De zaak ‘Alledaagse magie’. Over de mentale weerbaarheid van rechercheurs

0

In de Amerikaanse tv-serie True Detective worden twee rechercheurs op de voet gevolgd bij hun poging de rituele moord op een prostituee op te lossen. De ondertitel ‘Touch darkness and darkness touches you back’ vormt een belangrijk leidmotief en de invloed van de moordzaak op de levens van de rechercheurs wordt indringend in beeld gebracht. In dit artikel bekijken we hoe het in werkelijkheid is gesteld met de mentale weerbaarheid van rechercheurs. Is in hun dagelijks werk zoiets als ‘darkness’ te onderscheiden en hoe kunnen zij zich daartegen beschermen?

Er is veel empirisch onderzoek uitgevoerd naar factoren die van invloed zijn op het welzijn van politiefunctionarissen. Waar eerder onderzoek vooral betrekking heeft op stressoren in het politiewerk en daaruit voortvloeiende psychosociale klachten, is er tegenwoordig meer wetenschappelijke aandacht voor de groep politiefunctionarissen die geen klachten ontwikkelt. Deze studies zijn echter met name gericht op agenten die werkzaam zijn in de uniformdienst. Over het welzijn van rechercheurs is relatief weinig bekend.
Het doel van mijn promotieonderzoek (Sollie, 2017) was derhalve om meer inzicht te krijgen in factoren die van invloed zijn op de mentale weerbaarheid van Nederlandse kinderporno- en forensisch rechercheurs. In dit artikel zal ik stilstaan bij enkele hoofdbevindingen uit de zaak ‘Alledaagse magie’. Alvorens ik beschrijf hoe kinderporno- en forensisch rechercheurs hun werk ervaren en hoe zij met belastende situaties omgaan, ga ik eerst kort in op het theoretisch perspectief van waaruit ik de belevingswereld van deze opsporingsfunctionarissen heb bestudeerd.

De zaaksaanpak
Op basis van met name het werk van Reich en Zautra (Reich et al., 2010) definieer ik mentale weerbaarheid van rechercheurs als ‘de uitkomst van een copingproces waarin in- en externe hulpbronnen de rechercheur in staat stellen om binnen de taakuitoefening adequaat te blijven functioneren gedurende belastende werksituaties en daar duurzaam van te herstellen, met behoud van motivatie voor het recherchewerk en betrokkenheid bij de opsporingsdoelen’. Mentale weerbaarheid is in deze opvatting geen statische conditie of stabiele persoonlijkheidseigenschap, maar een tijdelijke en situationele toestand. Oftewel: eens weerbaar betekent niet automatisch altijd weerbaar.
In de omgang met stressvolle situaties kunnen door rechercheurs uiteenlopende copingstrategieen worden ingezet. Strategieen om op een positieve wijze met de belasting om te gaan, kunnen gericht zijn op 1) het veranderen van de belastende situatie: probleemgerichte coping, 2) het hanteerbaar maken van gevoelens die de situatie oproept: emotiegerichte coping en 3) het zoeken naar zingeving: betekenisgerichte coping (Lazarus & Folkman, 1984).
Voor de inzet van deze copingstrategieen zijn uiteenlopende hulpbronnen nodig. Die kunnen zich zowel in de organisatie en het team bevinden (regelruimte, sociale steun) als in het individu (emotionele stabiliteit). Ook factoren in de priveomgeving kunnen een hulpbron zijn voor het hanteerbaar maken van de werkbelasting (Bogaerts, 2013; Paton et al., 2008). Per werkcontext en tussen individuen kunnen de toegepaste copingstrategieen en hulpbronnen verschillen.
Kortom, of een rechercheur mentaal weerbaar is, is in een gegeven situatie afhankelijk van 1) diens inschatting van de persoonlijke impact van de belastende werksituatie en hoe daarmee om te gaan, 2) de daadwerkelijke toepassing van een copingstrategie en 3) de beschikbare hulpbronnen die de toepassing van de gewenste copingstrategie mogelijk maken.

