Aaibare slachtoffers
Onlangs is aan de Rijksuniversiteit van Groningen Edo Knegtering gepromoveerd op een proefschrift, The Featheries and the Furries, waarin hij de vraag stelt in welke mate waarneembare kenmerken van diersoorten en daarmee samenhangende waarden die aan die soorten worden toegekend, invloed hebben op de manier waarop de overheid besluiten neemt over de bescherming van bepaalde in het wild levende diersoorten. De jonge doctor komt tot opzienbarende conclusies:
het komt er plat gezegd op neer dat dieren met een gezellig pak veren of een lekkere vacht – dat inzicht heeft de wetenschapper al in de Engelse titel van zijn boek verpakt - betere kaarten lijken te hebben als het gaat om het trekken van aandacht van dierbeschermers. Een leuk smoeltje is toch belangrijk, daarom staat de Panda in het logo van het Wereldnatuurfonds en niet een wandelende tak of een kwal. Let wel: met leuk wordt hier bedoeld datgene dat mensen als leuk ervaren of zien en niet de perceptie van schoonheid zoals die onder wandelende takken of kwallen leeft. De lezer van deze blog zal zich ongetwijfeld afvragen wat hij of zij aan dit soort inzichten heeft in verband met het politiewerk. Mijn antwoord is heel simpel: veel! Ook in mijn werk rond eer gerelateerd geweld zie ik dat beeldvorming een enorme invloed heeft op de (justitiële) aandacht waarin daders en slachtoffers zich mogen verheugen. In het publieke debat is met name veel aandacht voor het slachtofferschap onder vrouwen. Met die aandacht heb ik in principe geen moeite, wat mij wel veel zorgen baart, is de manier waarop vrouwelijke slachtoffers dikwijls gepresenteerd worden: slachtoffers lijken per definitie passief, hen is immers iets overkomen. Er is veel minder aandacht voor de vraag hoe die vrouwen zelf denken over mogelijkheden om hun situatie te verbeteren. Daar komt ook nog bij dat rond eer veel aandacht uitgaat naar de positie van jonge meisjes en vrouwen. Ook dat is niet helemaal onterecht, maar als we de gestaag groeiende stroom egodocumenten onder de loep nemen, waarin jonge vrouwen zelf of met behulp van een ghostwriter hun relaas doen over problemen in de familie, dat gaat het bijna altijd om beeldschone vrouwen. Er lijkt nooit eens een lelijkerd tussen te zitten. Moeten we nu concluderen dat mooie vrouwen een groter risico lopen om het slachtoffer van geweld te worden? Of appelleert de schoonheid van een slachtoffer aan romantische fantasieën? Geeft het helpen of het redden van mooie mensen – en natuurlijk het lezen daarover - ons een goed gevoel? Straalt iets van die schoonheid af op degene die de helpende hand toesteekt of met een boek in een hoek kruipt en zich al lezende in het verhaal van het slachtoffer verliest? Aan het brein van de dichter Lucebert is ooit de fraaie regel ontsproten dat alles van waarde weerloos is. Ik vraag mij eigenlijk steeds vaker af of dat waar is. Is het niet veel meer zo dat wij alles wat van waarde is, weerloos maken?

Reageer op dit artikel