De staat van de politie

Door Jaco van Hoorn, plv. politiechef Eenheid ZWB en hoofdredacteur TvdP, 31 augustus 2015 14:13 uur1 Waardering:

De staat van de politie Als we naar de resultaten kijken, doet de politie het goed. Maar het is niet de opbrengst van het werk zelf die kopzorg geeft, maar meer de inmiddels alom losgebarsten discussie over de staat van de Nederlandse politie. Een long read over hoe het beter kan.

Ik schat in dat veel mensen die bij de politie betrokken zijn, net als ik toe waren aan vakantie. Niet omdat het reguliere werk onder bijzondere druk staat. De veiligheidsontwikkeling is nog altijd positief. High-impact-crimes komen steeds minder vaak voor en vanuit het zuiden van het land komen voorzichtig positieve geluiden over successen in de georkestreerde aanpak van de ondermijningsproblematiek. Als we naar de resultaten kijken, doet de politie het goed. De onrust betreft andere zaken. Ik heb de achterliggende periode benut om daar eens wat dieper over na te denken.


Falende organisatie?

Het is niet de opbrengst van het werk zelf die kopzorg geeft, maar meer de inmiddels alom losgebarsten discussie over de staat van de Nederlandse politie. Met grote regelmaat lezen we van onderzoeken of meer en minder gezaghebbende personen die reflecteren op de vraag hoe het gaat met de politie. De kritische rapporten van eind vorig jaar van de Inspectie van Veiligheid en Justitie en de Commissie Toezicht Beheer Politie, samen met een rapport over ICT en een TNO-onderzoek naar ziekteverzuim, vormden de opmaat naar een breed gedeelde conclusie dat het met de wording van de Nationale Politie niet voor de wind gaat. De commotie in pers en politiek leidde tot de herijking van het realisatieplan. Het was vervolgens opmerkelijk om te zien hoe een aantal – gelekte – conceptversies steeds opnieuw veel ophef veroorzaakten, alsof schijnbaar nieuw bewijs gevonden was voor een falende organisatie.


Onrust op de werkvloer

De personele reorganisatie maakt het beeld niet sterker. Veel politiemensen willen eindelijk duidelijkheid. Ondanks de inzet van gezaghebbende kopstukken als Vreeman, Jongerius en Meijboom wordt in de laatste fase van de herplaatsingsprocedure met het opleveren van het concept plaatsingsplan opnieuw de tijdlijn aangepast. Zorgvuldigheid gaat voor snelheid, lezen we steeds weer, maar ‘we wachten lang en horen weinig’ is de inmiddels gerechtvaardigde de klacht die daar tegenover staat. 


En dan is er de CAO. Een traject dat zich kenmerkt door een lange adem. Op een gegeven moment werd daarin stevig de kaart van de ‘losgezongen’ korpschef gespeeld, die niet zou weten wat er op de werkvloer leeft. Ook dat kreeg ruime media-aandacht met koppen als: ‘Weinig vertrouwen in politietop’. Dat was jammer, want het was op de man – en dan nog de verkeerde ook – en niet op de bal…


Toen dat niet het gewenste effect bleek te hebben, worstelden de bonden met de vraag hoe een geloofwaardige vuist gemaakt kon worden zonder de goodwill van het publiek te verspelen. Er was immers de broodnodige sympathie onder de bevolking, totdat het wielerliefhebbende deel de voorgenomen acties rond de Tour de France een brug te ver vond gaan en ook de voetbalacties op afkeuring konden rekenden. Dan toch maar brede acties die burgers raken, door ‘niet-spoedeisende meldingen’ niet meer op te volgen?


Het functioneren van de politie

Een nieuwe dimensie in de inmiddels breed op gang gekomen discussie over de politie werd zichtbaar toen Michiel Princen de kwaliteit van het recherchewerk ter discussie stelde. Zowel van buiten als van binnen de politie kreeg Princen bijval, maar ook tegenspraak. Feit was wel dat de discussie zich nu ging toespitsen op het functioneren van politiemensen zelf.


Dit werd veel sterker toen in Den Haag een zich verzettende man tijdens een arrestatie het leven verloor. Het leverde reacties van afschuw op. De impact ervan kreeg nog veel meer lading toen er in de Haagse Schilderwijk rellen uitbraken en de gebeurtenis werd gekoppeld aan het vraagstuk van etnisch profileren. Ook dit thema deed veel stof opwaaien, eveneens binnen en buiten de politie. Het beeld keerde toen bleek dat bewoners van de Schilderswijk zij aan zij met de politie de rust in de wijk terugbrachten. Maar de discussie bleef en die ging een opmerkelijke richting op, toen bijna smekend werd gevraagd of de politieleiding nu eindelijk eens wilde toegeven dat etnisch profileren door de politie wordt toegepast.


