De veelkleurigheid van nieuwe kennis en politieonderzoek

0

In 2008 presenteerden twaalf ‘creatieve academici met maatschappelijke betrokkenheid’ de resultaten van een anderhalf jaar durend programma met vrije onderzoeksprojecten onder de naam ‘Juxta: twaalf keer tegenspraak. Hoe de Amsterdamse politie werd overvallen (met nieuwe ideeën)’. Tien jaar later kijken deelnemer Teun Meurs en ‘begeleider’ Auke van Dijk terug op de benaderingen en resultaten van de Juxtaonderzoekers en duiden deze tegen het licht van politieonderzoeksstijlen en het vraagstuk van doorwerking van kennis.

De relatie tussen (nieuwe) kennis en de politie is een ingewikkelde. Dit zien we terug in de (vaak) krampachtige reacties op uitkomsten van wetenschappelijke studies en de geringe doorwerking van nieuwe kennis in het onderwijs en de beroepsuitoefening. Meer formeel geformuleerd: de gebrekkige valorisatie van onderzoek binnen de politie. De wereld van wetenschappelijk onderzoek is voor veel politiemensen als een black box waar af en toe kennis uit voortkomt, waar ze ‘iets mee moeten’. En soms stellen de onderzoekers zich overeenkomstig op als hooggeleerde en ‘onzichtbare’ ontdekkers van nieuwe waarheden die in de vorm van aanbevelingen aan de politie worden gepresenteerd. In dit licht is het niet vreemd dat de politie als een kat in het nauw kan reageren als ze wordt geconfronteerd met onwelgevallige opvattingen; en dat de doorwerking in nieuwe werkwijzen met horten en stoten verloopt.

Onderzoeksstijlen
Wetenschappelijk onderzoek is echter geen eenduidige leverancier van hapklare kennis; ‘de wetenschap’ heeft vele gezichten en onderzoek kent vele vormen. Zoals Edward van der Torre (1999) zijn proefschrift wijdde aan
verschillende politiestijlen, doen wij hier een poging iets te zeggen over verschillende politieonderzoeksstijlen. Het gaat wat ver om die verschillende stijlen en onderliggende wetenschappelijke paradigma’s te spiegelen aan Van der Torres pessimisten, hulpverleners, ordeherstellers en pragmatici, maar de vergelijking gaat in zoverre op dat ook rin dit geval de verschillen invloed hebben op het eindresultaat.
We gebruiken hier het Juxta-programma – bestaande uit zeer diverse onderzoekers – als casus. We onderscheiden vier verschillende onderzoeksstijlen, die verwijzen naar verschillende perspectieven op ‘de wetenschap’ en die ook alle op een andere manier doorwerken of waarde toevoegen (valorisatie) aan de politie. We hebben het over ‘stijlen’ omdat ‘onderzoek’ en ‘onderzoeker’ niet van elkaar zijn te scheiden, en dat zou naar onze overtuiging ook geen goed idee zijn. Niet alleen het onderzoek maar zeker ook de onderzoeker moet zich noodzakelijkerwijs tot de organisatiecontext verhouden, en de wijze waarop dat vorm krijgt doet er toe. Interessant is ook te zien dat een aantal deelnemers aan het Juxta-programma nu nog steeds een professionele band heeft met de politie in zeer verschillende posities, en ook dat zegt iets over de valorisatie van politieonderzoek.
Volgens ons is enig inzicht in de verschillende stijlen van politieonderzoek nuttig, omdat dit kan bijdragen aan een betere inschatting van de waarde en betekenis van onderzoeksresultaten. Wellicht kan het ook helpen bij het beter faciliteren van de doorwerking van kennis in verschillende domeinen van de organisatie. Dit is zeker van belang nu er in toenemende mate een gedeeld gevoel van urgentie ontstaat dat we meer en sneller ‘kennis’ nodig hebben, willen we kunnen blijven aansluiten bij wat er maatschappelijk van de politie wordt gevraagd.

