“Vertrouwen is het fundament van samenwerking”

0

Dankzij posities bij Europol én Interpol overziet Jannine van den Berg (Landelijke Eenheid) het internationale speelveld als geen ander. Toch verliest ze nooit de basis uit het oog. “Internationaal werken begint in de wijk.”

Je bent landelijk aandachtsgebiedhouder internationale samenwerking. Wat houdt dat in?
“In het korps management team ben ik verantwoordelijk voor de ontwikkeling en versterking van de internationale samenwerking in het korps. Als politiechef van de Landelijke Eenheid ligt een belangrijk deel van de uitvoering ook onder mijn lijnverantwoordelijkheid. Maar ik heb de inzet van collega’s in alle eenheden nodig om echt het verschil te gaan maken.”

Wat zijn de pijlers van internationale samenwerking?
“In de afgelopen jaren hebben we sterk geïnvesteerd in de bilaterale relatie met voor ons belangrijke landen. Dat was ook nodig na de vorming van één nationaal korps. Vanaf nu gaan we de samenwerking wereldwijd vanuit de criminele fenomenen bekijken en elkaar van daaruit helpen en versterken. Een tweede pijler is kennis vergroten van het internationaal werken binnen onze eigen organisatie door management development-trajecten bijvoorbeeld en het bevorderen van taalkennis. De bedrijfsvoeringkant kun je ook als een aparte pijler zien. Daarnaast blijven we in multilateraal missieverband bijdragen aan de bevordering van de internationale rechtsorde. Samen geeft dat vorm aan internationaal werken en ook aan het venster internationalisering van de Politie van overmorgen (de visie van de Nederlandse politie op de toekomstige organisatie, -red). De basis moet ondertussen op orde zijn, zoals de internationale rechtshulp. Je kunt je heel erg focussen op allerlei nieuwe ontwikkelingen, maar ik ben ervan overtuigd dat als je de internationale rechtshulp niet op een voldoende niveau blijft uitvoeren, je op een gegeven moment niet meer geloofwaardig bent. Bij Rechtshulp helpen ze ons elke dag bij de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit. En internationale samenwerking is per definitie gebaseerd op vertrouwen en wederkerigheid. Wij werken allereerst voor de Nederlandse veiligheid, maar als je internationaal werkt dan weet je: je kunt niet alleen komen halen, je moet ook brengen. Je doet soms ook iets voor een ander land zonder daar onmiddellijk zelf voordeel uit te halen. Bijvoorbeeld door kennis en technologie aan te bieden op het gebied van digitaal werken op straat of de bike-programma’s.”

Hoe staan we bekend in het buitenland?
“Ik denk dat we op veel gebieden een gidsland zijn. Maar Nederland blinkt nog niet uit als het gaat om de basis, het uitvoering geven aan de rechtshulpverzoeken. En dat ligt niet aan de mensen die dit doen, want het is een fantastische club vanuit de Internationale Rechtshulp Centra. Het heeft soms te maken met de prioritering of het informatiesysteem dat gebruikt wordt. Iedereen wil hetzelfde: zakendoen op operationeel niveau. Partners snappen best dat er geprioriteerd wordt. Maar je moet er aandacht aan besteden en betrouwbaar zijn. Het is de basis. Als een land van mening is dat zij niet goed worden geholpen door ons, dan werken ze ook minder met ons mee. Terwijl wij daar behoorlijk belangrijke onderzoeken mee kunnen hebben. En dan moet je investeren, samen met het OM, om de relatie te repareren. Daarna moet je natuurlijk wel ervoor zorgen dat aan hun verzoeken wordt voldaan.”

Hoe speelt de politiek hier een rol in?
‘Wat het werk interessant maar ook wel complex maakt, is dat je niet alleen als politie acteert in het internationale veld maar ook te maken hebt met de politieke situatie. Dat probeer je zo min mogelijk met elkaar te laten vermengen, maar in de praktijk gebeurt dat natuurlijk wel. Als we willen samenwerken op het vlak van mensenhandel met China, dan kunnen we niet voorbijgaan aan de Chinastrategie van het kabinet. Bij een moeizame samenwerking zitten wij met het OM en de departementen om de tafel. We moeten immers binnen Nederland op één lijn zitten. Het is voor de politiek soms fijn als op politie-politie basis de lijnen goed lopen. Tegelijkertijd heb je ook die politieke goodwill nodig. Politiek en politie staan nooit helemaal los van elkaar. Dat merk je ook in de general assembly van Interpol. Je wilt in Interpol-verband ervoor zorgen dat je – ongeacht de politieke situatie in sommige landen – toch nog met elkaar kunt praten. Een crimineel mag nooit profijt hebben van geopolitieke spanningen.”

