Hoe de noodhulp efficiënter kan

0

Leidinggevenden in basisteams worstelen om het reguliere politiewerk uitgevoerd te krijgen. Het belangrijkste deel van hun capaciteit wordt immers ingezet voor de noodhulp. Hoe krijgen zij meer mensen vrij voor de basispolitiezorg? Astrid Scholtens en Ira Helsloot doen een voorzet.

Tijdens eerdere onderzoeken die wij in opdracht van het programma Politie en Wetenschap uitvoerden, zagen wij operationeel leidinggevenden in de basisteams worstelen met bovenstaand probleem. Het belangrijkste deel van hun capaciteit wordt ‘uitgeleend’ aan de meldkamer om burgers in nood 24/7 te kunnen helpen en daarmee voor hen niet beschikbaar te zijn.

Onderzoekers, zoals wij zelf, die de afgelopen 15 jaar mochten meerijden met de noodhulp constateerden dat deze politiefunctionarissen tussen de meldingen door vooral zelfstandig proberen een zinvolle invulling van hun wachttijd te vinden door bijvoorbeeld het uitvoeren van surveillances of verkeerscontroles. Het is niet meer dan menselijk dat daarmee ook een signifi cante wachttijd ontstaat die niet is gevuld met gestuurd politiewerk. De politieparadox binnen het basispolitiewerk is daarmee dat terwijl de noodhulp tussen de meldingen door zelf op zoek gaat naar werk, operationeel leidinggevenden zoeken naar capaciteit om het reguliere politiewerk aan uit te geven.

Dit riep bij ons de vraag op of de noodhulpfunctie niet anders (efficiënter) zou kunnen worden vormgegeven waardoor de wachttijd beter benut kan worden door in die tijd (meer) regulier politiewerk uit te voeren. Natuurlijk zonder dat dit ten koste gaat van de reactietijd en de afhandeling van meldingen. Het programma Politie en Wetenschap heeft ons de mogelijkheid gegeven om hiermee te experimenteren. Samen met vier basisteams zijn we daarom in 2015 aan een reis begonnen om werkwijzen te ontwikkelen, tijdelijk te implementeren en aan de hand van een meting voor en na het experiment (nul- en éénmeting) op efficiency(winst) en uitvoerbaarheid te testen.

Twee hoofdrichtingen
We hebben twee hoofdrichtingen verkend en nader uitgewerkt tot drie verschillende werkwijzen die tijdelijk in drie basisteams zijn geïmplementeerd:
1. de noodhulpeenheden door gerichte sturing meer werk te laten verrichten ‘tussen de meldingen door’ (twee basisteams)
2. het opheffen van de specifieke noodhulp- suborganisatie door alle uitvoerende politiefunctionaris die in dienst zijn te laten reageren op meldingen. Hierdoor kan al het reguliere werk verdeeld worden over iedere politiefunctionaris die in dienst is (één basisteam).

Een werkwijze vonden we succesvol als:
a) er tijdens de éénmeting (in vergelijking met de nulmeting) door medewerkers die beschikbaar zijn voor meldingen:

  • meer tijd aan regulier politiewerk, in de vorm van opdrachten die door de OpCo werden uitgegeven, werd besteed én
  • minder tijd is besteed aan eigen initiatief en/of in mindere mate aan ‘overige’ werkzaamheden (deze zijn niet werkgerelateerd).

b) de werkwijze tijdens de éénmeting ook werd uitgevoerd zoals was bedacht.

Operationele sturing als onderdeel van alle drie de concepten
Een belangrijk onderdeel van frontlijnorganisaties zoals de politie is operationele sturing, dat wil zeggen:

  • het uitgeven van werk(opdrachten)
  • het controleren of het werk ook wordt/is uitgevoerd in lijn met wat wordt bedoeld
  • het inhoudelijk feedback geven op de uitvoering.