Model
Op basis van deze theoretische uitgangspunten is in figuur 1 de veronderstelde samenhang weergegeven tussen belastende werksituaties, copingstrategieen, hulpbronnen en indicatoren van mentale weerbaarheid. Bij het model dienen nog twee opmerkingen gemaakt te worden over de feedbackloops. Met de pijl die van coping naar belastende werksituaties loopt, wordt de verandering van de belastende werksituatie bedoeld door de toepassing van een copingstrategie en daarmee het wegnemen dan wel reduceren van de stressor. De pijl van indicatoren mentale weerbaarheid naar beschikbare hulpbronnen geeft de idee weer dat positieve uitkomsten kunnen leiden tot een versterking of toename van hulpbronnen (bijvoorbeeld een toename van het zelfvertrouwen). Hierdoor zullen belastende omstandigheden als minder stressvol ervaren worden en is men beter in staat daarmee om te gaan, wat weer leidt tot positievere uitkomsten.

Multimethodisch onderzoeksdesign
Om inzicht te krijgen in de mentale weerbaarheid van Nederlandse kinderporno- en forensisch rechercheurs is gebruikgemaakt van een kwalitatief, multimethodisch onderzoeksdesign. Per recherchediscipline zijn de volgende onderzoeksmethoden ingezet: 1) contextanalyse, 2) participerende observatiestudies bij vijf rechercheteams, 3) interviews met vijf teamleiders en 4) dertig diepte-interviews met rechercheurs (zie tabel 1).


De hoofdbevindingen
Achtereenvolgens wordt ingegaan op de ervaren werkbelasting (de stressoren) door kinderporno- en forensisch rechercheurs, de manier waarop zij daarmee omgaan (copingstrategieen) en wat zij daarvoor nodig hebben (hulpbronnen). Hierbij wordt steeds aangegeven in hoeverre verschillen te onderscheiden zijn tussen beide typen rechercheurs.

“Ik ben een keer bij een verhanging geweest waarbij vrouw en kinderen aankwamen en krijsend rondliepen. Nou, dat wil ik echt niet meer.” (forensisch rechercheur)

“Dat was een vader die zijn stiefdochter misbruikte en die beelden zag ik op een gegeven moment voorbijkomen. Dat heeft wel aardig indruk gemaakt, omdat je weet wie het kind is en dat je het echt ziet gebeuren voor je neus. Nu wist ik wie het slachtoffer was en wat haar overkomen is.” (kinderpornorechercheur)

Wat als belastend wordt ervaren
Het werken aan kinderporno- dan wel forensische zaken wordt niet per definitie stressvol gevonden door kinderporno- en forensisch rechercheurs. Beide typen rechercheurs geven aan gedreven te zijn en voldoening te halen uit hun opsporingswerk ‒ een bevinding die overigens ook is gedaan onder agenten in de uniformdienst en andere high risk beroepen, zoals militairen, brandweerpersoneel en eerstehulpverleners.
Dit neemt niet weg dat kinderporno- en forensisch rechercheurs te maken krijgen met belastende situaties tijdens de uitvoering van hun opsporingstaken. De aard van deze werksituaties verschilt echter tussen beide recherchedisciplines. Zo kunnen kinderpornorechercheurs spanning ondervinden bij het moeten prioriteren van de werkvoorraad, het doorzoeken van woningen, de classificatie van beeldmateriaal en het uitvoeren van verhoren. Deze taken kunnen voor kinderpornorechercheurs leiden tot dilemma’s in de uitvoering van zaken, confrontaties met emoties van slachtoffers, blootstelling aan choquerend beeldmateriaal en indringend contact met verdachten.
Forensisch rechercheurs ervaren met name spanning bij de inzetcoordinatie en het onderzoek op de plaats delict. Bij de inzetcoordinatie kunnen zij piekbelasting ervaren (te veel zaken tegelijkertijd) en piketdruk ondervinden (langdurige en onregelmatige werktijden). Ten aanzien van het onderzoek op de plaats delict geven forensisch rechercheurs aan dat zij spanning en ongemak ervaren door de confrontatie met menselijk leed, twijfels over de aanpak van het onderzoek en fysiek belastende werkomstandigheden. Als gevolg van de onregelmatige en onvoorspelbare werktijden en het moeten waarborgen van een adequate bezettingsgraad (‘de bezetting van het werkrooster is leidend’) kunnen forensisch rechercheurs eveneens spanning ervaren door fysieke belasting (weinig slaap, lange werkdagen) en werkpriveconflicten.
Naast deze belastende situaties die samenhangen met de uitvoering van de recherchetaak ondervinden kinderpornoen forensisch rechercheurs spanning door de organisatorische omgeving waarin zij hun werk moeten uitvoeren. Deze belastende situaties blijken in grote mate overeen te komen voor beide recherchedisciplines. Zo ervaren zowel kinderporno- als forensisch rechercheurs spanning door 1) de als omslachtig ervaren werkprocedures en administratieve werkzaamheden, 2) het werken onder grote tijdsdruk, 3) het onderbroken worden bij de uitvoering van zaken door nieuwe zaken die meer prioriteit krijgen, 4) ervaren onkunde bij het management, 5) conflicten met de leidinggevende en 6) een gebrekkige samenwerking met collega’s van de eigen afdeling, van andere politieonderdelen en/of partnerorganisaties.

