Opinie Een gedroomd én urgent instituut

0

Uw columnist is licht opgewonden! Normaliter val ik de lezers van het Tijdschrift niet lastig met mijn gemoedstoestand, maar ditmaal is daar alle aanleiding toe. Thuis kreeg ik wat meewarige blikken toen de NRC op de deurmat viel. Ons lijfblad kopte op de voorpagina: ‘Gezag Nationale Politie in gevaar’. Ik moest iets verzinnen, vond mijn nieuwe familie. Persoonlijk vind ik dat politiegezag vooral voortkomt uit kundige, moedige en integere toepassing van de beste relevante kennis. Kortom: kan meer wetenschap de politie redden?
Ik vind van wel, en ik ben niet de enige. Nooit eerder leverde een column zoveel verschillende reacties op als die over ‘Het gedroomde instituut’ in het vorige nummer. Daarin vroeg ik me af waar de gezaghebbende en breed georiënteerde hoogleraren Politiestudies zijn gebleven. Waarom heeft Nederland geen openbaar platform voor de uitwisseling en exploitatie van politiedeskundigheid, terwijl er jaarlijks tientallen onderzoeksrapporten over het werkveld van de politie worden opgeleverd? Wordt het niet tijd voor een wetenschappelijk, multidisciplinair en onafhankelijk politieinstituut, waar deskundigen kunnen zorgen voor goede verbinding tussen praktijk, beleid en de onderzoekswereld? Ik waagde zelfs de voorspelling dat de Campus Den Haag van de Leidse universiteit hiervoor de beste papieren heeft.

Zulke vermetelheid vraagt om weerwoord: hoogleraren en medewerkers van de Vrije Universiteit in Amsterdam reageerden zodra het Tijdschrift op hun deurmat viel. In Buitenveldert werkt de grootste concentratie aan criminologen, en de VU leverde nota bene de eerste academisch gevormde korpschef af! Bovendien zou enige afstand tot de Haagse kaasstolp heilzaam zijn. Waar kon men zich melden om dat politie-instituut op te richten, en was er al financiering voor?
In de week daarna kwamen er mails vanuit de Leidse universiteit. Of ik niet wist dat er al zo’n politie-instituut bestond, dat veel aanzien geniet en de toonaangevende Cahiers Politiestudies onder haar hoede heeft? Dat kwartaalblad, opgericht door professor Paul Ponsaers van de Universiteit Gent, wordt sinds 2009 uitgebracht als coproductie van de Stichting Maatschappij en Veiligheid en haar Belgische zusterorganisatie, het Centre for Policing and Security. De hoofdredacteur zetelt aan de Universiteit Leiden en veel Nederlandse politiewetenschappers zijn aan de Cahiers verbonden.Ook uit Tilburg kwam bericht van politiewetenschappers die daar af en toe bijeenkomen.
Een gepensioneerde politieprof meldde zich daarna. Hij had zich in het verleden weleens afgevraagd waarom er geen opvolgers kwamen. Toen hij echter meerdere hoofdcommissarissen hoorde verzuchten dat ze geen mensen zagen die hen konden opvolgen, meende hij dat zulke geluiden eigenlijk voortkomen uit misplaatste arrogantie. Mijn column bracht hem nu echter tot enkele interessante hypotheses om het verschil tussen de generaties politiehoogleraren te verklaren. Zo zouden de jaren zestig en zeventig een bepaald type wetenschapper hebben opgeleverd dat zich deels uit idealisme met de politie bemoeide. Verder is de hedendaagse kennisvraag van en voor de politie zo gevarieerd, dat op deelgebieden hoogwaardige deskundigheid opkomt. Hierdoor is het hele terrein niet meer voor één mens te behappen.
Een derde verklaring zou schaarste kunnen zijn. Waar het leger een hele afdeling krijgsgeschiedenis heeft en het bestuderen van voorbije campagnes letterlijk van levensbelang kan zijn, gaat het bij de politie vaak vooral om tekorten en drang tot operationele inzet. Reflectie komt dan in het gedrang.
Opvallend was dat er vanuit de politiewereld vooral mondelinge reacties kwamen; welwillend en geïnteresseerd, maar niet gericht op verdere actie. Als dat zou impliceren dat er onder politiemensen weinig belangstelling is voor een wetenschappelijk politieplatform, moeten we ons daarvan terdege rekenschap geven. Vanuit de Politieacademie kwam wel een positieve en uitnodigende reactie, maar met de kanttekening dat enig initiatief tot een nieuwe politieleerstoel van buiten de politie zal moeten komen.
Leuke reacties kwamen er van de hoofdredacteur en de uitgever van het Tijdschrift: men draagt graag actief bij aan een kennisplatform rond politiestudies. Een open brainstorm daarover is in voorbereiding.

Tot slot kwam de meest uitvoerige en doortimmerde repliek van de voorzitter van de Politieonderwijsraad. Frans Leijnse onderkent dat de kennistransfer gebrekkig verloopt, maar ziet in een nieuw instituut geen remedie. Daar zal nog meer politiekennis worden geproduceerd, maar dat gaat niet bijdragen aan de vertaling van opgedane inzichten naar beroepsbeoefenaars, beleidsmakers en de bredere samenleving.
De POR-voorzitter bepleit een circulair model van kennisproductie in netwerken, zoals voorgesteld door Gibbons in 1994. In dergelijke netwerken zouden naast professionals en praktijkonderzoekers ook onafhankelijke onderzoekers moeten participeren, waarbij ieder zijn eigen fora met kennis bedient. De Politieacademie zou voor zo’n ‘gedroomd kennisnetwerk’ de beste, want relatief onafhankelijke maar toch goed verbonden plek zijn. De problemen van kenniscirculatie en -toepassing kunnen volgens Leijnse niet effectief worden aangepakt vanuit het academische valorisatieperspectief; daartoe zal ‘het denkend en onderzoekend deel van de politie’ zelf het initiatief moeten nemen.
Ook anderen wezen me op het gegeven dat the science of science communication tot een volwassen vakgebied is uitgegroeid, waar ook het politiekennisveld van zou moeten profiteren. Veel reacties sloten af met een variant op: “Er zijn vervolgstappen nodig; heb jij een idee?”. Daarom lijkt het me zinvol om begin 2018 met belangstellenden uit de academische wereld, de politie en wellicht het departement de mogelijkheden tot samenwerking en wellicht instituutsvorming te bespreken, teneinde die beste kennis nog beter te benutten. De commissie-Kuijken adviseerde niet voor niets: ‘Het is voor zowel de interne bedrijfsvoering, de strategiebepaling als de publieke verantwoording essentieel dat de politie beschikt over meer kennis van de effecten van de politie-inzet. (…) Zoek voor de opbouw van deze voorziening nauwe samenwerking met relevante kennispartijen.’ De Politieacademie is voor een verkennend overleg de logische gastheer. We bellen!

Reageer