Straatgezag, is er inderdaad iets mis?

0

Volgens burgers en wetenschappers neemt het gezag van de politie af. Maar observaties in acht basisteams spreken dit tegen. De meeste burgers doen gewoon wat de politie vraagt, concluderen Astrid Scholtens, Marijn Helsloot en Ira Helsloot.

Er heerst het beeld dat er iets mis is met het gezag van de Nederlandse politie. Uit verschillende enquêtes onder burgers blijkt dat Nederlanders vinden dat de politie te weinig gezag uitstraalt (De Telegraaf, 2015; Stichting Maatschappij en Veiligheid, 2013). Ringeling en Van Sluis (2011) en Van Stokkom (2013) stellen dat van “blindelings gehoorzamen of van klakkeloos vertrouwen” geen sprake meer is. Het gezag van de politie moet daarom ook steeds vaker worden verdiend (Brenninkmeijer, 2014; Van Damme, 2014). Kortom, volgens zowel de Nederlandse burger als (politie)wetenschappers is het gezag van de politie tanende. Rood (2013) trekt echter een afwijkende conclusie. Volgens hem valt het wel mee met de afname van gezag bij ten minste de Amsterdamse politie waar hij onderzoek deed.

Verreweg de meeste mensen gehoorzamen meteen aan oproepen van deze politiemensen. Of het gezag van de politie daadwerkelijk tanende is, en Nederlanders niet langer “blindelings” gehoorzamen, valt dus te betwijfelen. In opdracht van het programma Politie en Wetenschap heeft Crisislab onderzoek gedaan naar het gezag van de politie. Er is specifiek gekeken naar “straatgezag”: wordt er op straat naar de politieman of -vrouw geluisterd en worden aanwijzingen opgevolgd? In tegenstelling tot het eerdere onderzoek van Rood hebben we het onderzoek uitgevoerd in meerdere basisteams in Nederland. Ook hebben we gekeken naar factoren en motivaties van burgers die van invloed kunnen zijn op het gehoorzaamheidsgedrag.

Het onderzoek
Voor onze observaties zijn we in totaal (in de periode medio 2017 – begin 2018) met 38 diensten meegelopen, verdeeld over 8 basisteams. Hierbij waren we afhankelijk van de bereidheid van de basisteams om mee te werken. Toch was er een redelijke spreiding van basisteams. Zo sloten we aan bij diensten in Amsterdam en Den Haag, maar ook in bijvoorbeeld Eindhoven en Beverwijk. Ook zijn we met zowel ochtend-, avond- als nachtdiensten meegelopen. Dat leverde een variëteit op aan diensten, politiefunctionarissen en publiek/burgers.

In het onderzoek is er onderscheid gemaakt tussen een “gehoorzaamheidsoproep” en een “gehoorzaamheidsinteractie”. Een gehoorzaamheidsoproep is een oproep van een politiefunctionaris om een burger te laten gehoorzamen. Dit kan verbaal, non-verbaal of een combinatie van beide zijn. Een non-verbale oproep kan een fysiek gebaar zijn van onze geobserveerde politiefunctionaris maar ook een stopteken door een politiewagen of andere politiefunctionaris die buiten beeld is (en waar door de burger in aanwezigheid van onze geobserveerde politiefunctionaris later op wordt gereageerd). Een gehoorzaamheidsinteractie is een interactie tussen een politiefunctionaris en een (unieke) burger waarbij de burger zichtbaar reageert op een of meerdere gehoorzaamheidsoproepen.

In totaal zijn er 339 gehoorzaamheidsoproepen geobserveerd, verdeeld over 210 gehoorzaamheidsinteracties (wat neerkomt op 210 unieke burgers). (Zie voorbeeld in kader.)