Het feit dat het antwoord op de vraag of politiemensen discrimineren nog steeds in de lucht hangt, vind ik niet erg, want dat betekent een feitelijke bevestiging noch ontkenning ervan. Hoe zou het publieke debat zich ontwikkelen als de politieleiding op de ene of juist op de andere uiterste positie zou gaan zitten? Hoe dan ook, het vraagstuk van diversiteit heeft een nieuwe impuls gekregen, ook hier weer binnen de politie maar ook daar buiten, blijkens de ingezonden brief van Tweede Kamerlid en oud korpschef en oud-portefeuillehouder diversiteit Magda Berndsen in de Volkskrant van 16 juli jl.


Deugen dienders?

Kort en goed, de nieuwste dimensie in de discussie over de staat van de Nationale Politie gaat uiteindelijk over de vraag of politiemensen zelf wel deugen. Ging het eerst over de organisatie en daarna over de politieleiding, nu gaat het over politiemensen zelf. Rechercheurs presteren ondermaats. Politiemensen op straat handelen vooringenomen of zelfs racistisch en bovendien te gewelddadig. Steeds makkelijker vinden klagers hun weg naar de kranten, die de nodige kolommen beschikbaar stellen. Het aantal filmpjes op internet met beelden van kennelijk ongepast politieoptreden neemt toe. Rijksrecherche-onderzoek of niet, in de publieke opinie wordt het oordeel over de rechtmatigheid van het optreden binnen enkele uren gevormd. En deskundologen schromen niet om, georkestreerd door advocaten en ver voordat de rechter zich heeft uitgesproken, tot oordelen over politieoptreden te komen in termen van ‘a-moreel’ en ‘waardeloos’, zoals emeritus-hoogleraar Derksen en rechtspsycholoog Peter van Koppen pas deden in de Kaatsheuvelse moordzaak. 


Beeldvorming

Tegelijkertijd zien we een toename van het aantal filmpjes en blogs dat door of namens de politie gepost wordt en die een indruk geven van hoe moeilijk politiewerk kan zijn en de moed die nodig is om dit vak uit te oefenen. De eenheid Rotterdam neemt hierin het voortouw, maar we herinneren ons ook de beelden van de steekwonden van de agent uit Leerdam.


De politie krijgt ook veel steun. De agent uit Veghel, die veroordeeld werd voor ongeoorloofd vuurwapengebruik tegen een inbreker, kreeg massaal financiële steun na nota bene een oproep van Geen Stijl. Dan hebben we ook nog de motorrijder uit Almere die de jongen liet mee rennen en die, tot verbazing van iedereen, massaal waardering kreeg.


En wat te denken van de collega van de aanhoudingseenheid uit Kerkrade, die na een schot tijdens een aanhouding wegens poging doodslag werd veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf. Een uitspraak die – ook hier weer binnen en buiten de politie – veel stof deed opwaaien. De korpschef, Gerard Bouman, en de politiechef, Gery Veldhuis, spraken hun ontzetting uit en een spontane door burgers opgezette handtekeningenactie voor onze collega gaf al snel duizenden steunbetuigingen.


Inmiddels zijn de twee collega’s uit Rotterdam in de zaak van de dood van Michael Stok ontslagen van rechtsvervolging, maar ook dat blijft niet zonder discussie. In Vrij Nederland van 4 augustus zegt advocaat Henk Kersting dat de rechtbank eens moet ophouden agenten de hand boven het hoofd te houden. De korpschef wil echter dat politiemensen worden beoordeeld op een correcte toepassing van de ambtsinstructie.


Vertrouwen

‘De agent als boeman of als beste vriend. De strijd om de beeldvorming wordt nu op het scherpst van de snede gevoerd. De politie moet wel’, zegt Henri Beunders, hoogleraar ontwikkelingen in de publieke opinie aan de Erasmus Universiteit in het NRC Next van 17 juli 2015. ‘De politie heeft het vertrouwen van de burgers nodig’.


Zijn opmerking veronderstelt, zeker gelet op wat hierboven allemaal is weergegeven, dat het vertrouwen in de politie onder druk staat. De vraag is of dat echt zo is. Net voor de zomer verscheen de uitkomst van de landelijke vertrouwens- en reputatiemonitor, uitgevoerd door de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Er is, zo blijkt, veel waardering voor politiemensen. Burgers en samenwerkingspartners vinden politiemensen moedig, onpartijdig en betrouwbaar. Partners vinden politiemensen goed opgeleid en opvallend loyaal en gemotiveerd. Politiemensen zelf hebben de overtuiging dat ze met hun werk bijdragen aan een veiliger samenleving. Het vertrouwen in de politie is onverminderd hoog en zelfs licht gestegen ten opzichte van eerdere vergelijkbare metingen.
 

