Politiegeweld in zicht: zijn nieuwe geweldsmiddelen nodig?

0

Is er de noodzaak van een versterking van het dreigsysteem met nieuwe less-than-lethal geweldsmiddelen? Onlangs brachten de auteurs een onderzoeksrapport  uit met bouwstenen voor een visie op de hantering van het geweldsmonopolie in de basispolitiezorg en bij ordehandhaving.

In 2014 concludeerde de toenmalige commissie Modernisering Programma Bewapening, Uitrusting en Kleding in haar overdrachtsdocument (BUK, 2014) dat het professioneel geweldsmonopolie herijking verdient “om het weer krachtiger te kunnen maken en zich te ontwikkelen naar een doortastend en kordaat geweldsmonopolie. Een nieuwe balans tussen dialoog, de-escaleren en doorpakken is nodig; hard als ’t moet en zacht als ’t kan. Het dreigsysteem moet versterkt worden, waardoor de politie aan legitimiteit en vertrouwen wint en tevens het groot aantal incidenten van geweld tegen politieambtenaren vermindert.” De commissie signaleert een aantal problemen en beargumenteert waarom less-thanlethal wapens (mede) een oplossing voor die problemen zouden kunnen zijn.

Het eerste probleem is dat agenten soms gewond raken door tegen hen gebruikt geweld. De kans hierop is het grootst in situaties waarin zijzelf fysiek geweld gebruiken tegen agressieve personen. Dat directe fysieke contact kan beperkt worden met behulp van niet-letale wapens. Dat zou dan tevens een oplossing zijn voor situaties waarin agenten tegemoet getreden worden met een of ander slag- of steekwapen of bekogeld worden. Nieuwe wapens kunnen zo ook een kenmerk zijn van goed werkgeverschap.

Een tweede probleem is het (verondersteld) toenemend geweld in de samenleving in het algemeen en/of tegen de politie in het bijzonder. Nieuwe wapens zouden kunnen leiden tot een situatie waarbij agenten met meer zelfvertrouwen en geloofwaardiger kunnen opereren, met als gevolg minder bedreigingen/ beledigingen/ geweld tegen de politie.

Een derde probleem is dat bestaande wapens beperkt effectief (wapenstok, pepperspray) of te ingrijpend of disproportioneel (surveillancehond, vuurwapen, soms ook wapenstok) zijn, of bij gebruik soms vragen oproepen over de legitimiteit van politieel geweldgebruik (wapenstok, surveillancehond), wat er ook toe kan leiden dat agenten afzien van optreden. De beperkte effectiviteit betreft vooral personen onder invloed van alcohol of drugs of met geestelijke gezondheidszorgproblemen, grote of sterke personen (bijvoorbeeld met vechtsportervaring) en groepen.

Een vierde probleem is dat het investeren in vaardigheden van politiemensen veel tijd en capaciteit kost. Wapens zouden in dat opzicht effectiever, efficiënter en veiliger zijn.

Het bracht ons tot de volgende hoofdvraag: Is er de noodzaak van een versterking van het dreigsysteem met nieuwe less-than-lethal geweldsmiddelen? Voor de beantwoording is gebruik gemaakt van studies uit binnen- en buitenland, zijn data met betrekking tot geweld door politieambtenaren (GDPA) en geweld tegen politieambtenaren (GTPA) verzameld en geanalyseerd en zijn experts geconsulteerd via interviews, een focusgroepgesprek en een online discussieforum.

Onbalans?

De BUK-commissie stelt dat een nieuwe balans nodig is tussen dialoog, de-escaleren en doorpakken. Een versterking van het dreigsysteem van de politie zou nodig zijn vanwege maatschappelijke verharding in reactie op verzachting van de politie in de jaren daarvoor. Eerder veronderstelde Van Reenen (2009) dat er bij de politie een zekere schroom ontstond tegen het gebruik van geweld, versterkt door de negatieve wijze waarop, ook door de politie zelf, over geweldstoepassing geoordeeld werd. Onder meer door niet meer de norm centraal te stellen en in te zetten op een sterke relatie met burgers met informele controlemechanismen. Van der Torre et al (2011) komen met een vergelijkbare conclusie in hun onderzoek Veilig Politiewerk: “De noodzakelijke balans tussen relationele en normatieve aspecten van het politiewerk is in het geding. De selectie, opleiding en training zijn sinds de jaren negentig te eenzijdig gericht geweest op relationele kwaliteiten. Dit is ten koste gegaan van de fysiek-mentale fitheid van de basispolitie.” (p. 105). Klopt dat wel? Waar Van der Torre et al heel stellig tot deze conclusie komen op basis van een online-survey onder agenten, gaat het bij van Reenen, zoals hij zelf zegt, om een vermoeden en een hypothese. Ons onderzoek laat samen met eerder onderzoek zien dat het geweld tussen burgers in de samenleving niet toe- maar juist afneemt en dat het aantal agenten dat gewond raakt door burgergeweld eveneens daalt (Timmer en Cozijn, 2017). Verder laat onderzoek ook zien dat het beeld van die softe Nederlandse politie vergeleken met de politie in omringende landen niet terecht is (Timmer en Cozijn, 2017).  Opvallend daarnaast is dat onderzoekers die praktijkobservaties verrichten juist waarnemen dat politiemensen wel degelijk optreden (o.a. Rood, 2013; Adang et al, 2006; Kop et al, 2011).