“In eerste instantie keek ik uit mijn ooghoeken, want het is gewoon raar om open en bloot met je collega’s naar kinderporno en gewone porno die er tussen zit te kijken. Maar op een gegeven moment zat mijn collega dingen aan te wijzen waar ze op letten en dan ga je toch wat meer kijken en na een uurtje zag ik eigenlijk geen kind meer en porno, maar alleen waar je naar moet kijken.” (kinderpornorechercheur)

Hoe rechercheurs daarmee omgaan
De ervaren operationele en organisationele stressoren leiden echter niet per definitie tot negatieve uitkomsten. Kinderporno- en forensisch rechercheurs hebben gedurende de uitvoering van hun werk zowel soortgelijke als verschillende copingstrategieen ontwikkeld om hiermee om te gaan. Overeenkomstige strategieën zijn: 1) het positief herinterpreteren van de belastende situatie, 2) het zoeken van sociale steun bij collega’s en leidinggevenden, en 3) het bewaren van emotionele distantie.
De eerstgenoemde strategie, een positieve herinterpretatie van een stressvolle werksituatie, richt zich doorgaans op de betekenis van werkzaamheden voor slachtoffers en nabestaanden. Door persoonlijke voldoening te zoeken, wordt het mogelijk om de emotionele belasting te dragen.
“De kans om een slachtoffer en een verdachte te achterhalen, is een soort buffer om de foto’s te bekijken, daarom wil je het doen”, aldus een kinderpornorechercheur. Perspectief veranderende herinterpretaties kunnen rechercheurs helpen bij het reguleren van emoties (zie ook Webb et al., 2012). Het zoeken van sociale steun bij collega’s en leidinggevenden, de tweede overeenkomstige strategie, kan zowel emotiegericht zijn (zoals het delen van emoties na een ingrijpende gebeurtenis) als probleemgericht (ondersteuning vragen bij stresserende taken). Dit is een veel gehanteerde copingstrategie.
Het bewaren van emotionele distantie ten slotte is volgens kinderporno- en forensisch rechercheurs een cruciale copingstrategie om niet te bezwijken onder de emotionele belasting die gepaard kan gaan met het menselijk leed waarmee zij geconfronteerd worden: “Je ziet het als een voorwerp. Dat klinkt misschien raar, maar je ziet het niet als mens, dat kun je opzijzetten.” Beide typen rechercheurs trachten door dergelijk cognitief handelen te voorkomen dat zij zich gaan identificeren met het lijden van andere mensen. Anders komt dat ‘te dichtbij’.

“Ik merk gewoon dat bij de meeste forensisch rechercheurs de stress niet wordt veroorzaakt door het feit dat ze erop uit moeten om onderzoek op de plaats delict te doen, maar dat stress begint wanneer ze weer binnenlopen. Dat komt voor een groot deel door de procesvoering, de administratie die gedaan moet worden, de verschillende systemen die gevoed moeten worden.” (forensisch rechercheur)