Voor onze observaties hebben we gebruik gemaakt van een gestandaardiseerd observatiekader. In dit kader hebben we factoren/ kenmerken van politiefunctionarissen en burgers opgenomen die zijn gebaseerd op eerdere onderzoeken. Het gaat daarbij om twee Amerikaanse onderzoeken (Mastrofski e.a., 1996; McCluskey e.a., 1999) en een Nederlands onderzoek (De Mare e.a., 2014). De reden dat we vooral deze twee Amerikaanse onderzoeken hebben gebruikt, is dat in tegenstelling tot veel andere studies de interactie tussen politie en burgers ook echt in de praktijk is bestudeerd. In beide onderzoeken is gekeken welke factoren/ kenmerken feitelijk van invloed zijn op de gehoorzaamheid van burgers. Het Nederlandse onderzoek van De Mare e.a. is alleen gebaseerd op de perceptie van burgers met betrekking tot de gezagsuitstraling van de politie. Een toevoeging aan al het gezagsonderzoek, dus ook aan dat van Rood, is het houden van flitsinterviews: een snel interview waarin een aantal korte vragen aan burgers is gesteld over hun motivatie om wel/niet te gehoorzamen. Deze interviews hebben we meteen na afloop van de gehoorzaamheidsinteracties afgenomen. Helaas lukte dit niet bij elke burger omdat de interactie te kort was en de burger meteen weer doorliep, sommige burgers geen vragen wilden beantwoorden of sommige burgers dusdanig verward waren dat het stellen van vragen niet zinvol was. Vooral de mensen die gehoorzaamden hebben onze vragen beantwoord. Het ging om totaal 120 mensen.

Hoe (on)gehoorzaam zijn burgers?
Ons onderzoek laat zien dat veruit de meeste mensen doen wat de politie van hen vraagt: aan 95 procent van alle gehoorzaamheidsoproepen werd door de burger gehoorzaamd. Slechts aan 18 van de 339 oproepen werd (dus) geen gehoor gegeven. Wanneer er gekeken wordt naar gehoorzaamheidsinteracties dan werd in 92 procent van de 210 interacties aan alle oproepen die tijdens de interactie plaatsvonden, gehoorzaamd. Dat betekent dat in slechts 17 van de 210 interacties er door de burger aan minimaal een van de oproepen in de interactie niet werd gehoorzaamd. Naast gehoorzaamheid is er ook gekeken of burgers “onder protest gehoorzamen”. Volgens verschillende auteurs gehoorzaamt de burger immers niet langer blindelings. Ook dit blijkt in de praktijk mee te vallen: veruit de meeste mensen (82 procent van de 206 ) gehoorzaamden ook nog eens zonder protest.

Kenmerken politiefunctionarissen
We hebben ook gekeken naar de invloed van bepaalde kenmerken van de politiefunctionaris op het wel of niet (onder protest) gehoorzamen van de burger. We hebben een 5 procent betrouwbaarheidsdrempel gehanteerd om te beoordelen of er sprake was van een significante invloed. We merken op dat we een aantal kenmerken objectief konden waarnemen (zoals lengte van de politiefunctionaris of het wel of niet dragen van een pet) maar dat een aantal kenmerken afhankelijk was van de interpretatie van de waarnemende onderzoeker (zoals de mate van respect waarmee de politiefunctionaris een burger aansprak).

Opvallend is als eerste dat geen van de (fysieke) kenmerken van de politiefunctionaris van significante invloed was op de mate van gehoorzaamheid van burgers. De kenmerken:
ervaring van de politiefunctionaris (meer of minder dan 5 jaar in functie)
omvang (gezet, volslank of slank)
lengte (lang, gemiddeld of klein)
geslacht
huidskleur (donker getint of blank)
wapen dragend (wel of geen wapen, in praktijk droeg echter bijna iedere politiefunctionaris een wapen)
pet dragend
jas dragend
lengte mouwen van het shirt als de jas niet werd gedragen (korte of lange mouwen) leidden geen van allen significant tot meer ongehoorzaamheid of tot vaker protest bij de burger.

Het gedrag van de politiefunctionaris speelde wel een significante rol binnen het straatgezag van de politie. Zo leidde een bevel significant vaker tot ongehoorzaamheid en een verzoek significant vaker tot gehoorzaamheid. De meeste oproepen werden ook als verzoek door de politiefunctionaris geformuleerd. Ook werd er significant minder gehoorzaamd aan een politiefunctionaris met een assertieve houding. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat er erg weinig oproepen plaatsvonden waarin de politiefunctionaris een assertieve houding aannam (slechts in 2 procent van de gevallen). De politiefunctionarissen namen vrijwel altijd een waakzame houding aan.

