Vakliteratuur – De ernst van dreigbrieven

0

‘Commissaris van de Koning in Flevoland bedreigd om Oostvaardersplassen’, ‘Steen met dreigbrief door ruit wethouder’. Als iemand wordt bedreigd, kan zowel hijzelf als zijn omgeving dat als zeer beangstigend ervaren. Draagt iemand bijzondere verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld als minister, dan kan een bedreiging tot gevolg hebben dat hij zich gehinderd voelt in zijn functioneren en het niet aandurft bepaalde dingen te zeggen of te doen. Wanneer een bedreiging politieke beslissingen beïnvloedt, is er sprake van ondermijning van de rechtsorde. Gelukkig voegen de meeste bedreigers de daad niet bij het woord. Sommige ventileren alleen hun woede of frustratie, anderen hunkeren naar aandacht. Soms blijft het echter niet bij woorden en gaat iemand over tot geweld. Voor politie en Openbaar Ministerie is het de kunst een juiste inschatting te maken: wat zijn de intenties van de dreiger, bevat de manier waarop hij (of zij) de boodschap verwoordt aanwijzingen voor latere acties? Het beoordelen van dreigberichten vergt veel tijd. Bovendien ontbreekt het beoordelaars aan een empirisch gefundeerde methode om berichten gestructureerd te taxeren. Ze zijn aangewezen op hun ervaring, kennis en intuïtie. Hun ervaring is waardevol maar kan tot onjuiste redeneringen leiden.

Dissertatie
Aan deze problematiek schenkt Margaret Kuiper aandacht in haar dissertatie Het woord en de daad. Haar doel was tweeledig: nieuwe kennis vergaren over kenmerken van dreigbrieven, en op basis van dreigbrieven een meetinstrument ontwikkelen waarmee het risico van toekomstig crimineel gedrag van de schrijvers voorspeld kan worden. Het gaat hier om het geschreven woord: brieven en e-mails. Kuiper bestudeerde zowel dreigbrieven waarin iemand met de dood wordt bedreigd of dood gewenst wordt als niet-strafbare dreigbrieven, waarin dit niet het geval is. Ook die laatste categorie kan intimiderend of zorgwekkend zijn, bijvoorbeeld als de schrijver met suïcide dreigt of intimiteit zoekt of als het taalgebruik onsamenhangend is. Kuiper beperkte zich tot ontvangers die tot het Rijksdomein behoren: leden van het Koninklijk Huis, ministers en staatssecretarissen, Kamerleden, lijsttrekkers van politieke partijen, leden van het College van procureurs-generaal en in voorkomende gevallen bijvoorbeeld burgemeesters van grote gemeenten. Ze analyseerde 278 brieven, afkomstig van 150 personen, van wie er 41 bij elkaar 169 brieven schreven. Een aantal schrijvers was na het versturen van de (eerste) brief aangehouden als verdachte van een strafbaar feit. Kenmerken die in de bestaande literatuur over dreigbrieven en dreigers als relevant werden beschouwd, werkte Kuiper uit in een beoordelingskader en maakte ze meetbaar in een protocol. Twee beoordelaars gingen aan de hand hiervan na welke kenmerken van toepassing waren op de 278 brieven. Daarna toetste Kuiper welke kenmerken van doorslaggevend belang zijn voor de duiding van dreigbrieven.

Bevindingen
De kans dat een briefschrijver een strafbaar feit zal plegen, is het grootst wanneer hij uiting geeft aan gevoelens van haat of wraak of wanneer de brief verward is. Is er sprake van verwardheid, blijkend uit bijvoorbeeld incoherentie of waandenkbeelden, dan is de kans aanwezig dat de schrijver het niet bij één brief zal laten. Deze kans is ook groter bij niet-digitale brieven. Herhaalde brieven bevatten eerder een hulpvraag, een dreiging met suïcide of een zoeken naar intimiteit dan een bedreiging. Kuiper sluit haar studie af met aanbevelingen. Zo adviseert ze te onderzoeken of de kenmerken die relevant blijken in dreigbrieven aan personen in het Rijksdomein, ook van doorslaggevende betekenis zijn in dreigbrieven aan anderen, zoals lokale bestuurders. Ook wijst ze op de mogelijkheid de beoordeling te laten uitvoeren door detectieprogramma’s. Deze zouden uitingen van haat of wraak, verwardheid en andere kenmerken kunnen opsporen. Voor vervolgonderzoek is belangrijk dat van alle bedreigingen aangifte wordt gedaan. Voor iedereen die de niet eenvoudige taak heeft dreigbrieven te beoordelen, is het nuttig kennis te nemen van deze studie. De aan- of afwezigheid van bepaalde kenmerken kan een reden zijn om aan een brief prioriteit te geven of juist niet. Aandacht en snel ingrijpen zijn uiteraard geboden wanneer briefkenmerken wijzen op een gerede kans dat de schrijver zijn woorden zal omzetten in daden. Aandacht en actie zijn evenzeer vereist als een brief kenmerken bevat die kunnen wijzen op een behoefte aan zorg. Wordt de schrijver van zo’n brief in contact gebracht met een hulpverlenende instantie, dan voorkomt dat mogelijk dat hij opnieuw in de pen klimt.

M.L. Kuiper (2018), Het woord en de daad. Kenmerken van dreigbrieven en de intenties waarmee ze geschreven werden, uitgeverij Boom criminologie, 160 pagina’s, ISBN 978 94 6236 795 1.

Recensente Irene Spijker werkt als literatuuronderzoeker en redacteur bij de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatieorganisatie van de politie.

Reageer