Bij de politie is de operationele sturing in principe belegd bij de operationeel coördinator, de OpCo. Alle drie de werkwijzen vergden dat er ten minste operationeel gestuurd werd door het uitgeven van werk(opdrachten) en het geven van inhoudelijk feedback op de uitvoering. Het aspect operationele sturing door OpCo’s had onze nadrukkelijke aandacht omdat we uit eerder onderzoek weten dat operationele sturing binnen de politie beperkt plaatsvindt. Dit komt enerzijds omdat de OpCo’s daar niet specifiek voor zijn opgeleid en anderzijds omdat de politie uitgaat van de professionele ruimte van medewerkers, wat in de praktijk nogal eens wordt ingevuld door medewerkers hun eigen werk te laten bepalen.

Ter voorbereiding op de éénmeting hebben we daarom alle OpCo’s een instructie/training aangeboden; niet iedereen heeft daar overigens gebruik van gemaakt. Als kritische vriend hebben we daarnaast de OpCo’s geholpen om tijdens de testweek zoveel mogelijk invulling te kunnen geven aan de operationele sturingsrol.

Resultaten nulmeting
De resultaten van de nulmeting in de drie basisteams maken duidelijk dat er inderdaad ruimte is voor andere werkzaamheden tussen de meldingen door: zo’n 30% van de tijd werd op eigen initiatief uitgevoerd. Deze werkzaamheden zijn niet per definitie onnuttig maar zijn wel werkzaamheden waarop geen directe sturing wordt gegeven vanuit de politieorganisatie. Het eigen initiatief werd vooral ingevuld door algemene surveillances waarvan onderzoek heeft laten zien dat het nut daarvan wel degelijk betwist kan worden.

Tabel 1: Samengenomen tijdsbesteding tijdens de nulmeting (in procenten) van de drie basisteams tijdens 26 ochtend- en avonddiensten.

Werkwijzen succesvol?
Over de twee werkwijzen als uitwerking van hoofdrichting 1 zijn we in dit artikel kort omdat beide werkwijzen niet succesvol bleken. Tijdens de éénmeting werd niet meer regulier politiewerk verzet dat ten koste ging van de tijd die werd besteed aan eigen initiatief werkzaamheden. Het zwakste punt in de uitvoering was het ontbreken van genoeg (zinvol) politiewerk om aan de noodhulpmedewerkers uit te kunnen geven en de beperkte betrokkenheid van de OpCo’s bij de operationele sturing waardoor de werkwijze niet werd uitgevoerd zoals beoogd. Zinvol politiewerk is werk dat ook echt uitvoerbaar is en een betekenis heeft voor de openbare orde en/of rechtsorde. We gaan daarom alleen wat dieper in op de werkwijze die een uitwerking was van hoofdrichting 2 omdat deze wel succesvol bleek (experiment 3). Voor deze werkwijze draaiden in het betreffende basisteam alle uitvoerende medewerkers een onbelaste ochtend- of avonddienst. Iedereen voerde ‘gewoon’ regulier politiewerk uit en luisterde mee met meldingen. SPOED-meldingen (prio 1) konden aan iedereen worden uitgegeven of medewerkers dienden zichzelf daarvoor aan te bieden. NU-meldingen (prio 2) werden vooral uitgegeven aan medewerkers die op dat moment beschikbaar waren. Voor het reguliere politiewerk werden extra werkopdrachten voorbereid. De OpCo moest medewerkers die opdrachten dan laten uitvoeren. Er werd daarmee van de OpCo een meer dan gebruikelijke sturing verwacht.

Deze werkwijze in experiment 3 was succesvol omdat er meer tijd werd besteed aan het uitvoeren van gestuurd politiewerk, ten koste van eigen initiatief activiteiten (zie figuur 2) en omdat tijdens de éénmeting uitvoering aan de werkwijze werd gegeven zoals beoogd; de medewerkers deden in de kern (en overwegend) regulier politiewerk. Ook in deze werkwijze is nog een aantal aandachtspunten te benoemen zoals:

  • het genereren van voldoende (zinvol) werk. In dit basisteam werd echter meer werk dan in beide andere basisteams gegenereerd, onder andere door de medewerkers zelf onder toeziend oog van de OpCo. Hierdoor ontstond een bijzondere werkdynamiek die als zeer positief werd ervaren.
  • het operationeel leidinggeven van de meeste OpCo’s
  • het (goed) statussen van de medewerkers dat cruciaal was in dit concept
  • de bereidheid en opleiding van centralisten.