De overige onderzochte gedragsfactoren speelden geen rol in de mate van (onder protest) gehoorzamen:
• de toon van de politiefunctionaris (commanderend of vriendelijk/neutraal),
• het respect dat de politiefunctionaris toont (onrespectvol, matig respectvol of respectvol, geen van de politiefunctionarissen werd echter gekwalificeerd als onrespectvol),
• het gelaat van de politiefunctionaris (hard, neutraal of vriendelijk) en
• het maken van fysiek contact. In het bijzonder hebben we dus ook geen empirische onderbouwing gevonden van de uitspraken van Ringeling & Van Sluis (2011) en Van Stokkom (2013) dat het geven van een uitleg een randvoorwaarde is om als politie straatgezag te hebben.

Kenmerken van burgers
We hebben ook gekeken naar de (fysieke) kenmerken van de burger. Net als bij de politiefunctionaris speelden ook hier de meeste kenmerken geen rol; als er gekeken wordt naar
leeftijd (jong, middelbaar of oud)
geslacht
migratieachtergrond (wel of geen migratieachtergrond) was er geen significante invloed op de mate van (onder protest) gehoorzamen. Een aantal kenmerken van burgers speelde een rol bij de mate van (onder protest) gehoorzamen: zichtbaar emotionele burgers protesteren significant vaker dan burgers die dat niet zijn. Verwarde personen en bekende criminelen (gedefinieerd als mensen die eerder met de politie in aanraking zijn gekomen) zijn significant vaker ongehoorzaam.

Flitsinterviews
Tijdens de 120 flitsinterviews waarin we naar de motivatie om te gehoorzamen hebben gevraagd, gaven de meeste respondenten aan een innerlijke “normen en waarden” overtuiging te voelen om te gehoorzamen (38 procent). Andere “populaire” motieven waren dat: • zij ervaren geen keus te hebben en/of erger (zoals een bekeuring) willen voorkomen (34 procent) • zij het “logisch” vinden om aan de politie te gehoorzamen (31 procent). Enerzijds ervaren de respondenten dus een morele plicht om aan de politie te gehoorzamen, maar anderzijds kan er ook uit een meer praktisch oogpunt worden gehoorzaamd.

Dergelijke motieven vormden ook een motief om niet te protesteren. Hoewel andere antwoorden werden gegeven, bleken ook hier vooral innerlijke motieven een rol te spelen. Antwoorden als “het is hun werk, dat doe je niet” (22 procent) of “ik zat fout, dus mijn eigen schuld” (22 procent) werden het meest gegeven. Slechts 10 procent gaf aan bang te zijn voor mogelijke consequenties, waardoor hij/zij niet protesteerde.

Het geheel overziend
Wanneer we specifiek kijken naar het straatgezag van de politie, dan is een eerste conclusie van dit onderzoek dat hier niets mis mee is: 92 procent van de burgers gehoorzaamt aan een oproep van de politie, en 82 procent doet dat ook nog eens zonder protest. Daarvoor worden vaak “innerlijke overtuiging” motieven gegeven: het wordt als normaal en logisch beschouwd om aan de politie te gehoorzamen en volgens veel respondenten zijn het de gangbare normen en waarden. Of het straatgezag van de politie, zoals door verschillende auteurs gesteld, tanende is, lijkt dan ook niet voor de hand te liggen.

Een tweede conclusie is dat zowel de fysieke kenmerken van de politiefunctionaris als die van de burger geen rol spelen: de kleding en uitrusting van de politiefunctionaris, het geslacht en leeftijd van de burger, het speelt allemaal geen (significante) rol in het wel of niet gehoorzamen aan een oproep van een politiefunctionaris. Kenmerken die wel van invloed zijn: een bevel leidt tot minder gehoorzaamheid terwijl een verzoek juist tot meer gehoorzaamheid leidt. Verreweg de meeste oproepen waren ook een verzoek. Daarnaast gehoorzaamden verwarde personen en bekende criminelen significant minder vaak.

We benoemen nog separaat dat wij geen bewijs hebben kunnen vinden dat beargumenteerde oproepen tot meer gehoorzaamheid zouden leiden, zoals door sommige auteurs wordt beweerd.

Voor de politie(opleiding) is vooral van belang dat het formuleren van een oproep als een verzoek positieve invloed heeft op de gehoorzaamheid. Zichtbaar in het onderzoek was dat veel politiefunctionarissen dit (dan) ook al doen.

Reageer