Naast de drie overeenkomstige copingstrategieen hebben kinderporno- en forensisch rechercheurs eveneens onderling verschillende copingstrategieën ontwikkeld. Dit zijn voor kinderpornorechercheurs 1) werkdrukregulering: het scheppen van realistische verwachtingen ten aanzien van het overstijgende zaaksaanbod en 2) taakgerichte zelfsturing: regie voeren over de eigen taakinvulling (zoals frequentie en duur van de classificatietaak).
Copingstrategieen die alleen bij forensisch rechercheurs zijn vastgesteld, zijn de toepassing van 3) visualisatie: mentale voorbereiding op potentiele stressoren op de plaats delict, en 4) vermijding: uit zelfbescherming de confrontatie met belastende omstandigheden op de plaats delict ontwijken.
Het specifieke werkproces van een kinderpornografiedan wel forensische zaak biedt een mogelijke verklaring voor deze verschillen. Zo zijn kinderpornorechercheurs in staat om werkdrukregulering en taakgerichte zelfsturing toe te passen doordat het classificeren van kinderpornografisch materiaal een eenvoudig te plannen en routinematige taak is. Daarnaast biedt het werken in een digitale omgeving de mogelijkheid om het classificeren eenvoudig te onderbreken en op een later moment te hervatten. Die regelruimte maakt het voor kinderpornorechercheurs mogelijk om deze belastende taak uit te voeren onder gewenste randvoorwaarden, en zelfstandig herstelmomenten te kunnen inlassen.
Forensisch rechercheurs daarentegen zijn in staat om vermijding en visualisatie toe te passen, doordat zij voorafgaand aan hun onderzoekswerkzaamheden worden ingelicht over de aard en omvang van de plaats delict. Vanwege deze informatieoverdracht weten zij ruimschoots van tevoren aan welke potentiele stressoren zij blootgesteld gaan worden en hebben daardoor de mogelijkheid om zich daarop mentaal voor te bereiden (visualisatie) dan wel deze confrontatie te vermijden. Zoals een forensisch rechercheur het verwoordde: “Wij komen bij een verhanging en wij weten dat daar een verhanging is, dus je hebt de klik al gemaakt.”

“Bij de één kun je makkelijker dingen kwijt als je dat zou willen dan bij de ander. Die begrijpt het, terwijl de ander zoiets heeft van: ‘Ah joh, dat is nou eenmaal zo’, of: ‘Dat hoort erbij.’ (…) Wij werken met vaste ploegen. Dat willen ze eigenlijk loslaten, maar daar zijn wij fel op tegen want in dit werk wil je als je terugkomt, als het nodig is, even een praatje kunnen doen. Je voelt toch een bepaald iets, dat je op elkaar kunt terugvallen, een soort vertrouwen. Dat heb je niet als je elke keer met iemand anders moet uit een andere ploeg. Dat klinkt misschien raar, maar zo werkt dat voor mij.” (forensisch rechercheur)

“Het moet nu eenmaal gebeuren en ik kan ertegen. Maar af en toe is het werk wel zwaar. Het is van belang dat je dan even kunt stoppen, dat je kunt zeggen: ‘Nu even niet.’” (kinderpornorechercheur)