Kun je een grove schets geven van hoe het internationale speelveld voor bestrijding van criminele fenomenen eruitziet?
“De wereldwijde architect is Interpol, die zich richt op de wereldwijde samenwerking met 194 landen. De basis is informatie-uitwisseling en het stimuleren en coördineren van kennisuitwisseling. Europol richt zich specifiek op de veiligheid binnen de unie en is wat betreft aansturing ook anders dan Interpol. Europol is een agentschap van de Europese Commissie en voert EU-beleid uit en is daarmee een politiek instrument. Interpol is daarentegen juist apolitiek en echt van en voor de politie. Europol heeft dus een andere invalshoek en een andere bodem. Ik denk dat Europol een organisatie is die prima de coördinatie tussen de EU-landen kan doen. Regionale patronen zien in bijvoorbeeld grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en vervolgens adviseren en ondersteunen bij acties op dit gebied. Interpol kan met deze regionale inzichten van Europol en andere ‘-pollen’ zoals Ameripol, een wereldwijd inzicht in criminele stromen opbouwen.”

Je bent sinds november 2018 lid van de executive committee van Interpol. Kun je iets vertellen over je eerste indrukken?
“De executive committee is de Raad van Bestuur van Interpol. Namens de 194 lidstaten stimuleren en bewaken we de ontwikkeling van Interpol. Het is belangrijk dat Interpol de diensten en producten levert waar de korpsen in de wereld behoefte aan hebben, maar net zo goed dat de bedrijfsvoering in orde is. Er is dus ook veel aandacht voor Interpol als aantrekkelijke werkgever voor gedetacheerde politie-experts en een gezonde financiering. Ik vertegenwoordig daarbij niet Nederland, maar alle lidstaten. De helft van de committee is nieuw en we zijn nu met name bezig met het bepalen hoe we de kernfuncties van Interpol kunnen versterken als organisatie. In de kern gaat het om zo efficiënt mogelijk informatie met elkaar delen, zodat iedere lidstaat met die informatie het eigen land veiliger kan maken. En dat is een uitdaging: hoe kunnen we de snelheid verhogen? Dus wat we bij Interpol belangrijk vinden, is een goede informatievoorziening – met alle spelregels op het gebied van veiligheid en privacy van dien – waarbij je eigenlijk probeert de zwakkere schakels te versterken. Het Landelijke Internationaal Rechts hulpcentrum van de Landelijke Eenheid neemt hierin een voortouw in een twinning-project met het Interpol National Central Bureau in Tripoli.”

Is er een groot verschil in de vraagstukken van landen?
“Uiteindelijk zijn wij op zoek naar de gemeenschappelijkheid. Mensen nemen hun eigen referentiekader mee. Voor landen in Europa is state-of-the-art informatietechnologie een prioriteit, maar in andere delen van de wereld is training en operationele ondersteuning minstens zo belangrijk. Je moet in executive committee dus echt een andere bril op kunnen zetten. Ik merkte dat ook in de aanloop naar de verkiezing voor het lidmaatschap.”

Het gerucht gaat dat je campagne moest voeren?
“Ja, ik moest ‘de boer op’. Met een flitsend campagneboekje een promotiefilmpjes in 4 talen en stroopwafels onder de arm. Tijdens zo’n campagne merk je dat het heel belangrijk is dat mensen je kennen, weten wie je bent. Nogmaals, vertrouwen is het fundament van samenwerking. Collega’s willen een gevoel hebben bij wat voor type je bent: is dit een vrouw die het politievak verstaat of heeft ze meer een politiek-bestuurlijke achtergrond? Ik merk dat men in het algemeen zoekt naar de eerste categorie. Het merendeel van de leden heeft een politie-achtergrond.”

Naast operationele samenwerking is internationale kennisontwikkeling dus ook belangrijk. Hoe is dat internationaal ingericht?
“Wat je al lang ziet binnen de politie is dat de echte vakbroeders in verbinding staan met hun vakbroeders in andere landen. Op zoveel fronten wordt kennis gedeeld. Dat bestond al en bestaat nog steeds. Daarnaast zijn er nog specifieke innovaties. Europol en Interpol hebben in hun doelstellingen de uitwisseling op het gebied van innovatie staan. Een mooi voorbeeld was tijdens de general assembly in Dubai in november. Op de bijbehorende informatiemarkt stond een soort motor met drones die ongeveer twintig minuten kon vliegen. In Dubai hebben zij het geld om dit te ontwikkelen. Zij hebben weer behoefte aan onze kennis over de implementatie van nieuwe ontwikkelingen in de reguliere werkprocessen. Europol en Interpol zijn geen instituten die zelfstandig innoveren. Zij zijn er om te verbinden, om de informatie op te halen uit de wereld. Ons korps investeert ook internationaal op het innovatiedossier zoals met ontwikkelingen van artificiële intelligentie. Zowel op Interpol-niveau als op Europol-niveau zijn er allerlei werkgroepen op thema’s actief. Sommige maken wereldwijde standaarden zoals voor victim identification. Andere draaien gezamenlijke projecten en operaties zoals bij environmental crime, de aanpak van electronic waste, database ontwikkelingen; allemaal activiteiten dichtbij het echte werk. Dit zijn operationeel specialisten die nadenken over interventie-strategieën en slimme dingen bedenken.”

