Vijf adviezen aan wijkagenten over opereren binnen een hechte leefgemeenschap

0

In dit artikel staat de vraag centraal wat wijkagenten kunnen doen om succesvol te opereren binnen zogeheten hechte leefgemeenschappen. Met succesvol bedoelen we dat ze in staat zijn enerzijds informatie te vergaren en te handhaven, en anderzijds over bestendige netwerkcontacten beschikken binnen de betreffende leefgemeenschap. Gebaseerd op recent onderzoek dat werd verricht voor het Programma Politie en Wetenschap, worden vijf adviezen aan wijkagenten gepresenteerd over het opereren binnen deze gemeenschappen. Daarbij gaat het in essentie steeds om de kennis, maar ook om de houding en timing van de wijkagent.

De centrale vraag beantwoord ik aan de hand van het onderzoek Horen, Zien en Zwijgen. Dat betrof de opsporing binnen hechte leefgemeenschappen, waarin nadrukkelijk ook de rol van de wijkagent werd betrokken (Bervoets en Bruinsma, 2017). Een kernbevinding van dat onderzoek is dat door rechercheurs bij hechte leefgemeenschappen stevig wordt geleund op de wijkagent. Zij zijn afhankelijk van deze functionaris als het gaat om de kennis- en informatiepositie van de politie in hechte leefgemeenschappen en de contacten tussen politie en (leden van) de gemeenschap. Dit artikel in het kader van dit themanummer spitst zich toe op de rol van wijkagenten, en het oorspronkelijke accent – de opsporing – wordt enigszins losgelaten.
Voordat ik de centrale vraag beantwoord en adviezen behandel aan de wijkagent, zal ik dieper ingaan op de achtergrond van de hechte leefgemeenschappen en tevens aangeven wat de opzet was van het onderzoek.

Gesloten gemeenschappen: grote sociale controle
Politiemensen worden misschien nog het vaakst geconfronteerd met buurten en wijken waar nu juist een gebrekkige sociale controle heerst en waar mensen naast elkaar heen lijken te leven. Veel onderzoeken gaan over dat probleem (o.a. Bervoets, 2006 en Kleijer-Kool, 2013). Geregeld is de anonimiteit in dat soort gebieden een voedingsbodem voor criminaliteit. Mensen spreken elkaar zelden aan op hun gedrag omdat ze elkaar niet kennen. ‘Leven en laten leven’, lijken de wijkbewoners te denken. Het is dan voor de politie en lokale partners de kunst om hen bij elkaar te brengen en daarmee de sociale controle onder buurtbewoners te versterken door in te zetten op verbinding.
De politie heeft echter af en toe ook te maken met buurten en wijken die een krachtige onderlinge sociale controle kennen en een scherp onderscheid tussen de bewoners en buitenstaanders. In deze gesloten gemeenschappen is het moeilijk contact te maken en te onderhouden met de bevolking. De politie heeft overigens, los van dit soort woongebieden, vaker van doen met een gesloten gemeenschap. Denk aan een sekte, een motorbende, woonwagenkampen en sommige etnische groepen die zeer moeilijk toegankelijk zijn voor buitenstaanders, dus ook voor de politie.

Dorpen en stadswijken met een hechte leefgemeenschap
Een definitie van hechte leefgemeenschappen is: dorpen en stadswijken met een sterke informele sociale controle en een vaak historisch gegroeide terughoudendheid – geslotenheid – tegenover de buitenwereld. Het is moeilijk om er als buitenstaander tussen te komen: als politie, als overheid, maar ook als nieuwe inwoner van buiten (‘import’). Er is weinig behoefte aan pottenkijkers.
In de populaire cultuur en onder schrijvers bestaat een grote fascinatie voor gesloten gemeenschappen. Voor de hand ligt het om te verwijzen naar Twin Peaks, de Amerikaanse televisieserie uit de jaren negentig, waarin het een jonge rechercheur wegens het aldoor zwijgen van de gemeenschap maar niet lukt om de moord op Laura Palmer op de lossen. Het Nederlandse Twin Peaks is het Drentse Koekange, bij Hoogeveen, waar in 1909 een drievoudige roofmoord werd gepleegd waarover het dorp altijd is blijven zwijgen. En dat, terwijl zeer waarschijnlijk iedereen wist wie de dader was. Schrijver Max Dendermonde verhaalde erover in De Stilte van Koekange (1989). Tegenwoordig is Koekange overigens veel minder gesloten wegens de ‘import’ van nieuwe bewoners.
Ook vandaag de dag bestaan er echter wel degelijk nog hechte leefgemeenschappen in Nederland, waar het politiewerk sterk wordt bemoeilijkt doordat de plaatselijke bevolking niet graag meewerkt. Daarmee stuiten we op het essentiële probleem dat zich dan voordoet: uit de literatuur blijkt dat de politie bij haar werk – dat kan worden opgevat als formele sociale controle – niet kan zonder de informele sociale controle van burgers onderling (Cornelissens en Ferwerda, 2010).