Er komen ook aandachtspunten naar voren, zoals de manier waarop persoonlijk contact wordt gemaakt bij meldingen en aangiften en de zichtbaarheid in de wijk. Ondanks deze meer kritische noten is het beeld overwegend positief en tegelijkertijd in contrast met wat hierboven over de maatschappelijke sentimenten is weergegeven. Kennelijk weerspiegelt het maatschappelijk debat niet de meer positieve waardering die dieper in de samenleving wordt beleefd.


Toenemend debat

Wat kunnen we, beschouwend, zeggen? Allereerst dat het debat over de staat van de politie zich lijkt te verhevigen. Onder de titel ‘Willen we een hard of een zacht politiekorps’, schreef Gerlof Leistra over het onderwerp in Elsevier van 8 augustus. Het antwoord is niet eenduidig te geven, concludeert hij, maar de ingrijpende reorganisatie doet het werk en de reputatie van de politie geen goed. Veel vaker horen we of lezen we opvattingen over de Nationale Politie als geheel en over de effecten van de omvorming naar Nationale Politie zoals die merkbaar worden in de lokale situatie. Denk maar aan de mediaberichten over bureausluitingen en kennelijke oplopende aanrijtijden. En, zoals gezegd, sinds enige tijd gaat het ook in toenemende mate over het optreden van onze politiemensen zelf.


Publieke meningsvorming

We zien daarbij wel dat publieke meningsvorming een ingewikkeld proces is. De discussie over de politieorganisatie staat kennelijk verder van mensen af dan de discussie over de politiemensen. We zien in de beeldvorming over politiemensen een veel scherpere profilering op de uitersten, namelijk nadrukkelijke afkeuring of juist steun. Opvallend zijn de in aantal toenemende pogingen vanuit de politie zelf om bijzonder politieoptreden over het voetlicht te brengen, kennelijk om daar mee de gunst van het publiek te winnen. Overigens gebeurt dit ook spontaan; zo werd de foto van de twee troostende politieagenten na het fatale hondengevecht van begin augustus in Den Haag ruim op internet gedeeld.


In het Tijdschrift voor de Politie van deze maand geeft Menno van Duijn een mooie verhandeling over publieke oordeelsvorming en de reactie van autoriteiten daarop. Hij spitst dit toe op de soms onlogische maatschappelijke reacties op de verschillende (mini-)crises die zich voordoen. Er zijn parallellen te trekken met incidenten waar politiemensen bij betrokken zijn en die de nodige media-aandacht oproepen. Beelden zijn snel gezet.


Perverse werking

Van Duijn wijst erop dat ook onderzoeksraden en inspecties en andere gezaghebbende instanties bijdragen aan deze reacties. Vanuit het maakbaarheidsideaal is er voor pech geen plaats, dus zijn er bij rampen en ongelukken altijd schuldigen aan te wijzen. Na langdurig en intensief onderzoek worden afgewogen conclusies getrokken over wat beter had gemoeten en zo er al nuance in de eindrapporten zat, worden in de media de harde (kanten van de) conclusies onverbloemd op tafel gelegd.


De effecten hiervan hebben soms een averechtse en niet zelden perverse werking, want ze leiden tot verwording van goed professioneel handelen. Saillant is de waarneming in het artikel dat evenementenvergunningen meer bepalingen over aansprakelijkheid dan over risicobeheersing bevatten. Mensen gaan risico’s mijden. We zien daar ook iets van bij de politie. De uitspraken van de rechters in de verschillende geweldszaken leidden tot de meermalen gehoorde opmerking binnen het korps dat politiemensen zich wel twee keer zullen bedenken voor ze ‘doorpakken’ als dat eigenlijk wel nodig is.


Burgemeesters

Het debat raakt ook ons gezag, de burgemeesters. Ook bij hen zien we verdeeldheid over de vorming van de Nationale Politie. Jan Terpstra deed hier onderzoek naar en hij schrijft er uitvoerig over. Bijna de helft van de burgemeesters is geheel of gedeeltelijk ontevreden over de manier waarop zij hun gezag minder kunnen waarmaken, en een kwart vindt dat lokale politiezorg is verslechterd. Hoewel een minderheid, gaat het toch om bijna 100 van de bijna 400 burgemeesters in ons land. Tegelijkertijd is een zeer ruime meerderheid zeer tevreden over hun (deels informele) relaties met vertegenwoordigers van de politie.


