De Belgisch-Nederlandse strafrechtelijke samenwerking

0

Politiediensten in de Benelux krijgen binnenkort meer mogelijkheden om over de grens te opereren. De verantwoordelijke bewindslieden hebben een update van het Beneluxverdrag inzake politiesamenwerking dat dit regelt onlangs ondertekend. Hiermee is voor België en Nederland een volgende stap gezet in de grensoverschrijdende samenwerking. Versterking van de politiële en justitiële samenwerking is dringend nodig, want integratie van de georganiseerde misdaad in het Belgisch- Nederlandse grensgebied neemt alleen maar toe.

Dit laat een recent onderzoek van de universiteiten van Gent, Leuven en Tilburg wederom zien. Het is verschenen onder de titel: Illegale drugsmarkten in België en Nederland: communicerende vaten?, en vormde mede de grondslag voor dit artikel. Hoewel de grensregio in een aantal opzichten voorop loopt in de Europese Unie, blijft het bijzonder lastig om de samenwerkingsinitiatieven een structureel en bestendig karakter te geven.

Criminaliteitsontwikkelingen in het grensgebied
Grensgebieden oefenen van oudsher aantrekkingskracht uit op criminelen. Al sinds de tijd van de bokkenrijders biedt een grens extra mogelijkheden om uit handen te blijven van de autoriteiten. Hedendaagse (mobiele) bendes van Belgische overvallers van geldtransporten en banken, Nederlandse plofkrakers en ladingdieven, en Zuidoost-Europese inbrekers, om maar wat smaken te noemen, doen er nog altijd hun voordeel mee. Landsgrenzen bieden ook mogelijkheden voor smokkel, en ook in het Nederlands-Belgische grensgebied heeft die lang welig getierd. Er kwam pas een einde aan na 1962, toen de Benelux Douane-unie was gevormd en ook de grenscontroles tussen de drie landen waren opgeheven. In de jaren daarna ontwikkelden Noord-Brabant en Limburg zich tot belangrijke productiegebieden van illegale alcohol, synthetische drugs en cannabis. Vooral de producenten van synthetische drugs maakten al in de jaren negentig strategisch gebruik van de landsgrenzen bij het opzetten van laboratoria. Na de eeuwwisseling verschenen steeds grotere aantallen wietplantages aan de Belgische kant van de grens. Dat was deels te wijten aan de activiteiten van Nederlandse immigranten en criminele samenwerkingsverbanden, maar de laatste jaren ontdekten ook steeds meer Belgen de lucrativiteit ervan. Een laatste punt dat we aanstippen is de strijd tegen het drugstoerisme, zeker sinds ‘Schengen’ in 1995 ook zorgde voor ‘open’ grenzen met Duitsland en Frankrijk. Maatregelen zoals intensievere controles op de snelwegen, de sluiting van coffeeshops zoals Checkpoint in Terneuzen en met name het weren van niet-ingezetenen uit coffeeshops in de Belgisch-Nederlandse grensregio (het ‘I-criterium’), zorgden voor een opmerkelijke verschuiving. Belgische en Franse gebruikers zijn hun middelen, ook harddrugs, sindsdien vooral gaan betrekken van dealers in de eigen steden. Die worden weliswaar nog vaak bevoorraad door leveranciers in Nederland, maar ook hier wordt zichtbaar dat Belgische criminelen hun eigen aanvoerlijnen voor bijvoorbeeld cocaïne zijn gaan opzetten. De criminaliteit in het grensgebied is daarmee niet alleen complexer geworden, maar ze integreert ook verder. De uitdaging voor de opsporingsinstanties wordt dus steeds groter. De omvang van de problematiek wordt duidelijk wanneer we kijken naar het rechtshulpverkeer tussen België en Nederland. In Nederland werden in de periode 2012-2016 meer dan negenduizend zwaardere, drugsgerelateerde rechtshulpverzoeken geregistreerd, waarbij iets meer dan tachtig procent van de inkomende verzoeken van de Belgische autoriteiten afkomstig was. Eerder al bleek dat de omvang van het rechtshulpverkeer in het Duits-Nederlandse grensgebied, met uitzondering van Limburg, in het niet valt bij de door België gevraagde samenwerking. In de meeste rechtshulpverzoeken gaat het specifiek om opsporing. ‘Softdrugs’ en ‘verdovende middelen algemeen’ zijn de belangrijkste categorieën. Hetzelfde geldt wanneer we kijken naar de door Nederland richting België uitgestuurde verzoeken.