Het Juxta-programma
Het Juxta-programma was een gewaagd experiment in (toenmalig) Politie Amsterdam-Amstelland. Twaalf creatieve academici met verschillende achtergronden kregen de gelegenheid anderhalf jaar lang kritisch naar de politie te kijken en er iets van te vinden. De kandidaten werd vrijheid geboden qua onderwerp, de invulling van hun traject en de aard en vormgeving van het eindresultaat. Dit had tot gevolg dat de individuele bijdragen uiteenlopen van een reeks korte filmpjes op internet over De Onbekende Politie van Jurriën Rood (zie kader) tot een klassiek empirisch onderzoek met bijbehorende wetenschappelijke publicatie.
De trajecten zijn illustratief voor de verschillende wijzen waarop je als onderzoeker – in de brede zin van het woord – de politie tegemoet kan treden. Ze bevatten ook belangrijke lessen voor de manier waarop nieuwe kennis vanuit het werk kan worden ontwikkeld of juist als kritiek van buitenaf de politie kan beïnvloeden.
Initiator van het project was de toenmalige hoofdcommissaris van Amsterdam-Amstelland Bernard Welten. Welten was voorzitter geweest van de projectgroep die in 2005 een nieuwe visie op de politiefunctie publiceerde – Politie in ontwikkeling. De opdracht van Welten aan de Juxta’s was om daar kennis van te nemen en vervolgens aan te geven wat er niet klopte of welke blinde vlekken de politie klaarblijkelijk had. Veel concreter dan dat was de doelstelling van het Juxta-programma niet en dat enkele feit zorgde al voor de nodige verwarring binnen de organisatie. Achter de opzet van het programma zat een aantal deels intuïtieve noties. In de eerste plaats dat ‘nieuwe’ inzichten soms moeten komen van ‘nieuwe’ mensen, temeer wanneer blijkt dat de organisatie vaak ‘niet veel leert van papier’. In de tweede plaats dat tegenspraak cruciaal is – in iedere organisatie maar zeker in een operationele hiërarchische omgeving als de politie. In de derde plaats dat vernieuwing moeilijk in de bestaande organisatie kan worden ingebouwd en dat het daarom goed is er soms iets ‘naast’ (‘juxta’) te plaatsen, maar wel in het volle zicht, ook extern. In de vierde plaats de notie dat ‘ontregelen’ een goede strategie kan zijn voor wie verder wil komen. In het voorwoord – Nieuwe paden – bij de eindpresentatie (Juxta-onderzoekers 2008, p. 5) formuleert Welten het als volgt:

Het binnenhalen van een ‘zootje ongeregeld’ is niet gebruikelijk voor een hoofdcommissaris van politie. Toch is het vergelijkbaar met de modernste methoden van misdaadbestrijding, waarin het ontregelen en in verwarring brengen van criminelen tot prachtige resultaten leidt. Door boeven te dwingen hun vanzelfsprekende gedragingen op te geven, móeten ze wel nieuwe  paden betreden. En daar valt iedere voetstap op. Nu is een politiekorps geen criminele organisatie. Maar in de dagelijkse praktijk voelen ook voor ons de reeds gebaande paden lekker veilig. En dat kan riskant zijn, zeker in dit belangrijke vak. Ik wilde het comfort doorbreken door creatieve academici in grote vrijheid originele ideeën te laten ontwikkelen en die te laten vertalen naar onze praktijk. Zodat ook wij gedwongen zouden worden om onze vanzelfsprekende gedraging op te geven.

De Juxta’s waren expliciet geselecteerd op hun eigenzinnigheid en bij de samenstelling van de groep werd gekozen voor een zo groot mogelijke variëteit, zeker ook qua studieachtergrond: Culture antropologie, Film- en televisiewetenschap, Conflict Resolution, Kunstacademie, Humanistiek, Sociale psychologie, Wijsbegeerte, Filmacademie, Informatica, Cognitive Neuroscience, Talen en Culturen van het Midden-Oosten, Kunstmatige intelligentie. De jongste deelnemer was 24 en de oudste 51 en er was een gelijke verdeling over mannen en vrouwen. Eén van de deelnemers had een bi-culturele achtergrond.
Het zal niet verbazen dat een dusdanige groep leidt tot veel dynamiek, onderling en binnen de organisatie. De Juxta’s waren enkel eensgezind in hun eigenzinnigheid. Een poging enige structuur aan te brengen in hoe de verschillende onderzoeken zich tot elkaar en tot de visie en strategie van de organisatie zouden kunnen verhouden, leidde meteen tot protest in de vorm van een pamflet waarin de Juxta’s hun eigen spoor uitzetten en grenzen stelden aan te veel bemoeienis (18 juni 2007): De Academische Tijger. Vriendelijk en eigenzinnig – gedijt het best in vrijheid. De Juxta’s behielden hun vrijheid, maar er werd wel van ze gevraagd een ‘onderzoeksvoorstel’ met een bijbehorende planning aan te leveren. Opnieuw was de variëteit enorm. In de volgende paragraaf formuleren we de verschillende onderzoeksstijlen op basis van verschillende opvattingen over wetenschap en de bijbehorende relatie tot het ‘object van onderzoek’. Vervolgens passen we dat toe op het Juxtaprogramma en beoordelen we of we hiermee de veelkleurigheid aan kennis en onderzoek en de doorwerking daarvan recht kunnen doen.

