Identiteitscrisis van een sterk merk
Verleden week viel De maatschappelijke opdracht van de politie. Over identiteit en kernelementen van politiewerk in de brievenbus. Dit is de uitgebreide versie van de rede die Jan Terpstra op 26 februari 2010 uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar criminologie aan de Radbout Universiteit van Nijmegen. De hoogleraar geeft ons een aantal serieuze punten ter overdenking mee, dat ik de lezer van deze blog niet wil onthouden.
Zo onderscheidt Terpstra op basis van literatuuronderzoek vier kernonderdelen in de maatschappelijke opdracht van de politie: in de eerste plaats is er het vermogen om dwang toe te passen. Dat kan alleen maar op basis van legitimiteit. Zo niet, waarschuwt Terpstra, dan vervalt de politie in Dirty Harry- achtig gedrag.Dat is leuk op t.v., maar niet in de politiepraktijk.
In de tweede plaats heeft de politie een taak in het vertegenwoordigen en bevestigen van belangrijke maatschappelijke waarden en normen. Het is niet de bedoeling dat de politie zelf een moraal formuleert, maar zich volgend en dienend opstelt en normen bevestigt en uitdraagt door haar concrete werkzaamheden.
In de derde plaats spreekt de hoogleraar over een brede probleemgerichtheid bij een terughoudende opstelling. Er zijn met andere woorden grenzen aan de middelen die de politie mag inzetten om bepaalde effecten te bereiken. Het doel heiligt niet de middelen. Wat dat betreft ziet Terpstra juist een rol voor de politie weggelegd die niet zo zeer gericht is op het bereiken van effecten, maar die zicht concentreert op het bevorderen van preventie en maatschappelijke weerbaarheid.
In de vierde plaats noemt hij de noodzaak tot het verwerven en behouden van legitimiteit. Uiteraard is legitimering van het politiewerk essentieel, maar Terpstra waarschuwt dat dit niet moet verzanden in holle frasen van p.r.- medewerkers. Zo beschrijft hij hoe hij een extern communicatieadviseur in een regiokorps ooit hoorde spreken over de politie ´als een sterk merk in de markt zetten´. Het griezelige van dergelijke reclametaal is de rücksichtsloze reductie van complexiteit van de werkelijkheid. We moeten echter de oneliners en andere kretologie overstijgen om oog te blijven houden voor de relatie tussen deze vier kernelementen. Het geheel is immers meer dan de som der delen. Met name door het benadrukken van dat onderlinge verband meent Terpstra het tij te kunnen keren wat betreft de identiteitscrisis van de politie. Hij stelt namelijk dat doordat de afgelopen jaren de opvatting dat de politie zich terug zou moeten trekken op haar kerntaken en het idee dat de politie zich met name zou dienen te specialiseren op haar aandeel in het geweldsmonopolie, veel invloed heeft gehad. Door de dominantie van die overtuigingen is er verwarring ontstaan over de identiteit van de politie.
Afgaande op deze zeer korte samenvatting lijkt het politiewerk in de praktijk een onmogelijke opgave te zijn geworden. De vraag is dan ook of Terpstra hiermee politiemensen niet verder de put in praat. Op basis van onder andere eigen onderzoek is hij er echter van overtuigd dat in het dagelijkse leven veel politieambtenaren deze hoge standaard weten na te leven, in die zin dat zij bij de uitoefening van hun werkzaamheden op pragmatische wijze een combinatie weten te maken tussen het uitoefenen van dwang, het hebben van een morele betrokkenheid en het tegelijkertijd niet loslaten of afschrijven van mensen of groepen, zelfs als ze voor problemen zorgen.
Ik hoop dat veel lezers binnen de politie zijn rede nog eens nauwgezet zullen napluizen. Want hoewel hij de lat voor de politie erg hoog legt, spreekt uit zijn werk toch ook een bepaald optimisme. Dat lijkt me niet verkeerd in deze crisistijd.

Reageer op dit artikel