De behoefte aan strafrechtelijke samenwerking
De behoefte aan nauwe samenwerking op politieel en justitieel vlak wordt in de grensregio al sinds jaar en dag gevoeld. Het opheffen van de vaste grenscontroles in de Beneluxlanden in 1962, ging hand in hand met een verdrag dat de mogelijkheden voor de strafrechtelijke samenwerking vergrootte. Het maakte onder andere grensoverschrijdende achtervolging mogelijk. In 1995 trad de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO) in werking. Die bood voortaan ook mogelijkheden voor grensoverschrijdende observatie en directe informatie-uitwisseling tussen politiediensten in de grensstreek. Dat laatste betekende dat niet langer alle vragen via het Interpolkanaal hoefden te lopen. In Nederland en de buurlanden werden contactpunten opgezet voor de uitwisseling van informatievragen. Een daarvan zou later uitgroeien tot het Euregionaal Politie Informatie en Coördinatie Centrum (EPICC) in Heerlen. Daarin zitten Nederlandse, Belgische en Duitse politiefunctionarissen bij elkaar, met toegang tot hun eigen informatiesystemen, en kunnen ze vragen over en weer vrijwel direct beantwoorden. Voor de coördinatie van meer ingewikkelde rechtshulpverzoeken en grensoverschrijdende opsporingsonderzoeken, werd bij het parket Maastricht het Bureau Euregionale Samenwerking (BES) gecreëerd, waarin elk Openbaar Ministerie van de drie landen vertegenwoordigd is.

JHT’s en JIT’s
Eind jaren negentig kwam de bestrijding van het drugstoerisme hoog op de agenda. Steden als Heerlen, Maastricht en Rotterdam ondervonden grote overlast van dealpanden en van vooral Duitse en Franse verslaafden. Agressieve drugsrunners waren actief op de snelweg van Rotterdam naar de Belgische grens en later ook op de route Maastricht-Luik. Het leidde in 1998 tot het sluiten van het ‘Hazeldonkakkoord’ met Frankrijk en tot de oprichting van een politieteam dat controles ging uitvoeren op de route naar Rotterdam, waarvan ook enkele Franse politiemensen deel gingen uitmaken. Vanaf 2004 kreeg dit team de naam Joint Hit Team (JHT). In dat jaar werd ook een tweede JHT opgericht voor het traject Maastricht-Luxemburg, en kregen ze bovendien het aanpakken van de dealpanden als extra taak. Ook België ging deelnemen, zij het slechts beperkt. Recent heeft Nederland (eenzijdig) de JHT’s als aparte voorziening ontbonden. Hun activiteiten zullen in de reguliere politieorganisatie worden voortgezet. Een laatste ontwikkeling zijn experimenten met samenwerkingsverbanden die we nu als Joint Investigation Teams (JIT’s) zouden kwalificeren. Pionierswerk vond plaats vanaf de jaren negentig tijdens opsporingsonderzoeken naar XTCproducenten en ladingdieven. Dit kreeg de vorm van ‘raamwerk- rechtshulpverzoeken’, waarin werd geregeld dat, bijvoorbeeld voor de voortdurend noodzakelijke grensoverschrijdende observaties of telefoontaps, geen aparte rechtshulpverzoeken meer nodig waren. Ook technische apparatuur en personeel werd op die basis uitgewisseld. Na de eeuwwisseling werden JIT’s geformaliseerd in de Europese wet- en regelgeving en worden ze steeds meer toegepast, met name in grensgebieden.

Beneluxverdrag
De verdragsrechtelijke kaders werden in 2004 verder uitgebreid met het Beneluxverdrag inzake politiesamenwerking en een vergelijkbaar verdrag met Duitsland. In 2005 volgde ook nog het Verdrag van Prüm. Deze verdragen maakten het onder andere mogelijk dat politiediensten voortaan bij rampen en openbare-ordehandhaving op buitenlands grondgebied op mochten treden. Zeer recent is een update van het Beneluxverdrag ondertekend, waarin de mogelijkheden om op buitenlands grondgebied op te treden verder zijn uitgebreid en de randvoorwaarden voor het uitwisselen van informatie in het kader van een integrale aanpak, zijn uitgebreid. Het verdrag regelt onder meer het beschikbaar stellen van politiegegevens aan bestuurlijke instanties op grond waarvan bijvoorbeeld een vergunning geweigerd kan worden. Tevens wordt politieonderzoek in het buurland gemakkelijker. Zo mogen er na de inwerkingtreding van het verdrag opsporingshandelingen in de andere staat worden verricht in aanwezigheid van collega’s uit die staat (het zogenaamde ‘deurwaardersmodel’).