Vier politieonderzoeksstijlen
Er zijn onderzoeken die op het grensvlak van onderzoeksstijlen acteren of twee perspectieven combineren in één onderzoek. Niettemin, het gekozen perspectief op ‘de wetenschap’ heeft grote consequenties voor zowel het type onderzoek als de aard van de valorisatieopgave die er uit volgt. Simpel gezegd: als je anders kijkt, kom je verschillende dingen tegen, en staan je vervolgens ook andere zaken te doen. We starten met onze beschrijving bij de wetenschapsopvatting en verbinden deze vervolgens met de verwachte aard van de doorwerking en de daarbij horende activiteiten.

1. Objectiverende politieonderzoeksstijl
De eerste politieonderzoeksstijl die we onderscheiden is de objectiverende stijl die is verbonden met de zogenoemde positivistische wetenschapsfilosofie. Dit paradigma gaat uit van een externe buitenwereld die door onderzoek kan worden verklaard en gereproduceerd. Objectiverende wetenschap maakt gebruik van bewezen theorieën die worden vertaald naar beschrijvend, verklarend of vergelijkend onderzoek op basis van vooraf gestelde hypotheses. Het doel van het positivistische wetenschapsparadigma is om bij te dragen aan objectieve waarheidsvinding en wetenschappelijke kennisvermeerdering. Hierbij maken wetenschappers gebruik van robuuste technieken en vergelijkend onderzoek, datasets die het mogelijk maken om uitspraken te doen op een grote schaal. Deze onderzoeken worden vormgegeven door onderzoekers die geen bemoeienis hebben met de empirische omgeving en die hun objectieve waarheidsvinding publiceren in de vorm van een rapport of wetenschappelijke publicatie. Vanuit deze politieonderzoeksstijl wordt er orde aangebracht in de complexiteit en onvoorspelbaarheid van de praktijk door eenduidige, wetmatige zekerheden te formuleren. Omdat onderzoekers streven naar objectieve waarheden maken zij gebruik van onzekerheidsreductie door de sociale realiteit te vereenvoudigen of na te bootsen in een afgeschermde omgeving. Op deze manier kan er een kloof ontstaan tussen de objectieve wetenschappelijke kennis en de dynamische praktijk waarin kennis context-gebonden is.

2. Kritische politieonderzoeksstijl
De kritische politieonderzoeksstijl is gebaseerd op een sociaal constructivistisch wereldbeeld dat op veel vlakken fundamenteel verschilt van het positivisme. Het belangrijkste onderscheid is dat in het constructivisme er geen sprake is van een objectieve ‘echte wereld’ die losstaat van onze waarneming en ons denken. In plaats van een enkele waarheid is er volgens het constructivisme sprake van verschillende sociaal en politiek geconstrueerde praktijken die naast elkaar kunnen bestaan. Kritische wetenschap richt zich op het analyseren van het verhaal dat we over de werkelijkheid vertellen (discours) en de geschreven en ongeschreven regels van een praktijk. In deze visie stellen sommige dominante werkelijkheden zichzelf als ‘gewoon’ of neutraal voor, terwijl ze eigenlijk fungeren om de heersende machtsverhoudingen in de samenleving in stand te houden. Deze kritische wetenschapsopvatting problematiseert de spanningen tussen wetenschap, onderwijs, beleid en maatschappij. Deze elementen worden niet gereduceerd, zoals in het positivisme, maar vormen juist het object van kritische beschouwing Het sociaal constructivisme is geïnteresseerd in de ‘mores’ van een veld en is daardoor geneigd om etnografisch of participatief onderzoek vorm te geven dat plaatsvindt op beperkte schaal. De onderzoekers vormen interpretaties van deze mores die vervolgens in een wetenschappelijk discours worden gepubliceerd. Vanzelfsprekend kan dit leiden tot heftige reacties vanuit de praktijk die wordt beschreven. Er is niets zo vervelend als dat wat jij als normaal ziet ter discussie wordt gesteld. Uiteindelijk, zo is een mogelijke reactie, heeft de onderzoeker toch niet echt begrepen hoe het in elkaar zit.