Welke hulpbronnen daarvoor nodig zijn
Om deze copingstrategieen te kunnen toepassen, blijken kinderporno- en forensisch rechercheurs in hun werkomgeving gebruik te maken van soortgelijke hulpbronnen. Hoewel de precieze invulling van de geidentificeerde hulpbronnen (bijvoorbeeld de inhoud van de training, de wijze waarop de werkplek dient te worden afgeschermd, de ondersteunende middelen en de aard van de regelmogelijkheden) per recherchediscipline kan verschillen, blijkt dat voor zowel kinderporno- als forensisch rechercheurs het team en de bredere organisatie op een vergelijkbare wijze van invloed zijn op het kunnen omgaan met belastende werksituaties.
Zo vormen de beschikbare ondersteuning van collega’s en leidinggevenden een belangrijke, zo niet onmisbare factor voor 1) het kunnen bieden van de benodigde taak- en emotiegerichte ondersteuning (zoals feedback geven en emoties delen na ingrijpende ervaringen), 2) het kunnen bewaren van emotionele distantie (humor), 3) het kunnen toepassen van werkdrukregulering (onderlinge prioritering en afstemming werkzaamheden), 4) het kunnen toepassen van vermijding (overdracht taken aan collega’s), en 5) het helpen vinden van betekenis in belastende werksituaties.
De beschikbaarheid van sociale steun is echter geen vaststaand gegeven binnen beide recherchedisciplines. Verstoorde werkrelaties kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat rechercheurs geen beroep kunnen doen op taak- of emotiegerichte steun. Ongevoelige dan wel kritische reacties van anderen (‘dit hoort nu eenmaal bij het werk’, ‘dat ligt echt aan jezelf’) kunnen rechercheurs ontmoedigen om te praten over ingrijpende gebeurtenissen. Dat kan het risico op traumatische klachten verhogen doordat het cognitieve vermijding en onderdrukking stimuleert (Evans et al., 2013).
Daarnaast dient een rechercheur, wil hij om hulp kunnen en durven vragen, over sociale vaardigheden te beschikken en moet hij of zij zich kwetsbaar kunnen opstellen. Meer specifiek gaat het dan om sociale en communicatieve vermogens (bijvoorbeeld empathisch kunnen luisteren) en het openstaan voor sociale steun. Deze vaardigheden bevorderen de onderlinge relaties met collega’s en daarmee de toegang tot sociale steun in stressvolle situaties.
Ook wordt een open werkcultuur van belang gevonden waarin collega’s en leidinggevenden aandacht hebben voor de werkbelasting, men emoties kan delen en bespreken en men zich veilig voelt om te kunnen leren van tegenslagen. Een teamcultuur waarin sprake is van openheid over het ervaren van stress draagt zodoende bij aan mentale weerbaarheid van rechercheurs (zie ook Le Scanff & Taugis, 2002). Het belang van deze openheid is voor beide typen rechercheurs groot, omdat zij bij de verwerking van delict-gerelateerde effecten meestal geen beroep kunnen doen op hun priveomgeving; naasten willen hiermee namelijk niet belast worden.
Naast dergelijke vormen van collegiale steun in de rechercheteams kan de bredere organisatie bijdragen aan de mentale weerbaarheid van kinderporno- en forensisch rechercheurs. Zo stellen adequate middelen en leer- en ontwikkelingsmogelijkheden rechercheurs in staat betekenis te kunnen blijven geven aan hun werk, dat continu in ontwikkeling is vanwege wijzigende modi operandi van daders en nieuwe opsporingstechnieken. Dergelijke organisatorische hulpbronnen geven rechercheurs het vertrouwen dat zij de juiste afwegingen kunnen maken in belastende werksituaties en dat zij in staat zijn hun taken op een zowel duurzame als technisch en juridisch correcte wijze uit te voeren.
Deze bevinding sluit aan bij eerdere studies waaruit blijkt dat self-efficacy – het vertrouwen dat een individu heeft in zijn capaciteiten om gestelde doelen te halen – invloed heeft op mentale weerbaarheid (Gilbar et al., 2010). Zelfvertrouwen en het gevoel van waargenomen controle over situaties en uitkomsten zijn van belang, aangezien ze ertoe leiden dat bedreigende situaties als minder ernstig worden waargenomen en er minder stress optreedt.

“We willen allemaal heel graag ons werk goed doen en geen verkeerde conclusies trekken op een plaats delict, want dat heeft hele grote consequenties voor iemand. Ik vind het daarom erg belangrijk om mijn expertise up-to-date te houden. Hoewel de operationele processen altijd aandacht vragen, is het daarom belangrijk dat de organisatie voldoende tijd voor opleiding en training geeft, zodat wij het ook kunnen bijhouden.” (forensisch rechercheur)

De implicaties van deze zaak
De mentale weerbaarheid van rechercheurs wordt nadrukkelijk niet alleen bepaald door hun individuele capaciteiten en de toepassing van een of meerdere copingstrategieen, maar ook door factoren in hun werkomgeving. Zo zijn rechercheurs afhankelijk van uiteenlopende hulpbronnen op individueel, team-, organisatie- en priveniveau om copingstrategieen te kunnen toepassen in belastende werksituaties. Deze hulpbronnen zijn een essentiele factor voor een duurzame uitoefening van hun functie en bieden belangrijke aangrijpingspunten om de ’alledaagse magie’ bij kinderporno- en forensisch rechercheurs mogelijk te maken:

  • het (zelf)selectieproces verfijnen: zodat rechercheurs beter kunnen afwegen of zij in staat zijn om dit werk hanteerbaar te maken (person-job fit);
  • een gedegen inwerktraject van nieuwe teamleden ontwikkelen: zodat rechercheurs gedurende hun inwerkperiode op een gestructureerde wijze worden ondersteund bij het hanteerbaar maken van hun nieuwe werkcontext;
  • het informele ondersteuningsnetwerk (collegiale steun) stimuleren en faciliteren: door te investeren in de teamcultuur, psycho-educatie, gesprekstechnieken en het vergroten van de sociale nabijheid van collega’s bij de uitvoering van belastende werkzaamheden;
  • regelruimte faciliteren gedurende belastende opsporingsonderzoeken: zodat rechercheurs de werkbelasting zelf kunnen reguleren en zodoende de gewenste copingstrategieen kunnen toepassen;
  • blijven investeren in middelen, training en opleiding: zodat rechercheurs het vertrouwen hebben dat zij de juiste afwegingen kunnen maken en daardoor persoonlijke betekenis kunnen vinden in belastende werksituaties.
  • professionele ondersteuning faciliteren: zodat rechercheurs geholpen worden bij het reflecteren op hun functioneren en zich bewust worden van eventuele gezondheidsrisico’s die zijzelf door jarenlange gewenning mogelijk te laat onderkennen;
  • op laagdrempelige wijze periodieke monitoring mogelijk maken: dit is mogelijk door het beschikbaar stellen van de ‘weerbaarheidsmonitor’ (dit digitale instrument geeft een rechercheur inzicht in zijn of haar persoonlijke werkomstandigheden en weerbaarheid) en het ‘weerbaarheidsdashboard’ (dit geeft leidinggevende inzicht in relevante factoren ten aanzien van teamfunctioneren en stressoren) (zie Smit et al., 2015). Daarbij verdient het aanbeveling om deze instrumenten te verfijnen op basis van de opgedane empirische bevindingen in de kinderporno- en forensische teams. 

Literatuur
Bogaerts, S. (2013). Literatuuronderzoek naar professionele weerbaarheid bij politiepersoneel. Den Haag: WODC.
Evans, R., Pistrang, N. & Billings, J. (2013). Police officers’ experiences of supportive and unsupportive social interactions following traumatic incidents. European Journal of Psychotraumatology, 4, 1-9.
Gilbar, O., Ben-Zur, H. & Lubin, G. (2010). Coping, mastery, stress appraisals, mental preparation, and unit cohesion predicting distress and performance. A longitudinal study of soldiers undertaking evacuation tasks. Anxiety, Stress, & Coping, 23(5), 547-562.
Lazarus, R.S. & Folkman, S. (1984). Stress, appraisal and coping. New York: Springer.
Paton, D., Violanti, J.M., Johnston, P., Burke, K.J., Clarke, J. & Keenan, D. (2008). Stress shield: A model of police resiliency. International Journal of Emergency Mental Health, 10(2), 95-108.
Reich, J.W., Zautra, A.J. & Stuart Hall, J. (Eds.) (2010). Handbook of adult resilience. New York: The Guilford Press.
Scanff, C. Le & Taugis, J. (2002). Stress management for police special forces. Journal of Applied Sport Psychology, 14(4), 330-343.
Smit, A., Slagmolen, N. & Brepoels, M. (2015). Weerbaarheid onderzocht (2010-2015). Over menselijke processen in het politiewerk. Den Haag: Boom Criminologie.
Sollie, H. (2017). Alledaagse magie. Mentale weerbaarheid van kinderporno- en forensisch rechercheurs. Den Haag: Boom Criminologie.
Sollie, H., Kop, N. & Euwema, M.C. (2014). Kinderpornorechercheurs en hun mentale weerbaarheid. Hoe rechercheurs de impact van kinderpornografiezaken ervaren en daarmee omgaan. Tijdschrift voor Criminologie, 56(4), 87-114.
Webb, T.L., Miles, E. & Sheeran, P. (2012). Dealing with feeling. A meta-analysis of the effectiveness of strategies derived from the process model of emotion regulation. Psychological Bulletin, 138(4), 775-808.

Reageer