De samenwerking: sterke en zwakke punten
Naar de strafrechtelijke en bestuurlijke samenwerking ten behoeve van de bestrijding van de criminaliteit in het Belgisch-Nederlandse grensgebied, is in de loop der tijd al veel onderzoek gedaan. Deze onderzoeken laten in grote lijnen steeds dezelfde pijnpunten zien, die vooral worden veroorzaakt door verschillen in organisatiestructuur, aanpak en prioritering. Daarnaast verloopt ook de justitiële informatie- uitwisseling tussen beide land vaak stroef. Voor een deel zit de ergernis bij de afhandeling van vergrijpen zoals kleine verkeersovertredingen. In Nederland worden deze zaken administratiefrechtelijk afgedaan, maar in België nog steeds strafrechtelijk. Het gevolg hiervan was een jaarlijkse stroom van duizenden verzoeken (bovenop de al genoemde zwaardere verzoeken) om verdachtenverhoren van verkeersovertreders. Bij ons kunnen die maar op weinig enthousiasme rekenen, omdat ze hier niet meer tot de politietaak behoren. Bovendien wordt het systeem van wederzijdse rechtshulp er oneigenlijk door belast. In principe is volgens Europese regelgeving overdracht naar het land van herkomst van de overtreder mogelijk, waarna de boete op dezelfde wijze wordt geïnd als een in eigen land begane verkeersovertreding. Hierover hebben Nederland en België echter nog steeds geen afspraken gemaakt.

Procedurele verschillen
Bij grotere zaken doen zich vooral knelpunten voor in de fase waarin moet worden besloten over de toedeling van mensen en middelen. Als daar eenmaal voor is gekozen, kunnen problemen die voortvloeien uit allerlei strafvorderlijke verschillen, gewoonlijk wel worden opgelost. Het gemeenschappelijke doel om gezamenlijk ‘boeven te vangen’ staat niet ter discussie. Begrip voor elkaars organisatieculturele eigenaardigheden en goede onderlinge verhoudingen helpen vanzelfsprekend wel om knelpunten op te lossen. Hoewel politie en justitie hiërarchische organisaties zijn, hebben medewerkers gewoonlijk toch een grote mate van autonomie. Procedurele verschillen waarmee moet worden omgegaan zijn er op allerlei vlak. We geven slechts enkele voorbeelden. Zo moet voor iedere onderzoekshandeling die België in Nederland wil laten uitvoeren, een schriftelijk verzoek worden opgesteld, verstuurd en goedgekeurd, en hiermee gaat kostbare tijd verloren. In tegenstelling tot de Belgische politie is men in Nederland wettelijk verplicht om – uit het oogpunt van transparantie – alle opsporingshandelingen schriftelijk te verantwoorden. Ook bestaat bij de Belgen de indruk dat de Nederlandse privacywetgeving veel strenger is, wat gevolgen heeft voor het uitwisselen van bepaalde informatie. Maar ook in de sturing van een onderzoek zien we een verschil; in Nederland is een zaaksofficier van justitie nauw betrokken bij de voorbesprekingen en uitvoering van het opsporingsonderzoek, en deze bewaakt voortdurend de grenzen van het onderzoek. Dit is in België niet aan de orde: bij een bezoek aan Nederland voor het bespreken van een rechtshulpverzoek zal zelden een Belgische parketmagistraat aanwezig zijn. Verschillende benaderingen Het meest fundamentele probleem bij de samenwerking is de structurele schaarste aan opsporingscapaciteit in zowel België als Nederland. De workload bij politie en Openbaar Ministerie is in beide landen ongekend hoog. Ze gaan echter geheel verschillend met dit personeelsgebrek om. In Nederland is gekozen voor een sterk projectmatige aanpak van de opsporing van zware en georganiseerde criminaliteit, mede onder invloed van een concept als informatiegestuurde opsporing (intelligence led policing). Keuzes worden sterk bepaald door vooraf gestelde prioriteiten en door de ernst van de impact van de activiteiten van een criminele groepering. Binnen de Nederlandse politie zijn de zogenaamde stuur- en weegploegen verantwoordelijk voor dit keuzeproces, dat bestaat uit een aantal stappen. Eerst wordt een preweegdocument of projectvoorstel opgemaakt op basis waarvan de stuur- en weegploeg een beslissing neemt. Dit document wordt vervolgens omgezet in een projectplan waarin strategie, doelstellingen en (vaste) doorlooptijden zijn geformuleerd. Tijdens het onderzoek wordt de voortgang gemonitord en aan het einde van de periode vindt evaluatie plaats waarna het project wordt stopgezet of, als daar aanleiding toe is, een nieuwe termijn krijgt. Door de stuur- en weegploeg afgewezen onderzoeksvoorstellen gaan ‘retour afzender’ en worden, in afwachting van eventuele nieuwe informatie, terzijde gelegd. België werkt juist met een fenomeengerichte benadering. Er is geen sprake van een beperkt aantal onderzoeken die volgtijdelijk worden afgewerkt, maar van een groot aantal lopende dossiers waar parallel aan wordt gewerkt, met meer of mindere intensiteit. Rechercheurs concentreren zich op de zaken waar op dat moment de meest veelbelovende vooruitgang in mogelijk is of lijkt. Op onverwachte, nieuwe informatie wordt direct ingespeeld. Aan de meeste opsporingsonderzoeken is geen formele doorlooptijd of strak omschreven doel gekoppeld. Een dossier kan dus jarenlang ‘actief’ blijven, zonder dat er voldoende bewijs vergaard wordt om verdachten succesvol te kunnen vervolgen.