Opzet onderzoek
Het onderzoek bestond uit een meervoudige casestudie. Per casus – een hechte leefgemeenschap – werden interviews gehouden met (politie)professionals en bewoners, observaties verricht en op zoek gegaan naar geschreven bronnen over die specifieke casus. De keuze voor casusonderzoek was om sociale mechanismen – bijvoorbeeld de lokale sociale controle – te onderzoeken in de natuurlijke context.
Uiteindelijk werden vijf casus geselecteerd, die bij de politie (afgaande op twee à drie oriënterende interviews), in de publieke opinie (afgaande op mediaberichtgeving) en in de literatuur een reputatie hebben als hechte leefgemeenschap. Over enkele als hecht veronderstelde dorpen en stadsbuurten bestaat immers reeds onderzoeksliteratuur, soms waren dat wetenschappelijke onderzoeken (o.a. Schreurs, 1947) maar vaak was er ook heemkundig materiaal van (amateur)historici en onderzoeksjournalistiek materiaal (o.a. Smid, 2013). Gegeven de hiervoor genoemde selectiecriteria is uiteindelijk gekozen voor het West-Brabantse Sint Willebrord; de stadsbuurt Broekhoven in Tilburg (‘Vogeltjesbuurt’); de stadsbuurt Ondiep in Utrecht; Volendam en de stadsbuurt Enschede-Wesselerbrink (zie Bervoets en Bruinsma (2017) voor een uitgebreide verantwoording).

De casuïstiek op hoofdlijnen beschreven
Sint Willebrord is zowel bekend van de goede wielrenners als de soms internationaal opererende drugscriminelen, zoals Volendam naast een hofleverancier van Nederlandstalige muziek (‘palingsound’) ook een schaduwkant heeft. Denk aan het veelvuldig gebruik van cocaïne onder jonge mensen. De wijken Ondiep en Broekhoven zijn ontstaan doordat sociaal kwetsbaren in het verleden als gevolg van lokale huisvestingspolitiek in één enkele buurt werden geplaatst.
In deze vier gebieden valt op dat er sinds jaar en dag enkele ‘stamfamilies’ wonen en (hierdoor) veel bijnamen worden gebruikt om mensen met dezelfde naam uit elkaar te houden. Iemand met een afwijkende achternaam is dan vast een ‘jas’ (Volendam) van buiten of een ‘vremdschijter’ (Sint Willebrord). De Enschedese wijk Wesselerbrink is de enige casus met een niet-westerse bevolking. In de wijk wonen veel zogeheten Suryoye, een christelijke bevolkingsgroep met haar oorsprong in Syrië en Turkije (Schukkink, 2012). Deze gemeenschap leek overigens het minst op een hechte gemeenschap. Veeleer leek deze groep op Marokkanen die onderling zeer verdeeld zijn en waarbij het eerder de onwetendheid over de cultuur is die politiemensen onzeker maakt (Bervoets, 2006; Bovenkerk, 2014). Zie verder de uitgebreide casusbeschrijvingen in Bervoets en Bruinsma, p. 35-66.
Hierna presenteren we vijf adviezen aan wijkagenten om succesvol te opereren bij hechte leefgemeenschappen.

1. Maak het jezelf makkelijker en zie het wijkagentenwerk als heemkunde
We beginnen met het meest voor de hand liggende advies, dat echter volgens geïnterviewde politiemensen geregeld niet wordt opgevolgd. Het blijkt dat politiemensen de plank goed kunnen misslaan in hechte leefgemeenschappen als ze niet beschikken over kennis over het gebied en de gemeenschap. En dan gaat het ook niet alleen om actuele kennis. De sociale verhoudingen in hechte leefgemeenschappen zijn vaak alleen te snappen zijn als tevens wordt gekeken naar de gebiedshistorie. Denk aan oude familievetes, het ontstaan van bijnamen, en het belang van lokale tradities, zoals de plaatselijke kermis of de waarde die wordt gehecht aan een communie- of trouwfeest. Maar denk ook aan kennis over de historische verhouding met de lokale overheid. Het is bijvoorbeeld goed om te weten of er ooit eerder geruchtmakende incidenten waren die – nog steeds – de relatie van de gemeenschap en de politie bepalen.
Een wijkagent moet de lokale mores kennen om te snappen waarom mensen zich gedragen zoals ze zich gedragen. Verder helpt het als wijkagenten de lokale spreektaal (vaak een dialect) spreken of toch op zijn minst kunnen verstaan. Dat doet het ijs eerder breken. Al deze etnografische kennis helpt bovendien toegang te krijgen tot de gemeenschap, er een relatie mee op te bouwen en intussen relevante informatie te vergaren voor politiewerk.