Van der Torre et al (2011) wijzen naar Politie in Verandering uit 1977 en community policing als verantwoordelijken voor een te grote nadruk op wat zij een softe werkwijze noemen bij de politie. Zij negeren daarbij een groot aantal initiatieven binnen en buiten de politie ter bevordering van handhaving en repressie: de toevoeging van pepperspray aan de bewapening vanaf 2000, de toename van cameratoezicht, strengere straffen voor geweldplegers tegen de politie (vooral vanaf 2009), de komst van de wet preventief fouilleren (2002), de invoering van de wet identificatieplicht (2005), de invoering van de voetbalwet (2010), de toepassing van (super) snelrecht, de invoering van geweldprotocollen (2005), de veelpleger-aanpak (met vanaf 2004 de ISD maatregel). En het staat niet stil: sinds 2011 gebruikt de politie een patroon (de Action NP) die aanmerkelijk ernstiger verwondingen veroorzaakt dan zijn voorgangers, na 2011 is de concentratie van pepperspray verhoogd (2014), is er een stoerder uniform gekomen (2014), is er een nieuw vuurwapen gekomen met een grotere patroonhouder (2015), wordt de uitschuifbare wapenstok ingevoerd (2018) en is er een pilot met het stroomstootwapen gehouden. De stelling dat de politie bij de hantering van het geweldsmonopolie in onbalans is geraakt, door een te grote nadruk op relationele kwaliteiten, is niet houdbaar. De politie treedt over het algemeen kordaat op, de politie wordt over het algemeen gehoorzaamd en geweld in de samenleving en tegen de politie neemt af. Er is dus geen empirische onderbouwde noodzaak om het dreigsysteem te versterken met nieuwe geweldsmiddelen.

Bouwstenen

Dat sluit niet uit dat less-than-lethal wapens (in samenhang met sturing, opleiding en training) een bijdrage kunnen leveren aan een situatie waarin het risico op letsel (specifiek bij politieambtenaren) vermindert en waarbij de politie haar doelen op een effectievere en meer efficiente manier kan bereiken. Om duidelijkheid te krijgen over die mogelijke bijdrage is eerst en vooral een duidelijke visie nodig van de politie op de hantering van geweld. We identificeerden tien elementen die cruciaal zijn voor een maatschappelijk verantwoorde en geaccepteerde uitoefening van het geweldsmonopolie:

  • Politiegeweld moet altijd een uiterst redmiddel zijn, voor de gevallen waarin alle andere opties zijn uitgeput of uitgesloten (ultimum remedium). Aan het geweld moet zo mogelijk een waarschuwing voorafgaan. Het aangewende politiegeweld moet in verhouding staan tot de omstandigheden en het door verdachte gepleegde delict (proportioneel) en de politie moet proberen het gestelde doel te bereiken door het minst indringende middel op de minst indringende manier toe te passen (subsidiair).
  • Er is geen bevoegdheid om geweld te gebruiken in het kader van gedwongen hulpverlening: dat levert in de praktijk veel dilemma’s op die de politie in een vrijwel onmogelijke positie plaatsen.
  • Toepassing van geweld dient plaats te vinden vanuit de kernwaarden van de rechtsstaat (zonder willekeur, op voorspelbare wijze en voor eenieder op gelijke wijze) en de kernwaarden van de politie (moedig, betrouwbaar, verbindend en integer).
  • Belangrijk voor een visie op de hantering van het geweldsmonopolie is dat deze niet gebaseerd is op de waan van de dag, onderbuikgevoelens of beeldvorming maar op empirisch gefundeerde feiten en analyses.
  • Less than lethal-wapens spelen een belangrijke rol bij de hantering van het geweldsmonopolie: zij kunnen ingezet worden in situaties waarin gebruik van het vuurwapen niet passend en niet gerechtvaardigd is, waarbij fysiek optreden te kort schiet en waarbij geloofwaardig optreden geboden is.
  • De mate van ingrijpendheid van het toegepaste geweld hangt af van de wijze waarop het wordt toegepast. Er is dan ook niet ondubbelzinnig een rangorde of continuüm waarop teruggevallen kan worden. Uitoefening van elke vorm van geweld vindt altijd plaats in een interactie tussen politie en burgers in een specifieke context. Use of force- modellen zijn niet geschikt als basis voor een visie op geweldgebruik.
  • Uitgangspunt is een “professioneel geweldsmonopolie”, waarbij de politieambtenaar relatief autonoom handelt binnen de wettelijke kaders en volgens professionele standaarden, waarop de politieorganisatie intern zelf toeziet en waarop extern gecontroleerd wordt. Dit betekent dat de organisatie en de individuele agent gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor zowel het onderhoud van de vaardigheden in het geweldgebruik als voor de verantwoording en de afwikkeling (van de gevolgen) van het geweldgebruik.
  • Onderdeel van de hantering van het geweldsmonopolie is een voortdurende en transparante probleemanalyse van situaties waarbij geweld tegen en/of geweld door de politie gebruikt wordt.
  • Door middel van toetsing en sturing enerzijds en opleiding, training en evaluerende feedback anderzijds bevordert de politie juist en gewenst gebruik van geweld. Hoe ruimer de inzetcriteria voor een geweldmiddel zijn, hoe groter de eisen die gesteld moeten worden aan processen van transparante verantwoording en bevorderen van vakmanschap.
  • Zoals alle strafvorderlijke ambtshandelingen moet ook het geweldgebruik worden geregistreerd, uitgelegd en verantwoord. Met behoud van privacy, veiligheid en rechtsbescherming van zowel burger als agenten moeten politie en bevoegd gezag hierover maximale openheid betrachten.

De verkenning en afweging van en de keuze voor nieuwe geweldsmiddelen voor de goede uitvoering van de politietaak vereist een permanente commissie voor de politiebewapening. Daarnaast is de ontwikkeling van een duidelijke visie van de politie op de hantering van geweld voorwaardelijk voor de uitvoering van de politietaak. Dat is van belang om het gebruik van geweld in de voortdurende veranderende context van de samenleving en van het politievak te kunnen laten mee ontwikkelen.

Over de auteurs

Otto Adang is lector  aan de Politieacademie.  Bas Mali werkt op dezelfde plek als wetenschappelijk onderzoeker.  Jaap Timmer is politiesocioloog aan de  Vrije Universiteit in Amsterdam.

Gebruikte literatuur

Adang, O.M.J., N. Kop, H. Ferwerda, J. Heijnemans, W. Olde Nordkamp,  P. de Paauw & K. van Woerkom (2006). Omgaan met conflictsituaties: op zoek naar goede werkwijzen bij de politie. Zeist: Uitgeverij Kerckebosch bv.
Commissie Heijder (1987). Commissie bezinning op het geweldgebruik door de politie, Geweldgebruik door de politie. Den Haag: Ministerie van Justitie.
Kop, M., Wal, R. van der, & Snel, G. (2011). Opsporing belicht. Over strategieën in de opsporingspraktijk. Apeldoorn: Politieacademie.
Politie (2014). Overdrachtsdocument commissie Bewapening, Uitrusting en Kleding. Niet gepubliceerd.
Reenen, P. van (2009). De tanden van de politie. In: B. van Stokkom,  J. Terpstra en L. Gunther Moor (red). De politie en haar opdracht: de kerntakendiscussie voorbij. Antwerpen Maklu p 117­138.
Rood, J. (2013). Wat is er mis met gezag? Rotterdam, Lemniscaat. Stokkom, B. van (2014). Democratie en gezagsschuwheid. Naar een robuuste opvatting van politieel gezag. Cahiers Politiestudies, 31, p 55­70
Timmer, J. S., & Cozijn, V. M. (2016). Geweld door politie. In M. Liem, & E. R. Muller (Eds.), Geweld. Geweld en geweldsbeheersing in Nederland (pp. 297322). (Handboeken Veiligheid). Deventer: Wolters Kluwer.
Torre . E.J. van der, P.J. Gieling, M.C. Dozy, F.C. van Leeuwen en W. Hamoen  (2011). Veilig politiewerk. De basispolitie over geweldgebruik. Den Haag, Boom Lemma.

Reageer