Nederland
Beide benaderingen hebben voor- en nadelen. Het is evident dat het Nederlandse systeem zich wreekt bij de behandeling van urgente buitenlandse rechtshulpverzoeken die vragen om een opsporingsonderzoek dat we hier projectmatig aanpakken. Soms zijn de verzoeken, al dan niet in afgeslankte vorm, inpasbaar in een al lopend opsporingsonderzoek. Wanneer dat niet het geval is belandt het rechtshulpverzoek echter onvermijdelijk in de carrousel van wegen en sturen’. De consequentie is dat weken verstrijken voordat er een besluit wordt genomen, dat bovendien in veel gevallen negatief zal uitpakken. Hoewel de belangen van de buitenlandse partner worden meegewogen, wordt er geen voorkeursbehandeling gegeven ten opzichte van concurrerende voorstellen. Als het besluit wel positief uitpakt, betekent dit nog niet dat er direct een team klaarstaat voor de uitvoering. En als met uitvoering wordt begonnen, kan de vastgestelde doorlooptijd roet in het eten gooien. De Nederlandse werkwijze is voor veel landen, zeker niet alleen voor België, heel moeilijk te begrijpen. Buitenlandse opsporingsinstanties ontploffen regelmatig van woede vanwege de ondervonden traagheid en rigiditeit, die het voor hen onmogelijk maakt om snel resultaten te kunnen bereiken als de kans zich voordoet. Of ze doen niet eens meer de moeite om verzoeken in te dienen, waardoor Nederland relevante informatie misloopt over criminele activiteiten in eigen land. België Dit wil overigens niet zeggen dat de Nederlanders niets te klagen hebben over België. Op urgente verzoeken wordt weliswaar meestal prompt gereageerd, maar in langduriger trajecten ergeren ze zich aan de als ongestructureerd ervaren Belgische werkwijze. Ook verschillen in taalgebruik (vooral ook in het Waalse deel van België) en omgangsvormen kunnen voor verwarring zorgen. Zo zijn Belgen vaak minder uitgesproken wanneer ze bepaalde verzoeken niet zien zitten of er moeilijk aan kunnen voldoen. Een verzoek om inzage in alle dossiers van de afgelopen tien jaar omtrent een specifiek soort strafbaar feit zou een vrijwel onmogelijke opdracht zijn (ook wanneer zo’n vraag aan Nederland zou worden gesteld, overigens). Het gevolg kan dan zijn dat enthousiaste Nederlandse rechercheurs merken dat hun contactpersonen zich opeens onbereikbaar houden, dat afspraken steeds worden afgezegd, of als ze wel doorgaan, dat de persoon met wie is afgesproken opeens ‘op vakantie’ blijkt en verder niemand ergens van op de hoogte zegt te zijn. Het is overigens zeker niet zo dat er aan Belgische kant geen bewondering is voor de Nederlandse werkwijze. Als er eenmaal een besluit is genomen wordt er ook vol ingezet op een effectieve uitvoering en vaak met resultaat.