3. Verandergerichte politieonderzoeksstijl
Deze stijl heeft een hechte relatie met de veranderkunde, welke is gebaseerd op de pragmatistische wetenschapsfilosofie. De veranderwetenschappelijke methode is gericht op het handelen binnen praktijken. Die worden niet alleen geanalyseerd, maar er wordt tegelijkertijd ingezet op het beïnvloeden van diezelfde praktijken. Hiertoe worden traditionele wetenschappelijke principes als validiteit en objectiviteit op een eigen wijze ingevuld, zodat die aansluiten bij pragmatistische principes over de verwevenheid van theorie en praktijk. Veranderwetenschappers geloven dat de werkelijke kennis van professionals tot uiting komt in hun praktisch handelen en niet in de (mondelinge of schriftelijke) beschrijving daarvan. Ze ontwikkelen daarom geen simulaties en nemen geen interviews af; ze participeren op kleine schaal en in de werkpraktijk van de professional. Hiermee verandert ook de rol van de deelnemer aan het onderzoek, van een passief subject tot actieve participant. De onderzochte levert niet alleen de ‘ruwe data’ (zoals bij vragenlijstonderzoek of een interview), maar heeft ook een rol bij de duiding en bij het benoemen van exemplarische patronen in zijn/haar praktijk. Soms raakt hierdoor de positie van de onderzoeker in gevaar. In hoeverre is deze nog onafhankelijk en bij machte om boven de materie uit te stijgen? Omdat veranderwetenschappers zich bewust zijn van de contextgebondenheid van hun bevindingen, zijn zij vaak terughoudend in het trekken van algemeen geldende conclusies.

4. Professionele politieonderzoeksstijl
De vierde politieonderzoeksstijl is niet verbonden met een specifieke wetenschappelijke benadering, maar sluit aan bij een relevante ontwikkeling in het hoger beroepsonderwijs; die van het onderzoekend vermogen (Andriessen, 2014). Hierbij is het uitgangspunt dat een onderzoekende houding deel uitmaakt van de beroepshouding, zodat gangbare werkwijzen op microniveau observerend, kritisch en bedachtzaam worden benaderd door professionals zelf (Schuitema & Van den Herik, 2016). Dit zou er toe moeten leiden dat de professionele praktijk wendbaar blijft en niet achter blijft bij maatschappelijke ontwikkelingen. Professionals met onderzoekend vermogen reflecteren op werkwijzen, kunnen onderzoek verrichten en op basis van kennis de praktijk verrijken. Op deze manier kunnen zij routines doorbreken, nieuwe werkwijzen ontwikkelen en bijdragen aan betekenisvol politiewerk. Het zal niet verbazen dat dit niet eenvoudig is: de druk om het te doen ‘zoals het altijd wordt gedaan’ is vaak hoog. De idee van de reflecterende professional is te vinden in veel beleidsdocumenten, en het management is er ook praktisch altijd een groot voorstander van. Tegelijkertijd is de praktijk weerbarstig.

In tabel 1 hebben we de verschillende karakteristieken van de vier politieonderzoeksstijlen opgenomen.

Betekenis voor de politie
Zoals uit bovenstaande analyse blijkt, verschilt het karakter van de vier politieonderzoeksstijlen fundamenteel van aard. Doordat het gehele onderzoeksproces anders wordt ingevuld, vereist ook de valorisatieopgave een verschillende insteek. Hieronder geven we per onderzoeksstijl voorbeelden van onderzoeksprojecten die voortkomen uit het Juxtaprogramma en de wijze waarop de uitkomsten betekenis hebben gekregen voor de politie.

Objectiverende politieonderzoeksstijl
Deze stijl is het meest ‘natuurwetenschappelijk’ en past goed bij de nog steeds in populariteit groeiende nadruk op evidence-based policing met als ideale onderzoeksmethode het klassieke experiment onder de noemer Randomized Controlled Trial. Het zou toch geweldig zijn als we zouden weten wat er eigenlijk ‘werkt’ als het gaat om politiewerk!?
In het Juxta-programma was er slechts één onderzoek dat in deze categorie kon worden geplaatst: een experimenteel (formeel quasi-experimenteel) onderzoek over het effect van meer blauw op straat, waarbij burgers werden bevraagd op het effect van daadwerkelijke variatie in waar, hoe en hoeveel er werd gesurveilleerd. Dit werd aangevuld met onderzoek ‘in het laboratorium’, waarin de veiligheidsbeleving van burgers werd getest met behulp van foto’s met en zonder politie. Dit onderzoek sloot ook aan bij eerder wetenschappelijk onderzoek – in het bijzonder het werk van Martin McInnes rond reassurance policing en leidde tot een gedegen onderzoeksrapport.
Dit is het soort van onderzoek waar vaak aan wordt gedacht als er wordt gesproken over wetenschappelijk onderzoek. Het is onderzoek dat gebeurt aan de universiteit en waarbij de onderzoeker zich ook primair richt op de kwaliteit van het onderzoek. De onderzoeker is vaak bescheiden en spreekt een totaal andere taal dan de diender, die de noodzakelijke ‘wetenschappelijke twijfel’ al snel interpreteert als onzekerheid of ‘slagen om de arm houden’. De afstand tot ‘de praktijk’ wordt ervaren als groot. Terwijl het onderzoek op zich goed praktisch te vertalen zou zijn, gebeurt dat vaak niet. De onderzoekslogica en de organisatielogica liggen nadrukkelijk ver uit elkaar.
Tegelijkertijd is dit het type onderzoek dat op de langere termijn veel invloed kan hebben en op een gegeven moment tot de zogenoemde achtergrondkennis kan gaan behoren. Een onmiddellijke valorisatie is echter ingewikkelder. Een onderzoek kan wel worden gebruikt om een bredere onderzoekstraditie ‘in stelling te brengen’ waarbij meerdere eerdere onderzoeken tot een aantal vooralsnog onbetwiste bevindingen hebben geleid. Hoewel voor de onderzoeker oninteressant, kan juist hierin wel een meerwaarde voor de organisatie liggen: ‘wat weten we eigenlijk wel’?