2. Laat je niet ‘gijzelen’
Een buitenstaander wordt echter niet zomaar toegelaten in een hechte leefgemeenschap. Tijdens het onderzoek is met inwoners gesproken die ook na jarenlang in een gemeenschap woonachtig te zijn geweest er geen poot aan de grond hadden kregen. Bijvoorbeeld omdat zij niet hoorden bij de stamfamilies in het dorp of de wijk of omdat zij weigerden zich te schikken naar de lokale mores.
Geen toegang krijgen en niet worden geaccepteerd door een hechte leefgemeenschap geldt voor politiemensen misschien nog meer dan voor anderen. Zij vertegenwoordigen immers een overheid die door de inwoners van oudsher wordt gewantrouwd, omdat die regels oplegt die zich niet altijd goed verhouden tot de plaatselijke normen en waarden. De politie wordt simpelweg gezien als een storende factor die je maar beter op afstand kunt houden. Omgekeerd komt trouwens ook voor: juist de wijkagent zo dichtbij te houden dat deze zijn functie voor de politieorganisatie kwijtraakt.
Uit de gesprekken en observaties blijkt dat er van de twee kanten nogal stevig wordt ‘getrokken’ aan de wijkagent: van de zijde van de hechte gemeenschap en van de kant van de eigen politieorganisatie. Dat krachtenspel vormt de achtergrond voor het politiewerk in dit soort gemeenschappen. Het is de kunst voor de wijkagent om niet ten prooi te vallen aan het claimgedrag van de lokale samenleving en haar eisenpakket. Een goede wijkagent is volgens de gemeenschap betrokken, kent de lokale ongeschreven codes en mores én maakt het de gemeenschap niet te lastig. De wijkagent wordt uitgetest, op waarde geschat, gewikt en gewogen en geëvalueerd. Een wijkagent die voldoet aan de eisen van de gemeenschap is voor het politiewerk soms niet of minder bruikbaar. Eenmaal gegijzeld door het fijnmazige netwerk van onderlinge verhoudingen en belangen zal een wijkagent zich bijvoorbeeld eerst flink achter de oren krabben alvorens informatie door te zetten naar zijn collega’s van de recherche of mensen te bewegen om te verklaren over een strafbaar feit.

3. Weet dat complimenten uit de gemeenschap geregeld verraderlijk zijn
Voor wijkagenten is het heel aangenaam om te horen dat ze geliefd zijn bij de bevolking. Het helpt deuren te openen en het kan hen veel nuttige informatie opleveren voor politiewerk, ook voor handhaven en opsporen. Echter reeds werd aangegeven dat een hechte leefgemeenschap er geregeld belang bij heeft om de wijkagent onschadelijk te maken. Daarbij hoort in het uiterste geval het gebruik van intimidatie en geweld. Daartoe zal ze toch niet snel overgaan, omdat men dan de ‘verkeerde aandacht’ over zich afroept en het imago (verder) schaadt.
Liefst zal worden getracht de wijkagent te paaien en onder te dompelen met complimenten. De strategie van de gemeenschap is er dan een van insluiten door ervoor te zorgen dat de wijkagent zich loyaal voelt naar de gemeenschap en schroom voelt om bijvoorbeeld informatie te delen met de recherche en handhavend op te treden. De wijkagent laat de handhaving dan over aan collega’s. Mislukt deze strategie van insluiting, dan wordt getracht de politiefunctionaris buiten te sluiten door deze te negeren, stevig over hem of haar te roddelen en zo de reputatie te schaden of uiteindelijk toch – als het echt in de ogen van de plaatselijke bevolking niet anders kan – te intimideren en geweld te gebruiken.
We tekenden in interviews uitzonderlijke verhalen op van wijkagenten tegen wie fysiek geweld is gebruikt, maar vaker nog werden de buiten te sluiten wijkagenten bedreigd of hun eigendommen (bijvoorbeeld de privé-auto) werden vernield. Daarbij is het goed om aan te geven dat in een hechte leefgemeenschap een soortgelijk sanctierepertoire geldt voor de eigen leden. Ook voor hen is het ‘buigen’ (meedoen) of ‘barsten’ (buitengesloten worden). De gemeenschap hanteert vaak van oudsher een eigen ongeschreven ‘Wetboek van Strafrecht’, dat soms haaks staat op de normen in de rest van de samenleving. Personen die door de politie en de samenleving worden gezien als verdachten, worden door de gemeenschap geregeld als slachtoffers gezien en andersom. Ook personen die niet van plan zijn te buigen komen aan bod in het sanctierepertoire. Zij worden niet geaccepteerd en er wordt geprobeerd hen ‘eruit te werken’.