De roep om meer structurele samenwerking
Samenwerking op basis van goede persoonlijke relaties is weliswaar snel en effectief, maar evenzeer kwetsbaar. In beide landen wisselen functionarissen immers frequent van positie als gevolg van grotere en kleinere reorganisaties. Het gevolg is dat de ‘vertrouwde gezichten’ nog al eens verdwijnen en relaties opnieuw moeten worden opgebouwd. Ze kunnen ook grondig verstoord raken, wanneer de opvolger zich een houding permitteert die in het buurland maar matig wordt geapprecieerd. Beide landen doen daarom al tientallen jaren verwoede pogingen de samenwerking een meer structureel en duurzaam karakter te geven, en impliciet minder persoonsafhankelijk te maken. Dit blijkt echter buitengewoon lastig. Een eerste probleem is zorgen voor bestendigheid van het samenwerkingsverband. Samenwerkingen werden in het verleden vaak bottom-up gevormd en doorgaans beperkt tot een afzonderlijke politieregio. Dit maakt ze kwetsbaar voor de opvattingen van een (nieuwe) hoofdofficier van justitie of eenheidschef, zeker als die weinig opheeft met grensoverschrijdende criminaliteitsproblemen. Het resultaat kan zijn dat opeens de ‘stekker’ uit een bepaalde voorziening wordt getrokken, of dat het personeel te pas en te onpas wordt ingezet voor ‘dringender’ zaken, zoals een TGO. Ten tweede zijn structuren vaak afhankelijk van een klein aantal zeer actieve trekkers. Wanneer die worden overgeplaatst, is het gevolg doorgaans dat de activiteiten binnen het samenwerkingsverband op een laag pitje komen te staan. Ten derde ontbreekt het de bestaande overlegstructuren vrijwel altijd aan ‘tanden.’ Immers, degenen die er deel van uitmaken hebben meestal geen beslissingsbevoegdheid over menskracht en middelen. Wanneer er wel hogere leidinggevenden present zijn, doet zich het probleem voor dat Belgen ter vergadering vaak geen harde toezeggingen willen doen. De Nederlandse top belooft op zijn beurt wel gemakkelijk van alles, maar kan vervolgens tegen blokkades aanlopen bij het lagere management. Het gevolg zijn verwijten dat ‘met Belgen nooit een simpele afspraak te maken valt’, terwijl ‘in Nederland pas iets van de grond komt als ook de beheerder van het kopieerapparaat geen bezwaar heeft.’ De animo voor het bijwonen van overleggen waar gemaakte afspraken weinig gevolg krijgen of blijven steken in beleidsmatige en diplomatieke wellevendheden, neemt begrijpelijkerwijs snel af. Zo is menig initiatief ten onder gegaan.

Oplossingen
De vraag is dan ook hoe dergelijke problemen kunnen worden doorbroken. Zoals altijd begint elke actie met het onderkennen van de aard en de ernst en omvang van de criminaliteit. Het besef dat er, zeker in het grensgebied van België en Nederland, sprake is van een gedeelde problematiek, is nog steeds niet altijd in voldoende mate aanwezig, ondanks het vele (wetenschappelijke) onderzoek dat er inmiddels naar is uitgevoerd. De ervaring leert dat de urgentie steeds opnieuw moet worden benadrukt. Het periodiek vervaardigen van gezamenlijke (strategische) dreigingsanalyses is daarom een eerste vereiste (zie ook De Middeleer e.a., 2018). Vervolgens dient een dergelijke gemeenschappelijke analyse te worden vertaald in concrete acties. Op het hoogste niveau moeten zo scherp mogelijke afspraken worden gemaakt over prioriteiten en wat België en Nederland wederzijds van elkaar kunnen verwachten, ook in de vorm van inzet van personeel en middelen. De doelstellingen moeten jaarlijks kunnen worden geëvalueerd en de uitvoeringsverantwoordelijken moeten worden aangesproken op geleverde inspanningen en bereikte resultaten. Er is, met andere woorden, een duidelijk, gezamenlijk criminaliteitsbeleid voor de Belgisch-Nederlandse grensregio nodig. Bij de uitvoering van dat beleidsplan zullen compromissen moeten worden gesloten over de werkwijze waaraan men in de respectievelijke landen gewend is. De eenheid Zeeland- West-Brabant heeft bijvoorbeeld voor een aantal vormen van ondermijnende criminaliteit al programmasturing ingevoerd, wat inhoudt dat daarop het proces van wegen en sturen niet langer van toepassing is, maar dat een meer ‘Belgische’ werkwijze wordt gevolgd. Dit wil niet zeggen dat op alle verzoeken kan worden geacteerd. Als het kan, worden er onmiddellijk mensen en middelen ingezet en anders wordt duidelijk uitgelegd waarom iets niet kan. Aan Belgische zijde zal juist wat meer structuur in de aanpak van gezamenlijke opsporingsonderzoeken moeten worden gebracht. Van beide zijden is dus commitment nodig. Deze gedachten zijn op zichzelf verre van nieuw. Pleidooien voor gemeenschappelijke dreigingsanalyses en criminaliteitsbeleid konden tien tot vijftien jaar geleden ook al worden gehoord. Initiatieven werden tot op heden echter vooral bottom-up genomen, of slechts door één toenmalige politieregio, zonder dat continuïteit voldoende was gegarandeerd. Vooral dáár dient verandering in te komen: de ministers moeten thans top-down het voortouw nemen en ervoor zorgen dat het beleid concreet is en resistent tegen eventuele contraire opvattingen van de lagere kaders, of wisselingen van de wacht op dat niveau. De ontwikkelingen zijn er zorgwekkend genoeg voor.