De meest zorgwekkende uitspraak is dat sinds de komst van de Nationale Politie de politie door burgemeesters minder wordt ervaren als ‘onze politie’. ‘Iedereen had zoiets van: het is mijn politie. Dat is weg.’ Dit gevoel lijkt te contrasteren met de toenemende veiligheid, mede als gevolg van een zich verder ontwikkelende integrale aanpak van veiligheidsproblematiek, waarin gemeente en politie zij aan zij opereren. Overigens maakt dit dat ook de rol van de burgemeester in zijn of haar sterker wordende regieverantwoordelijkheid anders wordt. Maar het onderzoek legt scherp op tafel wat beleefd wordt en feelings are facts. Het is dus van groot belang dat we ons hier zeker rekenschap van geven.


Oorzaken

De vraag is waar de intensivering van de maatschappelijke discussie over de staat van de Nationale Politie door veroorzaakt wordt. Mijn voorlopige veronderstelling is dat alle ontwikkelingen binnen de politie ertoe leiden dat op allerlei manieren de verhoudingen opnieuw  worden gedefinieerd tussen politie en (landelijke en lokale) politiek, tussen politie en media, tussen politie en burgers en ook binnen de politie zelf. Een andere schaalgrootte, nieuwe krachtenvelden rondom de macht, zich wijzigende inzichten rond dienstverlening en vormgeving van de organisatie, maar ook andere manieren van opinievorming dragen daaraan bij.


De beeldvorming van de politie is in handen van de camera’, is de kop boven het NRC-artikel waarin Beunders aan het woord kwam, maar dat is zeker niet het enige probleem. Die veranderende verhoudingen doen iets met de kwaliteit van de verbinding tussen politie en samenleving, tussen politie en gezag en bij de politie intern. Die kwaliteit raakt aan vertrouwen.


Verbinding

De vraag is hoe de politie zich tot deze ontwikkelingen moet verhouden. Een geruststellende reactie kan zijn dat de vertrouwens- en reputatiemonitor een steady positief beeld met slechts enkele aandachtspunten laat zien. Wat mij betreft stelt dat echter niet genoeg gerust. Een ander idee zou kunnen zijn dat de herijking van het realisatieplan politiek, maatschappelijk en intern rust zal brengen. Ook hierop zou ik niet al mijn kaarten zetten, hoewel de vernieuwde sturingsfilosofie kansrijk is en het op orde krijgen van de organisatie veel prioriteit vraagt.


We moeten vooral aan de slag met de verbinding. Een van de kernwaarden van de Nationale Politie is verbindend zijn. De politie is nu al lang met zichzelf bezig. We zien dat door de ontwikkeling om te komen tot de Nationale Politie en alle veranderingen die deze ontwikkeling tot gevolg hebben, verhoudingen veranderen en daardoor relaties niet meer hetzelfde zijn. Daar schuilt het risico van afnemend vertrouwen in en dat vraagt om een tegenreactie. We zullen onze relatie met de samenleving moeten revitaliseren. Niet in de eerste plaats omdat de samenleving verandert, maar omdat de politie verandert.


Het is zaak meer werk te maken van de kwaliteit van onze relatie met de samenleving. Vertrouwen ontstaat immers in relatie. Dat geldt voor dienders, bijvoorbeeld naar aanleiding van een melding of aangifte, maar ook voor leidinggevenden. Zou contextgericht werken niet sterk aan kracht winnen als we onze verbinding, onze relatie met die context eens aan een grondige evaluatie onderwerpen? Wat is de aard en dus de kwaliteit van onze verbinding? Zijn we op de goede niveaus benaderbaar en aanspreekbaar? Weet men ons te vinden? Staan we open voor wat er leeft ?


Waarom we er zijn

Deze vragen gelden in onze relatie met alle geledingen van de samenleving, met de media, met het bestuur, met partners, met mensen in de wijk en met iedereen die ertoe doet. Vooral lokaal, in de verschillende gelaagdheden van de nieuwe organisatie, maar ook op eenheids- en zelfs op landelijk niveau. Eén concrete implicatie hiervan is dat we al onze leidinggevenden, op alle niveaus, vragen om veel meer dan nu ‘buiten’ te zijn, om het gesprek met de samenleving te zoeken.