Figuur 2: Schematische weergave van de verandering in tijdsbesteding in experiment 3 per activiteitencategorie. Linker staven geven de tijdsbesteding tijdens de nulmeting weer, de rechterstaven geven die tijdens de éénmeting weer, beide gebaseerd op 10 ochtend- en avonddiensten.

Conclusies
Er is ruimte voor een efficiëntere inzet van de capaciteit van de noodhulp, bij gelijkblijvende reactietijd, wanneer uitvoering wordt gegeven aan experiment/werkwijze 3. Er werd tijdens dat experiment meer werk verzet dan in de nulmeting. Een aparte noodhulporganisatie was daarvoor niet nodig. Cruciaal is het operationeel leiderschap van de OpCo’s. Het blijkt dat OpCo’s in de huidige praktijk eigenlijk nauwelijks sturing (kunnen) geven op de taakuitoefening van uitvoerende politiemensen. OpCo’s zijn simpelweg niet opgeleid en worden niet gefaciliteerd om als eerste begrijpelijke en uitvoerbare opdrachten te formuleren (in de pilots konden ze de gegeven opdrachten mede daardoor niet op begrijpelijkheid en uitvoerbaarheid controleren) en die ten tweede zoals beoogd te laten uitvoeren. Het lijkt erop dat in de basisteams er simpelweg een gebrek aan operationeel politiewerk is om de medewerkers die beschikbaar zijn voor meldingen tijdens hun dienst zinvol aan het werk te houden. In alle experimenten gold dat de uitvoerende politiemensen makkelijk meer werk hadden kunnen verstouwen, maar het was er gewoon niet. Wie iets ten positieve wil veranderen, heeft vooralsnog de meeste kans door zelfsturing van politiemedewerkers te bevorderen. Natuurlijk bestaat er geen enkele organisatie op mboniveau die zonder operationeel leiderschap werkelijk effectief en efficiënt kan worden, maar de extra stap die de uitvoerende medewerkers doorgaans graag willen maken, kan de politieorganisatie al een eindje de goede kant op helpen gaan.

Gebruikte literatuur Verder lezen
Hoogenraad, Y.M. (2017). Het tekort aan werk bij de lokale politie: een verklaring gebaseerd op de perspectieven van burgers, de politie en de gemeente op de sociale onveiligheid in Zuidoost Lelystad. Afstudeerscriptie masteropleiding Besturen van Veiligheid van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Landman, W. (2011). Sturing van blauw. Apeldoorn: Politie & Wetenschap, nr. 37. Scholtens, A., J. Groenendaal & I. Helsloot (2013). De operationele politiebriefing onderzocht. Apeldoorn: Politie & Wetenschap, nr. 51. Scholtens, A. (2015). De operationele politiebriefing onderzocht (2); een actie(vervolg)onderzoek om tot een effectieve politiebriefing te komen. Apeldoorn: Politie & Wetenschap, nr. 51a.
Terpstra, J. (2002). Sturing van politie en politiewerk. Een verkennend onderzoek tegen de achtergrond van een veranderende sturingscontext en sturingsstijl. Apeldoorn: Politie & Wetenschap.
Terpstra, J., I. van Duijneveldt, T. Eikenaar, T. Havinga & B. van Stokkum (2016). Basisteams in de Nationale Politie. Apeldoorn: Politie & Wetenschap, nr. 88.
Waard, de, J. (2017). Wat Werkt?: een systematisch overzicht van recent verschenen meta evaluaties/ synthesestudies binnen de kennisdomeinen criminaliteitspreventie, politiezorg en strafrechtelijke interventies, 1997 – 2017, Den Haag: Ministerie van Justitie, DGRR.

Verder lezen
Het hele onderzoek Naar een efficiëntere noodhulp? Een verkennend actieonderzoek, waarin nader wordt ingegaan op de methodologie en de uitvoerbaarheid van de werk opdrachten, kunt u downloaden via crisislab.nl of politieenwetenschap.nl

Reageer