Kritische politieonderzoeksstijl
De kritische politieonderzoeksstijl was goed vertegenwoordigd in het Juxta-programma. Deze Juxta’s hadden het meestal niet eenvoudig binnen de organisatie. Een kritische politieonderzoeksstijl wint wel aan urgentie en diepgang als je ‘binnen’ de organisatie zit, maar maakt het leven van de onderzoeker tevens buitengewoon zwaar. De organisatie reageert bijna logischerwijs afwijzend en ziet het probleem niet, terwijl dat voor de kritische onderzoeker glashelder is. De politie is het schoolvoorbeeld van een instituut dat vanuit kritische wetenschap met argusogen wordt bekeken: een hiërarchische geweldsmonopolist, voor een groot deel bestaand uit blanke mannen van middelbare leeftijd. Om het maar simpel te zeggen: dat levert hoogstwaarschijnlijk gezeik op. Maar wel: gelegitimeerd, empirisch onderbouwd en fundamenteel gezeik.
Eén van de eindproducten was ‘Welkom’ in Politië. Een antropologisch onderzoek naar de onbewuste en subtiele vertogen van insluiting en uitsluiting van de etnische minderheden binnen de Politie Amsterdam-Amstelland van Sinan Çankaya (zie kader). Het was de start van meerdere onderzoeken rondom de thema’s in- en uitsluiting en etnisch profileren. De daarin geformuleerde inzichten morrelen aan veronderstelde zekerheden, geaccepteerde werkwijzen en morele overtuigingen van politiemensen. En dat levert weerstand op. Dienders zijn boos en voelen zich in hun professionaliteit aangetast en gaan met tegenzin naar een cursus ‘multicultureel vakmanschap’. En zij haken snel af als zo’n cursus voorbij lijkt te gaan aan hun weerbarstige realiteit: “Ik werk in de Bijlmer, ik houd juist blanke mensen staande omdat zij daar niet horen!”.
Duivels dilemma: dit is precies de status quo die dit type studies problematiseert, en het is tegelijkertijd de reden dat de daarin gepresenteerde kennis niet eenvoudig doorwerkt. Terwijl dat nu juist de inzet was: het mogelijk maken van rechtvaardiger en meer democratische professionele politierepertoires.
De valorisatieopgave die kritisch onderzoek met zich meebrengt, is ten eerste gelegen in het toelaten van gedegen tegenspraak. Dit betekent ook het anticiperen op confronterende onderzoeksresultaten en het in perspectief plaatsen ervan. Dit type onderzoek is relatief kleinschalig en altijd interpretatief van aard. Dat legitimeert een kritische blik op de methodologie, de scope en betrouwbaarheid van de conclusies.
Objectiverend vervolgonderzoek kan een middel zijn om vast te stellen in hoeverre de lokaal gesignaleerde patronen maatgevend zijn voor andere locaties en functies. De grootste uitdaging is gelegen in het vertalen van de confronterende output naar ‘praktische kennis’ (actionable knowledge) die enerzijds aansluit bij de werkwijzen, maar anderzijds bij machte is deze fundamenteel te veranderen.