Daarbij zou het vertrekpunt in die contacten niet moeten zijn wat we doen, maar waarom we er zijn. We moeten als politie in daad en in woord staan op ons fundament, namelijk dat de politie bijdraagt aan een samenleving die deugt. Wij staan voor de waarden van de rechtsstaat, we beschermen mensen tegen gevaar en onrecht, wij begrenzen mensen die weinig respect voor anderen tonen en we bekrachtigen wat de samenleving opbouwt. En daarbij geldt steeds weer: wij zijn er niet voor onszelf, wij zijn er voor u. Waakzaam en dienstbaar. Dit is waarvoor wij staan en waar onze dienders door gedreven worden. Immers, geen imago zonder identiteit.


Het ontwerpplan, de grondplaat voor de Nationale Politie, zegt het precies: De politie heeft in al haar doen en laten een feitelijke, morele en symbolische betekenis voor de daadwerkelijke bevestiging van de rechtsorde. Politiemedewerkers worden in hun werk vaak betrokken bij en geconfronteerd met partijen die tegengestelde belangen hebben. Dat vraagt voortdurend alertheid, menselijkheid, nuchter nadenken en de bereidheid tot ingrijpen. Wij treden op waar verstoring plaatsvindt of dreigt.


Betekenisvol werk

Als we open en dienstbaar in gesprek met de samenleving zijn, dan vloeit het wat daar logischerwijze uit voort. Dat geldt voor de leidinggevenden, die de politie vertegenwoordigen, en dat geldt voor elke individuele diender in zijn of haar contacten met de burger. De vraag is hoe we hierin verdieping kunnen aanbrengen. Operationeel leiderschap betekent het professionele gesprek voeren over wat dit betekent. Overigens is de diepste kwaliteit van operationeel leiderschap de echte verbinding tussen leidinggevenden en hun collega’s.


Gelukkig zijn er veel voorbeelden van zeer betekenisvol politiewerk, uitgevoerd door moreel gedreven politieagenten. De vertrouwens- en reputatiemonitor bevestigt dat politiemensen zich gemotiveerd weten door hun overtuiging dat ze bijdragen aan een betere samenleving. De drang om het steeds beter te doen is bij veel politiemensen aanwezig. Ik ben blij dat Cees Sprenger, bij wijze van afscheid als gewaardeerd redactielid, ons nog eenmaal in het Tijdschrift van deze maand meeneemt in zijn persoonlijke overtuiging. Zijn opvatting is dat bij die politiemensen de kiem ligt van de echte verbetering. ‘Ik ben er zeker van dat deze micro-ontwikkelpraktijken op de grote verandering vooruit lopen.’


Veel politiemensen willen beter. Omdat ze oprecht hun bijdrage willen leveren aan een samenleving die deugt. Zelfs als daar, zoals blijkt uit het verhaal over Arie Kranenburg, de hoogste prijs voor betaald moet worden. In die bezieling ligt de echte kracht van de politie.

 

1 reacties

De politie zal moeten leren omgaan met de social media en zelf ook steeds meer gebruik moeten gaan maken van deze mogelijkheden. De politie zal zich meer moeten gaan onthouden van overhaaste conclusies en verklaringen en moeten leren de druk van de pers te weerstaan. Het komt niet professioneel over als de eerst gegeven verklaringen een onjuiste weergave van de feiten is. Hoor en wederhoor moeten als eerste worden toegepast. Een foutieve verklaring is voer voor de media.
Er zijn helaas (teveel) burgemeesters die geen enkel oog hebben voor de problemen waar de politie voor staat. Het gemak waarmee een aantal burgemeesters akkoord gaan met sluiting van bureaus en steunpunten heeft mij hooglijk verbaasd. Ik heb me zelfs afgevraagd of hier motieven spelen die in het belang zijn voor de carrière van de betrokken burgemeesters. Het platteland blijkt hierin regelmatig de dupe te zijn. Kennelijk hebben alleen stedelijke gebieden politie en bureaus nodig. Er zijn gebieden waar het meer dan een half uur duurt voordat een politieman assistentie kan krijgen. Ik heb hiervan genoeg voorbeelden. Veiligheid lijkt de laatste jaren niets te mogen kostten en mag over de ruggen gaan van de individuele politieman of vrouw. Dit gaat een keer gruwelijk verkeerd. Het is jammer dat de OR-en en landelijke OR hier geen vuist maken. Ze zullen zich ongetwijfeld één en ander realiseren, maar hebben te weinig mogelijkheden. De politiek is hier aan de beurt, maar die heeft helaas steeds andere financiële voorkeuren.
Ik heb een klacht over deze reactieOtto op 07 januari 2016 10:01 uur

Reageer op dit artikel