. De bestuurders moeten waken voor de kaasschaafmethode. Echter, het feit dat er geen geld is maakt het soms gemakkelijker om veranderingen en vernieuwingen door te voeren. Een dergelijk moment kan mensen motiveren, naast het gegeven dat het verzet oproept.
In de jaren tachtig was er in de tijd van bezuinigingen weinig oog voor vernieuwing en innovatie. In tijden van bezuinigingen is het echter belangrijk niet alleen te snijden, het is meer snoeien: het stimuleren van groei door snijden. Dat geldt in zekere zin ook voor de politie. Ik acht de korpschefs en korpsbeheerders prima in staat om met goede ideeën te komen. Je moet wel eerlijk zijn over wat niet mogelijk is, of pas later kan. Burgers zijn immers niet dom, zij voelen de problemen feilloos aan.’
Brengt het kabinetsstandpunt ons dichter bij een veilig Nederland?
‘Ik heb al eerder gezegd dat de betrokkenheid van de burgemeester – niet de korpsbeheerder bij de politie – bij deze centraliserende tendens onmiskenbaar moeilijker wordt. De korpsbeheerder is aangesteld als verantwoordelijke voor het beheer van het korps. De korpsbeheerder is niet verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid in de regio. Dit is de taak van de burgemeester in zijn gemeente, of, indien dat aan de orde is, collegiaal binnen het regionale college. Veiligheid is een zaak van de burgemeester en de gemeenteraad, ook een organisatie als de VNG komt hier om de hoek kijken. Een organisatie als het KBB moet zich allereerst concentreren op de beheersaspecten van de politie.
Het werken aan efficiency hoeft echter niet de autonomie van het korps te raken, maar vraagt om samen doen waardoor het efficiënter en beter gaat. Dat betekent dat je samen de verantwoordelijkheid deelt. Het is echt een misverstand dat dit ook verlies aan autonomie betekent. Als voorzitter van het Korpsbeheerdersberaad heb ik me destijds ingespannen voor het human resources beleid, ik heb met kracht verdedigd dat je dan iets nodig hebt wat je samen runt waarbij de minister politiek verantwoordelijk is. Maar als je dat goed vormgeeft, hoeft dat de autonomie niet aan te tasten. Dat is toen ook geïmplementeerd. Dat geldt ook voor ICT. Ook op dat gebied hebben de korpsen baat bij de samenwerking. Ook als het gaat om financiële richtlijnen zie ik niet in dat daar de zaak niet wat strakker kan, huisvesting idem. Het is niet zo dat de vrijheden van de korpsen worden aangetast. Je moet een beetje praktisch zijn, niet te gedetailleerd worden. Een huisstijl moet niet zodanig worden doorgevoerd dat zelfs de laatste knoop op het uniform wordt voorgeschreven. Er moet leefruimte in zitten.’
Afscheid als burgemeester/korpsbeheerder
‘Het burgemeesterschap is een mooi ambt. Het was een moeilijke beslissing om te stoppen. Maar we hadden het over dienstbaarheid en bestuurlijk handwerk. Het is ook bestuurlijk handwerk te weten wanneer je te lang achter het stuur zit. In een auto gaat dit ook fout. Je moet op tijd van achter het stuur vandaan, anders maak je brokken…’

Reageer op dit artikel