4. Doorslaggevend: houding en timing
Uit het onderzoek blijkt dat gebiedskennis essentieel is, maar dat de houding en timing van de wijkagenten doorslaggevend zijn voor het al dan niet succesvol opereren in hechte leefgemeenschappen.
Een wijkagent die zich instrumenteel opstelt door zich op informatievergaring te richten en minder waarde te hechten aan de door de gemeenschap geëiste wederkerigheid, zal moeilijk toegang krijgen tot de hechte leefgemeenschap. Die blijft zich dan afstandelijk en zakelijk opstellen. Het onderhouden van voor de politie vruchtbare contacten in een hechte gemeenschap vergt – zo impliceren de vorige adviezen – pure evenwichtskunst. Het voortdurend balanceren tussen voldoende afstand en betrokkenheid maakt kwetsbaar en brengt een groot afbreukrisico met zich mee.
Een wijkagent die dit probleem het hoofd wil bieden, stelt zich weliswaar dienstbaar op. Maar wel met een rechte rug, doordat hij of zij enerzijds personen in de gemeenschap wil helpen en anderzijds ook steeds duidelijk maakt dat waar nodig samen met collega’s zal worden opgetreden tegen misdaad en overlast. Uiteindelijk begrijpt de gemeenschap volgens geïnterviewde politiemensen en bewoners heus wel dat de politie haar werk moet doen en niet steeds de oren kan laten hangen naar de eisen van de gemeenschap.
Naast houding is ook de timing van wijkagenten van groot belang. Uit het onderzoek blijkt dat zich soms vanuit een gemeenschap tijdelijke openingen voordoen. Dan wordt een lid van die gemeenschap ineens erg spraakzaam tegenover de politie omdat deze (tijdelijk) gedeelde belangen ervaart en graag over iemand wil getuigen. Denk aan verklaringen over een zedendelinquent in een van onze casus, die ook in de gemeenschap zelf als dader wordt gezien. Het is dan zaak om als wijkagent die openingen te kunnen zien en gebruiken.

5. Accepteer het wanneer de ‘magie’ uitgewerkt is
In één van de gemeenschappen werkte een wijkagent die het al enkele jaren achtereen was gelukt om zeer succesvol te opereren. Maar zelfs deze politieman kreeg af en toe nul op het rekest. Sommige collega’s klaagden over het feit dat hij er soms voor koos zijn bronnen af te schermen. Hij bleef daar nuchter onder en gaf aan dat het maar zo kan gebeuren dat binnen enige tijd de magie zou zijn uitgewerkt. Daarmee doelde hij op het reeds genoemde evenwichtsspel van wijkagenten in hechte leefgemeenschappen. Hij gebruikte bewust het woord magie, omdat het hem niet altijd duidelijk was waarom het hem wel lukte om bestendige contacten te onderhouden, waar andere (goede) collega’s geen poot aan de grond kregen.
De uitgewerkte magie kan het gevolg zijn van het geleidelijk op elkaar uitgekeken zijn van wijkagent en de hechte gemeenschap. Partijen hebben elkaar dan niets meer te vertellen. De ‘liefde is over’. Maar één enkel incident kan er ook voor zorgen dat er een meer abrupt einde komt aan de relatie. Een uit de hand gelopen aanhouding, ook al was de wijkagent daar zelf niet bij betrokken, een huiszoeking door de recherche of soms een tamelijk klein akkefietje, kunnen ervoor zorgen dan de wijkagent ‘klaar’ is in de gemeenschap. Deze wordt er dan uitgewerkt, niet meer in vertrouwen genomen of gewoonweg genegeerd.