Wat betekent jouw rol in deze internationale samenwerkingsverbanden nu eigenlijk voor de collega op straat en in de opsporing?
“Ik weet niet of de collega’s op straat nu iets merken van mij, maar ze zullen wel iets van Interpol en Europol merken vanwege het feit dat we systemen hebben die zij kunnen bevragen. Stel je hebt een winkeldief uit Roemenië. Je kan hem nu op straat bevragen op internationaal niveau. En dan merk je dat hij in allerlei landen al delicten heeft gepleegd. Iets kan hier dan relatief klein lijken, terwijl als je het volledige beeld hebt een zaak ineens fors kan zijn, zoals mobiel banditisme. Vergelijk ook de cocaïneproblematiek in de havens. Uiteindelijk speelt deze in de totale Delta. Om effectieve interventies te plegen moet je samenwerken met de landen waar de cocaïne vandaan komt en heen gaat. Met informatiebundeling kun je veel effectiever zijn. Dit sluit aan op de wijziging in de strategie van internationale samenwerking. Door het fluïde karakter van de criminaliteit is het beter om fenomenen centraal te stellen en te kijken de stromen die over de wereld gaan: goederen, geld en data. De operationele problemen worden gerichter gekoppeld aan de internationale samenwerking. Hoe dichterbij je zit, hoe meer operationeel de samenwerking is. Je kunt het zien als ringen. In de binnenste ring heb je bijvoorbeeld een Joint Investigation Team (JIT) in de Delta, in de ring daarbuiten ligt de nadruk meer op informatie-uitwisseling rondom specifieke drugslijnen in Europees verband en uiteindelijk sluiten we op internationaal niveau aan bij het Interpol-project Millennium. Voor ieder fenomeen werk je op verschillende schaalniveaus en doe je wat past bij die geografische schaal.”

Wijk, wereld web?
“De wereld zit in je wijk en het web al helemaal. Zijn er verkiezingen in Turkije dan merken we dan hier. Mensen die uit Syrië zijn gevlucht en aan verschillende kanten van de strijd hebben gestaan komen elkaar hier tegen. Die spanning bestaat ook hier. De collega op straat kan daar niet om heen. Het probleem is elders ontstaan maar het bestaat in de wijk. Dan wordt informatie van belang en in verbinding staan met andere landen. Ik vind het geweldig dat er wijkagenten zijn die zich helemaal verdiepen in wat er echt speelt. Het internationaal werken is niet enkel het samenwerken met andere landen. Het gaat om de informatiepositie. Die krijg je bijvoorbeeld ook via de liaison officers. Daar ben ik apetrots op. We doen dat samen met België en de KMar. We richten ons op de voor ons relevante landen. En we kijken naar versterking op thema. Ze zitten soms in één land, maar zijn voor een heel gebied aangewezen. Onze liaison in de Verenigde Arabische Emiraten gaat bijvoorbeeld ook over Jordanië en Irak. Dat zijn als het ware de wijkagenten van de betreffende regio’s.”

Hoe ziet de internationale samenwerking er over tien jaar uit?
“De kunst is om voor jezelf goed te weten wat je aan de ander vraagt. En hoe je van daaruit een relatie opbouwt om tot gemeenschappelijk belang te komen. Ieder land heeft een eigen dynamiek en politieke situatie. Uiteindelijk wil iemand met je samenwerken als hij zelf ook een belang heeft. Het is de kunst om niet te bijzonder te zijn; internationaal is niet een aparte afdeling of portefeuille, maar het is van iedereen. Niet ‘ik pak mijn koffer en ga op reis’, maar onderdeel van de visie en missie van het werk. Internationaal begint bij het ophalen van wat er in je wijk gebeurt. De bedrijfsvoering moet ook ingericht zijn op internationaal werken, bijvoorbeeld informatiesystemen en arbeidsvoorwaarden. Daar komt ook een programma voor. De korpsen in Noordwest-Europa werken op dat gebied ook steeds meer samen en leren van elkaar.”

Tijdens de vorming van de Nationale Politie had je het al druk. Hoe is het nu?
“Ik doe dit echt niet alleen. Ik heb heel veel steun en hulp. Dat helpt mij enorm bij alle rollen en portefeuilles die ik heb. Daardoor staan we nu ook waar we staan. Ik kan de dwarsverbanden zien door de verschillende portefeuilles. Dat vind ik leuk en geeft mij energie. Bij de korpsleiding zat ik indertijd nog midden in de vorming van de organisatie. In deze fase gaat het steeds meer om focus op het echte werk. Ik ga het nooit in 40 uur redden, maar dat hoeft ook helemaal niet. Ik vind het heel erg plezierig dat het nu steeds meer gaat om verbeteren van het werk. De wereld verandert, we zien kansen. Dan vliegt de week om, ik ben gestopt met uren tellen.”

Reageer