Noten
1. Het rapport kan hier worden gevonden: http://www.belspo.be/belspo/ organisation/Publ/pub_ostc/Drug/DR74_rapp2018.pdf.
2. De Middeleer, F., Van Nimwegen, S., Ceulen, R., Gerbrands, S., Roevens, E., Spapens, T., .& Colman, C. (2018). Illegale drugsmarkten in België en Nederland: Communicerende vaten?. Brussel: Belgian Science Policy Office (BELSPO).
3. Spapens, T. (2008). Georganiseerde misdaad en strafrechtelijke samenwerking in de Nederlandse grensgebieden. Antwerpen/Oxford: Intersentia.
4. Hofstede, G., Faure, M., Van Twuyver, M., Kapp, B., De Vries, H., Claus, F., & Van der Wel, J. (1993). Grensoverschrijdende politiesamenwerking tussen België, Duitsland, en Nederland; met speciale aandacht voor de Euregio Maas-Rijn. Maastricht, Universitaire Pers Maastricht; Den Boer, M., & Spapens, A. (2002). Investigating Organised Crime in European Border Regions. Tilburg: IVA; Spapens, T., & Fijnaut, C. (2005). Criminaliteit en rechtshandhaving in de Euregio Maas-Rijn Deel 1. Antwerpen/Oxford: Intersentia; Spapens, T. (2008); Fijnaut, C., & De Ruyver, B. (2008). Voor een gezamenlijke beheersing van de drugsgerelateerde criminaliteit in de Euregio Maas-Rijn: een rapport voor het bestuur van de Euregio: Euregio Maas-Rijn; Van Daele, D., Kooijmans, T., Van der Vorm, B., Verbist, K. & Fijnaut, C. (2010). Criminaliteit en rechtshandhaving in de Euregio Maas-Rijn, deel 3. De bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit in Nederland en België. Antwerpen/ Oxford, Intersentia; Rovers, B., & Fijnaut, C. (2011). De drugsoverlast in Maastricht en omliggende gemeenten: Een schets van de problemen en het effect van tegenmaatregelen. Antwerpen: Intersentia; Nelen, H., Peters, M., & Vanderhallen, M. (2013). Recherchesamenwerking in de Euregio Maas-Rijn. Amsterdam, Reed Business.
5. Bokhorst, R.J., Van der Steeg, M.,& De Poot, C.J. (2011). Rechercheprocessen bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Den Haag: Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC).
6. Nelen et al. (2013).
7. Vermeulen, G.C.A. & Van Damme, Y. (2010). Nederlandse afhandeling van Belgische rechtshulpverzoeken. Antwerpen: Maklu 2010.
8. Van Nimwegen, S., De Middeleer, F., Spapens, T., & De Ruyver, B. (2017). Georganiseerde misdaad en ondermijning in het Belgisch- Nederlandse grensgebied: het probleem en de aanpak. Cahiers Politiestudies, 3(44), 105-124.
9. Van Nimwegen et al (2017). 10. De Middeleer et al (2018).

Reageer