Verandergerichte politieonderzoeksstijl
Voorgaande brengt ons als vanzelf bij de verandergerichte politieonderzoeksstijl. Vanzelfsprekend was dit een belangrijk onderdeel van de logica achter het totale Juxta-programma: in bijna alle projecten zat een veranderambitie zonder dat de veranderbenadering werd geëxpliciteerd. Een verandergerichte onderzoeksbenadering die voortkwam uit het Juxta-project is De Wijkagent Centraal – Taaie Materie van Teun Meurs (zie kader) en Bert Jan Kreulen. Dit actieonderzoek had niet zozeer tot doel om de veronderstelde centrale positie van de wijkagent binnen de politie te verifiëren of falsificeren, maar het trachtte al doende vast te stellen hoe de positie van de wijkagent in relatie tot collega’s, burgers en externe partners verbeterd kon worden. Uiteindelijk bleek de faciliterende rol die de onderzoekers speelden, exemplarisch voor de gewenste ondersteuning van wijkagenten. Momenteel wordt deze rol vertegenwoordigd door de operationeel expert en operationeel specialist op de basisteams.
Deze meer toegepaste onderzoeksbenadering kreeg ook mooi gestalte op het niveau van het Juxta-programma als geheel. Omdat de Juxta’s zich ook buiten hun persoonlijke project wilden laten gelden voor de organisatie bedachten zij het initiatief Geen spoed, geen politie… Wel Juxta! Onder deze vlag boden zij via het intranet hun hulp aan bij het brainstormen over een concreet project of een urgent vraagstuk. In dit kader dachten de Juxta’s onder meer mee bij de aanpak van ‘nepdope-dealers’ op de Wallen en droegen zij bij aan de wijze waarop in het havengebied contact werd gelegd met het grote aantal daar gevestigde bedrijven. Een tweede belangrijk initiatief was Nieuwe openheid op de Winterparade, waarin de Juxta’s tijdens de winterversie van zomerevenement De Parade in Amsterdam, optraden als interviewers van politiemensen die een geweldsincident hadden meegemaakt. Het initiatief genereerde de nodige positieve publiciteit en werd ook binnen de organisatie ervaren als een erkenning van de niet altijd gemakkelijke professie. Beide initiatieven droegen bij aan het draagvlak – en daarmee aan de doorwerking – voor het Juxta-programma en de Juxta’s.

De valorisatie bij dit type onderzoek is in eerste instantie ingebed in de participatieve aard van het onderzoeksproces; de gegenereerde kennis heeft direct betrekking op de onderzochte praktijk. De geldigheid van de contextuele kennis en de waarde voor een grotere schaal is echter minder evident. Dit maakt de benadering dan ook gevoelig voor kritiek van wetenschappers met een objectiverende politieonderzoeksstijl.
Immers, wat is de generaliseerbaarheid van lokale resultaten voor algemeen beleid? En wat levert dit samenspel tussen onderzoeker en onderzochte voor nieuwe theoretische kennis op?

Professionele politieonderzoeksstijl
Deze stijl, tenslotte, is niet één op één toepasbaar op het Juxta-programma: de deelnemers werden immers geacht ‘buitenstaanders’ te blijven en zich niet al te zeer te laten socialiseren. Binnen Juxta gold echter voor veel projecten dat ‘relevantie voor het echte werk’ een belangrijke rol speelde. In feite was hier sprake van soort proto-professionalisering aan de kant van een aantal Juxta’s en werd ook de verbinding met de organisatie gevonden door een appél te doen op de onderzoekende houding van de professional.
Ongeveer de helft van de Juxta’s bleef bovendien na afloop van het project verbonden aan de politie, waarvan een aantal als professional in plaats van buitenstaander. Martijn Schippers (zie kader) droeg bijvoorbeeld bij aan een aantal succesvolle projecten zoals de Top 600-aanpak in Amsterdam. Hierbij werd hij naar eigen zeggen ‘expliciet als extraatje toegevoegd aan nieuwe projecten om nieuwe dingen te bedenken, vragen te stellen, dingen wat op te schudden’. Op die manier was hij effectiever dan in de ‘vaste structuur’.
Roeland van Zeijst (zie kader) was onder meer betrokken bij het geven van invulling aan de (internationale) aanpak van cybercrime. Dit deed hij op basis van ‘een mix van gedoseerde maar vasthoudende tegenspraak, interne en externe verbinding, alsmede het in de organisatietaal benoemen van blinde vlekken’.
Binnen deze laatste onderzoeksstijl is valorisatie geen externe opgave meer; het is ingebed in het politiewerk. Onderzoekende professionaliteit is daarmee een mooi perspectief voor de hoger opgeleiden die via de opleidingen ‘recherchekunde’ en ‘politiekunde’ worden klaargestoomd voor het politiewerk.
De bedreigingen zijn er echter ook. Socialisatie kan er voor zorgen dat de nieuwkomers hun ‘eigenheid’ verliezen en worden opgeslokt door de hechte cultuur. Anderzijds kan een expliciet kritische houding of bedachtzaamheid door hoger opgeleiden net als bij de andere politieonderzoeksstijlen stuiten op (te) veel weerstand. Het vraagt wel het nodige van de organisatie – onder meer waar het gaat om leiderschap en ondersteuning – om de vruchten van deze politieonderzoeksstijl voldoende te kunnen plukken.