Slot en discussie
De voorgaande vijf adviezen hebben als gemene deler dat gebiedskennis over gemeenschappen heel belangrijk is. De wijkagent dient zich bewust te zijn van de lokale mores, de historie en de werking van de lokale sociale controle. Maar uiteindelijk zijn houding en timing doorslaggevend. Kennis alleen volstaat niet.
Deze aanbeveling lijkt erg op die in onderzoeken naar bijvoorbeeld de omgang van politie met Marokkanen, Turken of andere bevolkingsroepen in het kader van multicultureel vakmanschap. Eén casus uitgezonderd betrof het in het onderzoek Horen, Zien en Zwijgen echter autochtone leefgemeenschappen. Voor de soms markante trekken van dit soort (hechte) gemeenschappen lijkt bij de politie min- der aandacht dan voor de meer ‘exotische’ en wellicht hierdoor onbekend veronderstelde, niet-westerse bevolkingsgroepen (zie ook Hoekman, 2017). Hoe moet worden omgegaan met autochtonen wordt toch als bekend verondersteld.
De vijf adviezen in dit artikel pleiten echter voor aandacht bij de politie voor ‘policing multiple communities’; dus breder dan de focus op zogeheten ‘exotische’ niet-westerse gemeenschappen die overigens – zeker in het geval van Marokkaanse Nederlanders – veelal geen echte gemeenschap zijn, laat staan een gesloten leefgemeenschap (Bovenkerk, 2014).
De centrale boodschap van dit artikel is dat conflicterende belangen, het soms extreme claimgedrag en de ingewikkelde positie van de wijkagent het politiewerk in hechte gemeenschappen onderscheidend maakt van het werk in dorpen en stadswijken met minder of zelfs een gebrek aan informele sociale controle. Een roulatiebeleid, waarbij wijkagenten na een bepaalde periode worden vervangen, neemt dat probleem niet weg. Sterker nog: wijkagenten geven aan dat deze periode vaak veel te kort is om een goed lokaal netwerk binnen de gemeenschap op te bouwen. Op plekken waar al een sterke controle is, zou het politiewerk gericht moeten zijn op het omgaan met de conflictpunten tussen formele en informele sociale controle en op – zo men wil – het omgaan met ‘tegenculturen’ (Klein Kranenburg, 2013) of zelfs ‘moral economies’ (Moors en Spapens, 2017). Het is dan wel interessant om bevindingen uit dit onderzoek te vergelijken met studies naar politiewerk in andere ‘gemeenschappen’ die zich maar moeilijk openstellen.

Literatuur
Bervoets, E. en M. Bruinsma (2017). Horen, Zien en Zwijgen: opsporing in dorpen en stadsbuurten met een gesloten leefgemeenschap. Reeks Politiewetenshap 97. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
Bervoets, E. (2006). Tussen respect en doorpakken: de politiële aanpak van Marokkaanse jongeren in Gouda, Utrecht en Amsterdam. Den Haag: Elsevier Overheid.
Bovenkerk, F. (2014). Marokkaan in Europa, crimineel in Nederland : een vergelijkende studie. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Cornelissen, A. en H. Ferwerda (2010). Burgerparticipatie in de opsporing: een onderzoek naar aard, werkwijzen en opbrengsten. Reeks Politiekunde 30. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
Dendermonde, M. (1989). De stilte van Koekange: een verhaal op zoek naar een verhaal. Meppel: Krips Repro. Hoekman, J. Pionierswerk in de Bible Belt, Tijdschrift voor de Politie, jg. 79/nr. 9, 18-21.
Kleijer-Kool, L. (2013). Multicultureel politiewerk. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Klein Kranenburg, D. (2013). Samen voor ons eigen: de geschiedenis van een Nederlandse volksbuurt: de Haagse Schilderswijk 1920- 1985. Hilversum: Uitgeverij Verloren.
Moors, H. en T. Spapens (2017). Criminele families in Noord-Brabant: een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad. Reeks Politiewetenschap 94. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
Schreurs, A. (1947). Het kerkdorp St. Willebrord (Het Heike): een sociaal-geografische en criminologische studie. Proefschrift. Utrecht: Dekker en Van de Vegt.
Schukkink, (2012). De Suryoye gebundeld: 12 antropologische verkenningen. Enschede: eigen uitgave.
Smid, B. (2013). Enclave Volendam : het verhaal van een dorp. Amsterdam: Uitgeverij Thomas Rap.

Reageer