Conclusie
De laatste jaren lijkt de politie – hoewel niet altijd – meer weloverwogen te reageren op confronterende rapporten. Ook lijkt zij in toenemende mate iets met de uitkomsten van onderzoek te willen doen. Valorisatie en doorwerking vereisen echter meer dan damage control of positieve framing vanuit de korpsleiding. Het begint bij het herkennen van het paradigma dat een wetenschappelijke studie motiveert en het begrijpen van de vormen van kennis die deze oplevert.
Voor sommigen representeert de objectiverende politieonderzoeksstijl de enige echte wetenschap. Maar binnen hedendaags politieonderzoek lijkt er juist meer nadruk te komen op de verandergerichte benadering. Het Juxta-programma toont vooral de diversiteit aan politieonderzoeksstijlen en de veelkleurigheid van nieuwe kennis. Het begrijpen van deze verschillen kan helpen om enerzijds beter te anticiperen op hoe een onderzoek ontvangen zal worden en anderzijds op wat de valorisatieopgave kenmerkt. Interessant hierbij is dat de verschillende stijlen ook kunnen worden ingezet om elkaars valkuilen te compenseren. Met een combinatie van onderzoeksstijlen kan een belangrijk maatschappelijk fenomeen ten volle in kaart worden gebracht en tegelijkertijd kan men werken aan een betekenisvolle aanpak ervan. Een gezonde omgang met kennis is van levensbelang voor de politie. Een organisatie waarin de kennis rijkelijk stroomt tussen werkvloer, beleid en strategie, opleiding en leiding, is daadwerkelijk een professionele organisatie. En een geweldsmonopolist die tegenspraak op waarde schat en zelfs kan faciliteren, vergroot niet alleen haar legitimiteit, maar wordt er uiteindelijk ook beter van. Die les van Juxta heeft tien jaar later niet aan urgentie verloren.

Literatuur
D. Andriessen (2014) Praktisch relevant én methodisch grondig?: dimensies van onderzoek in het hbo. Utrecht: Hogeschool Utrecht, Kenniscentrum Innovatie & Business.
A. Schuitema & M. van den Herik (2016). Een onderzoekende houding: werken aan professionele ontwikkeling. Bussum: Uitgeverij Coutinho.
Juxta-onderzoekers (2008) JUXTA: 12x tegenspraak. Hoe de Amsterdamse politie werd overvallen (met nieuwe ideeën). Uitgave Regiopolitie Amsterdam-Amstelland.

Jurriën Rood (1955) is filosoof en filmer. Binnen het Juxta-programma
deed hij onderzoek naar het straatgezag van de politie, uitmondend in twee
rapporten. Voorts maakte hij een reeks korte films over De Onbekende
Politie (vanaf 2008). Na zijn Juxta-periode schreef hij onder meer een praktisch-
filosofische studie over autoriteit: Wat is er mis met gezag? (2013). Dit
boek werd genomineerd voor de Socratesbeker 2014, een prijs voor het
meest urgente filosofieboek van het jaar.
“Mijn rolopvatting bij Juxta: die van burger-buitenstaander en
ook betrokkene, als langdurige bewoner van de stad. De Juxtavraag
was om vrij onderzoek te doen en mijn doelstelling was om die
opdracht heel letterlijk te nemen, en geheel vrij en open te kijken
wat mij het meeste zou opvallen binnen deze organisatie. En om dus
niet naar binnen te gaan met het idee dat ik alleen maar criticus
moest zijn en automatisch door die bril te gaan kijken. Ik wilde niet
bij voorbaat het kritiek-aapje zijn en zo mijn vrijheid laten beperken.
Wat mij opviel was dat de politie zaken goed bleek te doen. Dat
vond ik het grote nieuws.”

Sinan Çankaya (1982) is sociaal antropoloog, schrijver en spreker, en assistent professor aan de Vrije Universiteit. Binnen het Juxta-programma schreef hij ‘Welkom in Politië’, een studie over mechanismen van in- en uitsluiting binnen de politie. Na zijn Juxta-periode promoveerde hij op dit onderwerp. Daarnaast deed hij onderzoek naar etnisch profileren. Zijn onderzoek De controle van marsmannetjes en ander schorriemorrie (2012) werd opgepikt door Amnesty International, waarna een landelijke discussie over het optreden van de politie jegens etnische minderheden ontstond, die tot op de dag van vandaag voortduurt.
“Ik typeer mijn houding als een kritische vriend. In zekere zin heb ik achter de façade van de publieke politieorganisatie mogen kijken. Tegelijkertijd ben ik ten aanzien van diverse facetten van de politiefunctie genuanceerder geworden. Ik beschouw de politieorganisatie als de noodzakelijke harde hand van de rechtsstaat en als gevolg wil ik mezelf blijven inzetten voor een eerlijke en effectieve politieorganisatie voor eenieder.”

Teun Meurs (1980) is sociaal psycholoog en wetenschapsfilosoof. Hij is promovendus ‘valorisatie en politieprofessionaliteit’, een onderzoek dat zich specifiek richt op de professionele rol van hoger opgeleiden binnen de politie. Binnen het Juxta-programma ontwikkelde hij een methodiek waarmee wijkagenten hun meest prominente problemen in kaart konden brengen, ondersteund door een Google Maps-achtige applicatie. Na zijn periode als Juxta verrichte hij het actieonderzoek De Wijkagent Centraal (2014) en ontwikkelde hij op basis daarvan een lesprogramma aan de Politieacademie dat hij zelf verzorgt.
“Ik opereer het liefst op het grensvlak van praktijk, wetenschap en leren, omdat ik geloof dat kennis en onderzoek dan het meeste betekenis krijgt. Bovendien denk ik dat daar de grootste veranderkracht ligt. Het vinden van dat grensvlak is overigens een constante zoektocht naar de juiste balans. Soms moet je daarvoor expliciet kritisch zijn en stelling nemen; soms juist observeren en meebewegen. Binnen Juxta sloeg ik soms door in het praktische; inmiddels weet ik mijn rol als actieonderzoeker steeds beter te vinden.”

Martijn Schippers (1975) studeerde Informatica, Kunstmatige intelligentie en Cognitive neuroscience, en is CIO van het Actiecentrum Veiligheid en Zorg van de gemeente Amsterdam. Binnen het Juxta-programma ontwikkelde hij het concept IOP: Informatie Ondersteunde Politie, als aanvulling op IGP. Hij was betrokken bij de Strategische Verkenning ondermijning, bij de nieuwe visie op de opsporing en de Top-600.
“Het meest effectief was ik altijd als ik dicht tegen de reguliere organisatie – de lijn – aanzat, maar wel een vrije rol had. Ik deed dan deels dezelfde taken als anderen, maar net anders, of kon van daaruit nieuwe manieren uitproberen die anderen dan overnamen.”

Roeland van Zeijst (1974) heeft een achtergrond als internetondernemer, schrijver en radiomaker. Hij studeerde kunstmatige intelligentie en is expert cyberstrategie. Als Juxta hield hij zich bezig met het zichtbaar maken van de blinde vlekken van de politie op het terrein van innovatie. Hij trok verschillende innovatieprojecten binnen het korps, waaronder Burgernet. Daarna ging hij aan de slag bij het Team High Tech Crime en met innovatie op cybercrimegebied bij Interpol in Singapore.
“Hoewel Juxta destijds werd gepresenteerd als een ‘fotogeniek’ team van organisationele vrijdenkers, denk ik inmiddels dat de belangrijkste winst bestond uit het leggen van juist meer interne verbindingen op inhoud – een soort bypass-operatie om de verkalkte en verkokerde structuur te omzeilen en daarmee redelijk conflictarm een groter cultuurprobleem binnen het leiderschap te pareren. Veel van onze observaties waren immers al jaren hoorbaar op de werkvloer, maar bereikten de korpsleiding niet.”

Bernard Welten (1955), initiator Juxta en toenmalig korpschef Amsterdam-Amstelland. Medeoprichter van het initiatief 1overheid.nl, en hij is Buitengewoon raadslid Onderzoeksraad voor Veiligheid en adviseur NP.
“De knapheid van het bedrijf is toegenomen en dat helpt enorm. Maar omdat die intelligentie nu
een onderdeel is van het systeem, is de distantie verdwenen. Baron von Münchhausen – als we
hem moeten geloven – trok zichzelf aan zijn haren uit een moeras, voor onze organisatie is dat te hoog gegrepen. De blik van buiten – en met name vanuit heel andere disciplines – blijft onontbeerlijk om op tijd te zien ‘hoe het echt zit met de kleren van de Keizer’; dat moet je willen organiseren!”

Reageer